Bekijk het origineel

De reiniging der tien melaatschen. (Lukas 17 : 11 — 19.) (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De reiniging der tien melaatschen. (Lukas 17 : 11 — 19.) (Slot.)

17 minuten leestijd

De Heere Jesus zeide niet: I k heb u behouden, maar: uw g e l o o f heeft u behouden. Het spreekt vanzelf, dat het geloof op zichzelf den mensch niet behouden zal of kan, maar dat het in waarheid de daad des Heeren is, die behoudt. Dit woord strekt, om ons te leeren, dat Hij alles aan het geloof heeft verbonden. Hij wil het niet weten, dat H i j helpt; Hij zal Zich als zoodanig slechts handhaven, als men Hem verwerpt; dan wijkt Hij met Zijne genade en geeft de menschen over aan hunne begeerlijkheden, totdat zij elkander vernield hebben. Verheerlijkt Hij Zich echter met Zijne genade, dan wil Hij het niet weten, maar prijst den mensch om zijn geloof.
Het is echter eene verborgenheid. Immers wij zien God niet, wij hebben Hem niet zichtbaar in ons midden; dén Heere Jesus zien wij ook niet met onze oogen, wij kunnen Hem niet tasten met onze handen; hoe komt nu een mensch aan God, aan den Heere Jesus? Ja, daartoe heeft God de Heere Zijn Woord gegeven, Hij gaf het reeds in het paradijs, en heeft niet opgehouden, deze belofte te bevestigen in de wereld, het den volke te laten prediken tot op heden, een Woord te geven, dat beproefd is, meer dan zilver en goud, dat in allen deele bewaarheid is, dat geeft, wat het belooft, al gaat het ook door alle onmogelijkheden heen, en dat niet ledig wederkeert. Als wij maar aan dit Woord blijven hangen, zoodat wij welgemoed zeggen: „Waar het Woord blijft, daar blijf ik ook", dan moet het Woord ten laatste vervuld worden. Trouwens in dit Woord, in de uitspraak van Zijnen mond, bestaan hemel en aarde, naar de uitspraak Zijns monds verrijst des morgens de zon en gaat zij des avonds onder, en schijnt des nachts het groote licht, de maan, en het heerlijk sterrenheir. Naar de uitspraak van dit Woord — geen mensch kan daar iets toe doen, — komen zomer en winter, vorst en hitte, regen en droogte, alles zooals Hij het wil en bepaald heeft. Zoo hangen aan Zijn Woord leven, vergeving van zonden, allerlei heil, allerlei uitkomsten tegen den dood, en ook voor dit leven. Wij kunnen God niet vragen, wij kunnen den Heere Jesus niet vragen, zooals wij eenen mensch vragen; Zijn Woord hebben wij te vragen, dat Hij ons heeft gegeven en voor ons heeft laten opschrijven. En hebben wij behoeften, verkeeren wij in nood, hebben wij zonde, en zouden wij gaarne verlost zijn van zonde en schuld, en leggen wij het aan Gods voeten, om in staat gesteld te worden, om God den Heere met een goed geweten te kunnen dienen, dan wil de Heere God het geloof, het geloof aan Zijn Woord. Ja, zal menigeen denken, dat is het juist, en dat weet ik ook wel, het geloof
doet het alleen. Ik antwoord: De Heere doet het. Menigeen maakt zich van het geloof verkeerde voorstellingen. Het geloof is geene tooverij, geen toovermiddel, het is er niet zoo meê gelegen, dat, als men gelooft, men het kan aantoonen, maar het geloof is een vertrouwen op God, op Zijne genade, op Zijne barmhartigheid, op Zijne goedertierenheid, en de grond van dit vertrouwen ligt in Christus Jesus Moet God soms meer doen, dan Hij gedaan heeft, om te bewijzen, dat Hij zondaren genegen is, dan Hij gedaan heeft, door Zijnen eeniggeboren Zoon over te geven, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe? Heeft Hij iets meer kunnen doen, toen Hij Zijnen eigenen Zoon niet Bpaarde, maar Hem voor ons allen overgaf? Immers is de Heere Jesus niet gestorven als martelaar voor de waarheid, maar Hij stierf voor de zonde, Hij droeg de zonden der Zijnen aan Zijn lichaam op het hout. Denken wij aan Zijn allerheiligst lijden en sterven, bedenken wij, hoe Hij Zijn gansche leven door heeft geworsteld, tot in Gethsémané, wat over Hem is gekomen op Golgotha, hoe Hij gestorven en begraven is, hoe Hij is opgestaan van de dooden, opgevaren ten hemel, en Zich heeft gezet aan de Rechterhand Gods, dat zijn toch geene droomen, maar daden Gods, die werkelijk geschied zijn.
Op grond nu van hetgeen Christus heeft gedaan en geleden, op grond van hetgeen Hij is en dat Hij Zich bevindt in den hemel ter Recherhand Zijns Vaders, op grond van hetgeen Hij gereed houdt voor allen, die Hem zoeken, is er vertrouwen op God, op Zijne goedertierenheid, genade en ontferming, en dat is geloof. Maar daarbij zie ik de verlossing niet, ik zie veeleer het tegendeel. Hierop heb ik echter ook niet te zien, maar voor waarachtig te houden, wat God de Heere zegt, nml. dat Hij om Christus' wil een genadig en barmhartig Vader wil zijn.
Zoolang het nog tijd is, zal ik het u, wien het om het behoud uwer zielen te doen is, nog gaarne zeggen: er is in waarheid geen grond voor bekommerdheid en wanhoop, maar men zal aanstonds en zonder omwegen heengaan tot Gods ontferming met zonde en schuld, met nood en dood.
Waarom zegt de Heere niet: I k heb u behouden? — Men maakt zich gewoonlijk verkeerde voorstellingen van God ; eigenlijk zou men gaarne in zijne melaatschheid blijven, en komt er nu eene ziekte, en dreigt de dood, dan weet men niet, wat men aan God-heeft; er is slechts een gepraat, waaruit wel blijkt, dat de ziel geenen waarachtigen grond heeft. Al woedt de cholera ook nog zeer verre van hier, het is toch niet zoo ver: zij kan weldra hier zijn. En al gebeurt dit ook niet, eens komt de dood toch, en hoe staat het dan met uwe ziel ? De Heere ziet naar het geloof, Hij wil geloof. En wat wil Hij nu, als Hij het geloof wil? Wil Hij, dat een menschenkind zonder grond, zonder overgave des harten zal zeggen: „Als ik sterf, word ik zalig", of wil Hij, dat wij op Hem vertrouwen ? Ik zeg : Hij wil het laatste !
Dat hebt gij vernomen, en dat verneemt gij voortdurend. God heeft Zijne belofte gegeven, de belofte van den Christus, en, opdat wij bewijzen zouden hebben, dat wij in het Verbond der genade behooren, geeft God ons de heilige Sacramenten; zoo doet Hij, al wat Hij kan. Nu wil Hij van onzen kant het vertrouwen op Hem en Zijne goedertierenheid. Maar is dan God niet rechtvaardig? moet Hij de zondaren niet straffen?
Gave God dat gij dat allen in waarheid geloofdet, dat God rechtvaardig is, want wie waarlijk weet en gelooft, dat God de zonde moet straffen, die heeft voorzeker rust noch duur, eer hij die andere gerechtigheid heeft gevonden, in welke God de goddeloozen rechtvaardig spreekt. Zeer zeker is God rechtvaardig. Maar wat bekommert zich het geloof om Gods rechtvaardigheid en heiligheid en Zijnen toorn ? Laat dat over aan de Wet, om den mensch ter aarde te werpen. En heeft zij dat eenmaal gedaan, ja, wat helpen dan nog slagen, als men een en al wonde is? Is de mensch een en al zonde, een en al wonde, een en al melaatschheid, dan bekommert het geloof zich niet om toorn, maar om goedertierenheid, genade, ontferming, om vertrouwen op deze goedertierenheid, genade en ontferming. — Is God met mij, ellendig mensch, tevreden, met mij, die mij mensch gevoel door en door? Wat zal mij hier het antwoord geven? Ziet gij op uwe zonde, op uwe melaatschheid, dan neen, en nogmaals neen!
De heilige Heiland kan Zich met de melaatschheid niet inlaten noch verontreinigen. Ziet gij op uwe zonde, uwe voortdurend wederkeerende zonde en nood, — wat heeft God met uwen nood te doen? Maar ziet gij met uwen nood, uwe zonde en plage op Zijn Woord en in Zijn Woord, wat zegt dit Woord u dan ?
Zegt dan dit Woord u niet, dat er Een is geweest, Dio der slang den kop heeft vermorzeld ? het Lam, waarop gij uwe zonde hebt te leggen, en Dat Zich daarmeê laat verbranden op het altaar? Slaat gij eenen blik in het Woord, allerwegen ziet gij den heiligen Heiland, Die de zonde op Zich neemt en wegdraagt als het Lam Gods. Wie gaf toch dit Lam ? Wie zond Hem, Die der slang den kop vermorzelde? Van waar komt het Lam? — God zond het! Heeft soms de Heere Jesus medelijden, maar God niet? O, de Heere Jesus is niemand genadig, tenzij hij aanschouwe de genade des Vaders. Meen niet, dat de heilige Heiland zoo lang in deze verpeste atmosfeer zou zijn gebleven, zoo Hij daarin niet den wil des Vaders had gezien, en niet geweten had, dat Deze alzoo zou verheerlijkt worden. Daarom wil Hij ook, dat men den Yader eere, dat allen den Zoon eeren, zooals zij den Yader eeren, en wederom, dat zij Dien eeren, Die Hem gezonden heeft. De liefde is in Christus, en gaat door Christus over op de verlorenen. Maar waar bljjft nu de voldoening? Waar God de zonde vergeeft, daar heeft Hij ook Zelf het middel bereid ter genoegdoening voor Zijnen Naam en Zijne Wet, die wij beide hadden geschonden. Liefde, vrije genade, eeuwige verkiezing in Christus gaan vooraf, en in deze eeuwige liefde heeft Hij Zijnen Zoon verkoren, opdat Deze van het verderf zou verlossen allen, die de Vader Hem gaf. Zoo is alles uit God. Waartoe ? Om heiligen te heiligen? rechtvaardigen te rechtvaardigen? misschien om gezonden bij hunne gezondheid te bewaren? Als ik het Evangelie opsla, dan moet ik in het ziekenhuis liggen; alleen daar is het Evangelie te gebruiken en anders nergens — „Uw geloof heeft u behouden." De Heere Jesus wil vertrouwen op God, op Zijne goedertierenheid, genade en ontferming op grond van hetgeen Hij, de Heere Jesus, heeft gedaan, en van het doel, waartoe Hij is gezonden Hij bedoelt niet zulk een geloof, waarbij men zeer bepaald zegt: „Mij zijn de zonden vergeven", en: „Ik word zalig", en: „God is mijn God". Voorzeker, het spreekt vanzelf, dat, wie vergeving van zonden heeft gevonden, wel weet, wat er met hem is gebeurd. Maar gij hebt heden gezondigd en gisteren, en gij zondigt morgen weder, gij blijft een mensch, een zondaar, en gij sterft als een zondaar, —
zie op Gods Vaderlijke ontferming, het was voorwaar bij Hem geene scherts! Zie op het woord des Heiligen Geestes: „Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen", zie op dit woord en zeg : „Mijn God, ik ben krank, ik beu melaatsch, ik ben verloren, ik lig in nood en dood", en als gij dat doet, dan gelooft gij. — „Maar dan weet ik niet, of ik gered, of ik behouden ben!" — Wacht een weinig, o ziel, en wees stille; alleen hoop op God, vertrouwen zij er op Hem, en het van verre staan, het roepen tot Hem, alleen dit vertrouwen: Hij kan helpen en zal helpen! Hij kan helpen opgrond van de aangebrachte gerechtigheid, Hij kan genadig zijn op grond van het bloed van Jesus Christus, op grond van Zijn Woord. Wat God zegt, doe dat, en gij zult ondervinden, dat gij gezond wordt Gij krijgt het echter niet vooraf in de hand. Gezond zijnde, alleen te gaan, is niet zoo gelukkig als, krank zijnde, met dezen Geneesmeester te gaan. Onder de handen te zijn van dien Geneesmeester, Die de ziel geneest, dat is goed. Gij gevoelt, dat ik meer den Heiland prijs dan de gezondheid. Gezond, volkomen gezond, dat zullen wij kranken eerst dan zijn, als men ons in het graf nederlegt, als de ziel van het lichaam gescheiden is, en wij Hem zien, zooals Hij is. Maar laat ons den Heiland loven, niettegenstaande wij krank ternederliggen.
Dat is de waarachtige dankbaarheid, die God wil. Niet omdat Hij zoo gaarne geprezen is, — och, dat kunnen de vogels beter dan wij. Maak u vroeg op en ga naar het bosch, en steek de hand in den boezem; honderd nooden en behoeften liggen u op het hart en maken u stom, maar de vogeltjes zingen ter eere van hunnen Schepper. De Heere is om onze dankbaarheid niet verlegen; Hij heeft alles zoo gemaakt, dat het Hem looft.
De millioenen engelen, zon en maan, wolken en water, hemel en aarde, alles looft Hem. Waarlijk, Hij is om onze dankbaarheid niet verlegen Daarom zegt de Heere Jesus tot den gereinigden melaatsche: Sta op, ga heen ! Hij zegt niet: Blijf liggen! en . . . . Neen, de Heere Jesus houdt niet van veel vertoon, het is genoeg, dat de gereinigde Hem erkent als zijnen Redder. En voortdurend moeten wij God alzoo danken en Hem prijzen, omdat wij weten, welk een Helper Hij is in den nood, en wel weten, dat wij steeds hulp noodig hebben. Moeten wij niet eiken dag water hebben ? maar als wij de bron vergeten, van waar krijgen wij dan water? God geeft alles om niet; Hij overlaadt allen met Zijne goedertierenheid en genade, Hij onderhoudt den een zoowel als den ander, en naar het uitwendige schenkt Hij eenerlei lot aan vromen en goddeloozen. laat over allen regenen en over allen Zijne zon schijnen. Maar dit alles is voor dit leven. Wie eeuwig gelukzalig wenscht te zijn. die hebbe God gevonden als zijn eenig en hoogste goed. Alleen God, de algenoegzamo God, kan de leemte in het hart aanvullen, Hij alleen geeft waarachtigen vrede in Christus. Maar daarbij is en blijft de mensch een ellendige. De mensch denkt niet zoozeer aan de toekomst, hij leeft meer voor het oogenblik, hij is daarin een kind, hij wil oogenblikkelijke bevrediging zijner behoeften, zijner begeerten, maar God niet alzoo. God weet, hoe lang gij zult leven, Hij kent uwen toekomstigen nood, den nood, die in het stervensuur eerst komt. Daar Hij dit alles weet, en een opgeruimd en vroolijk volk wil hebben, dat weet, waar het allen overvloed kan vinden, zoo wil Hij, dat wij Hem danken met ons gansche leven, Hem danken voor Zijne weldaden, dat is: Hem in gedachtenis houden, gelijk ook de Heere Jesus zeide: „Zoo dikwijls gij van dit brood eet en dezen drinkbeker drinkt, zoo verkondigt den dood des Heeren", en: „Doet dat tot Mijne gedachtenis '. (Luk. 22 : 19.) Vergeet Mij niet, Ik ben de eenige goede Vader en Heiland, denkt daaraan, ofschoon zonde, duivel en wereld u dit steeds uit de gedachtenis willen rukken. „Houdt in gedachtenis, dat Jeeus Christus uit do dooden is opgewekt, Welke is uit den zade Davids naar mijn Evangelie" (2 Tim. 2 : 8), naar de blijde boodschap, die ik u gebracht heb. Houd in gedachtenis, dat Hij van do dooden is opgestaan. Zoo wil God, dat wij Zijner steeds gedenken, want er komt voortdurend nieuwe nood, nieuwe zonde. Waar zal de mensch blijven ?
Gewis, heeft hij niet grondig zijne ellende en zjjne verlossing leeren kennen, dan is hij niet dankbaar. Als Hij, van de melaatschheid verlost, in offers en werken blijft hangen, dan wordt hij, als Jerusalem verwoest wordt, als slaaf verkocht of gedood. Maar nu wil God, dat wij Zijner gedachtig blijven en Hem danken, en daarom prijst de Heere Jesus het in dezen Samaritaan, dat hij Gode de eere gaf. Men geeft Gode de eere, als men zijne eigene schande aan het licht brengt; als men voor de menschen belijdt: Ik ben een mensch, en gij zijt menschen, wij vermogen niets, God is het alleen in Zijne ontferming. Wat hooge oogen heeft, vernedere zich onder God den Heere.
Wat vermag de mensch ? Een stofje in het oog, — en hij kan niet meer zien; een stofje in de hersenen, — en hij wordt krankzinnig. Er behoeft maar weinig te gebeuren, en zijn hart heeft opgehouden te kloppen. Gode de eere geven, dat is God danken, en daarom lezen wij zoo dikwijls in de Psalmen, bijv. Ps. 105 : 1 vv.: „Looft den II e e r e , roept Z i j n en Naam aan, maakt Z i j n e daden bekend onder de volken.
Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Z i j n e wonderen. Roemt u in den Naam Z i j n e r heiligheid; het hart dergenen, die den Heere zoeken, verblijde zich. Vraagt naar den H e e r e en Z i j n e sterkte". Waarnaar vraagt de mensch voortdurend? Ach, de Heere is voorwaar steeds de Laatste bij den mensch Eer loopt de mensch de gansche stad door, om hulp te vragen; van alle vleesch zal het komen. Maar naar den Heere heeft men te vragen, naar Zijne sterkte, niet naar hetgeen menschen vermogen of niet vermogen. Menschen kunnen helpen, als wij eerst naar Gods sterkte hebben gevraagd, en God hen dan tot onze hulp gesteld heeft. Wie naar Oods sterkte vraagt, die ondervindt, dat geen koning helpen kan, als God het niet wil — „Zoekt Zijn Aangezicht, d. i. Zijne genade, geduriglijk. Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan h e e f t"
Zijn arm is toch niet verkort, Hij kan nog helpen, en heeft Hij vroeger geholpen, zoo deed Hij het toch niet om onze vroomheid, maar enkel uit genade; Hij heeft het gedaan en zal het doen „Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijner wonderteekenen, en der oordeelen Zijns monds." De oordeelen Zijns monds, d. i. Zijn Woord, is het betrouwbaarste, want alle wonderen zijn in het Woord vervat. Wonderen kan men gezien hebben, doch die blijven niet, het Woord echter zal in gedachtenis blijven. Verder lezen wij Ps. 106 : 1 : „Looft den Heere, want Hij is goed, want Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid". Voorts wordt in Psalm 105 ook verhaald, hoe God Zijn volk heeft geholpen door Jozua en door Mozes; hoe Hij met het volk is geweest en het geleid heoft door de woestijn.
En dit heeft Hij gedaan, „opdat zij Zijne inzettingen onderhielden, en Zijne wetten bewaarden" (Vs. 45). Zie, gisteren hebt gij water gedronken uit de Fontein, daarom blijf bij deze Fontein des levens; alles zal voortgevloeid zijn uit de wonden van den Zone Gods. Dat zijn Zijne rechten, dat wij, als wij gedronken hebben, weder tot Hem zullen gaan, dat wij den Geneesmeester niet verlaten en ons afgeven met tooverij, maar bij Hem blijven en vertrouwen op Zijne macht en wijsheid, geloovende. dat Hij helpen kan en helpen zal. — „En Zijne wetten bewaarden", — dat heeft Hij eenmaal zoo bepaald, dat, als wij arm zijn, wij tot Hem gaan, want Hij heeft deze wet gegeven : Mijn arm volk zal Mijn erfdeel zijn; die zich niet kunnen reinigen, die wil Ik reinigen en heiligen. Dat zijn Zijne wetten Er moet nood en dood zijn, maar ook medicijn. De vruchten, de bladeren van den boom des levens zullen er zijn, die dienen tot genezing der Heidenen.
Zoo gaat het de gansche Schrift door, dat God van Zijn volk dankbaarheid wil hebben. Hij neemt het hoog op, als Hij niet gedankt wordt. Door de ondankbaarheid'is het, dat de zeven Gemeenten in Azië niet meer bestaan; dat men den schijn van waarheid kan hebben, maar dat de kracht verdwenen is. De Heere God geve u Zijne genade, de genade des Heiligen Geestes, opdat gij dit woord wel ter harte neemt en bewaart, opdat gij in nood en dood de toevlucht hebt genomen tot Hem Want waar Hij geprezen wordt in nood en dood met een: „Hij kan helpen, Hij is God en Heere!" daar kan het niet uitblijven, of er komt uitkomst op uitkomst.
20 September 1857.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

De reiniging der tien melaatschen. (Lukas 17 : 11 — 19.) (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken