Bekijk het origineel

IV. De stand van zaken.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

IV. De stand van zaken.

Eene levenstaak

6 minuten leestijd

Wij naderen thans een gewichtig tijdperk van Tyndale's leven; gewichtig niet alleen voor hemzelven, maar voor heel Engeland, ja voor de gansche wereld tot op dit oogenblik toe.
Tot recht verstand der zaak is echter noodig, dat wij voor een oogenblik teruggaan tot hetgeen lang en ook kort te voren was geschied
De arbeid van Wycliffe had vruchten gedragen: zijne Bijbelvertaling, over welke wij reeds vroeger spraken, was verspreid, en de zoogenaamde „Lollarden" bestreden feitelijk, lang vóór de Hervorming doorbrak, de ltoomsche Kerk door hetgeen zij predikten. Daarbij maakte de drukkunst het mogelijk, nieuwe leeringen gemakkelijk alom te verbreiden
In 1509 besteeg Hendrik VIII den Engelsshen troon. Het volk hing hem aan; mildheid, krijgshaftigheid maakten hem gezien. Reeds toen begonnen mannen als Colet e. a. zich tegen veel in de Kerk te verklaren. Colet kwam op tegen het onbehoorlijk leven der priesters en sprak het uit, dat geene nieuwe kerkzeden, maar een nieuw leven noodig was en de hervorming bij do geestelijkheid moest beginnen.
Dat die geestelijkheid echter van zulke redenen minder gediend was, begrijpt men. Colet evenwel vond steun bij onzen geleerden landgenoot Erasinus, die toen in Engeland vertoefde, cn, gelijk men weet, zonder juist met Rome te breken, toch scherp de gebreken der Kerk hekelde. Erasmus' vriend Thomas More schreef zelfs een werk, „Utopia" geheeten, waarin hij eene maatschappij gelukkig prees zonder monniken, met vrij, zelfstandig oordeel voor ieder en waarin men door redeneering en niet door dwang en straf de dwalenden zou overtuigen.
Ongelukkig lag dat Utopia nog ver!
Koning Hendrik was met Erasmus zeer ingenomen en dacht toen zeker nog niet, dat hij, de koning, eens zoo fel tegenover den paus zou staan. Zelfs betoonde de vorst zich eenen voorvechter der Kerk. Hij schreef tegen Luthers werk: „De Babylonische ballingschap" een getiteld: „Verdediging der zeven Sacramenten", eene daad, waarvoor de paus den koning tot „Verdediger des geloofs" verhief. Hendrik was gehuwd met Catharina van Arragon, weduwe zijns broeders. Tot dat huwelijk had de paus toestemming gegeven (het huwelijk ware anders wegens de verwantschap ongeldig geweest). Wij weten, van hoe grooten invloed deze verbintenis ook op den loop der Hervorming in Engeland is geweest.
Veel droeg hiertoe bij het optreden van kardinaal Wolsey.
Deze, uit geringen stand opgeklommen tot kardinaal en rijkskanselier, stond bij Hendrik in hooge achting en kon doen, wat hij goedvond. Zelfs sprak hij van „Ik en mijn Koning" ( E g o et R e x meus). Hij leefde weelderig, omringde zich met pauselijken praal en was wegens zijne eerzucht en zelfzucht meer gevreesd dan geliefd.
De geestelijkheid zocht in Wolsey haren pleitbezorger, zoowel op burgerlijk als op geestelijk gebied. Men begon te woeden tegen de Lollarden en eveneens tegen hen, die zich op de wetenschap, vooral op het Grieksch, de taal des Nieuwen Testaments, toelegden. Zelfs kreeg Erasmus het zóó benauwd, dat hij Engeland verliet en naar Bazel vertrok. Daar gaf hij zijn Nieuw Testament in het Grieksch uit, met de Latijnsche vertaling, zeker weinig vermoedende, wat grooten dienst hij zoo vooral aan Engeland deed. Weldra was zijn werk in verschillende plaatsen van Brittanje verspreid.
Het had eene uitwerking, die door eenen vriend van „rustige rust" als Erasmus wel niet zal zijn gewenscht. Het zou nu blijken, wat de Heere Jesus bedoelde, toen Hij zeide: „Ik ben niet gekomen, om den vrede te brengen, maar het zwaard".
Aan de hoogeschool te Catnbridge studeerde toen een jongmensch, Thomas Bilney geheeten, die zich vooral op het kerkrecht toelegde. Hij leefde zeer nauwgezet; desniettemin kwelde hem eene gestadige onrust over zijne tekortkomingen en tevergeefs zocht hij rust bij hetgeen de Kerk had aan te wijzen: boetedoening.
Doch, daar verscheen in Engeland Erasmus' Testament. Bilney las het en — een licht ging hem op. Nu vernam hij, hoe Paulus gezegd heeft: „Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jesus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben". Dat woord gaf den zoekenden geest voldoening, het ontrust gemoed vrede.
Ditzelfde Testament nu, dat Bilney zoo ten zegen was, kwam Tyndale in handen, toen hij, gelijk wij zagen, te Oxford studeerde. Ook hij werd krachtig door het Woord Gods aangetrokken en zijn gemoed was weldra zoozeer vervuld met de heerlijkste waarheden, die het hem leerde, dat hij er voorlezingen over hield voor zijne medestudenten. Toen hij nu Oxford met Cambridge verwisselde, om daar zijne studiën voort te zetten, trof hij er Bilney aan. En het was zeer natuurlijk, dat twee jonge menschen, beide liefhebbers der waarheid en ééns geeste» kinderen, zich tot elkander aangetrokken gevoelden en een verbond van vriendschap sloten.
Doch ook de „derde in den bond" zou niet ontbreken. Dat was mede een jonkman, Johan Fryth geheeten, met wien Tyndale kennis maakte. Pryth was iemand van zeer groote gaven, die het ongetwijfeld in de wereld ver had kunnen brengen, indien hij zich niet geheel ten dienste der Kerk had gesteld. Tyndale mocht het middel zijn, om in het hart van dezen jonkman het eerst de begeerte te wekken naar het reine licht des Evangelies, en weldra waren alle drie, Bilney, Tyndale en Fryih, door hartelijke vriendschap en eenigheid des geestes verbonden.
Opmerking verdient het, hoe destijds in Engeland nog geen hervormer was opgestaan, gelijk er in Duitschland en elders optraden. Trouwens, mannen als Luther en Calvijn heeft Engelands hervormingstijd niet aan te wijzen, 't Was de Schrift zelf, die Tyndale en zijne vrienden tot de kennis en de aanneming der waarheid bracht.
_________
Hoe het Tyndale na zijn verblijf aan de hoogescholen gingr zagen wij reeds. Ook hoe, zoodra openbaar was geworden,, wat in hem woonde en werkte, de vijandschap van Rome zich tegen hem geuit had.
Dit laatste ervoer de jonkman thans eiken dag opnieuw en, meer. De geestelijken, verbitterd over zijne woorden en nog meer wijl men hem evenmin met reden weerspreken als van ongelijk overtuigen kon, begon hem op alle mogelijke wijzen te bemoeilijken.
Ten slotte werden de kwellingen zoo vele, dat Tyndale besloot de streek te verlaten. Hij vroeg dus aan ridder Welch verlof, uit zijnen dienst te vertrekken.
„Heer ridder", zoo sprak hij, „ik bemerk, dat ik niet lang meer in deze streek zal kunnen blijven. En al wildet gij mij ook hier houden, het zou u moeilijk vallen, mij uit de handen der geestelijkheid te houden. Bovendien, den Heere is bekend, wat moeite het u bezorgen kon, als gij mij bij u behieldt, en dat zou mij innig leed doen."
Ook ridder Welch (men vindt den naam ook „ W a l s h" geschreven) kon het niet anders inzien en er werd besloten, dat Tyndale zou vertrekken. Waarschijnlijk, ja bijna zeker zweefde den laatste toen reeds de gedachte voor den geest, om het Woord Gods in de volkstaal over te brengen en begreep hij, dat daarvoor ten huize van den ridder de gelegenheid minder gunstig zou zijn dan elders. Hoe het zij, weldra nam hij afscheid en verliet Gloucestershire, zijn geboorteland, waar hij nu eenen tijd lang had gearbeid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

IV. De stand van zaken.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken