Bekijk het origineel

De kruisiging, dood en begrafenis van onzen Heere Jesus Christus. (1ste Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De kruisiging, dood en begrafenis van onzen Heere Jesus Christus. (1ste Gedeelte.)

23 minuten leestijd

Zoo zegt de Heere: „Vreest niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israëls! Ik help u, spreekt de Heere, en uw Verlosser is do Heilige Israëls". Hij, Wiens Naam is Jesus, is de alleen Heilige, omdat Hij volkomen gedaan hoeft en doet den wil Zijns Vaders; en het is de wil Zijns Vaders, dat geeu van degenen, die de Vader Hem gegeven heeft, verloren ga, maar dat zij allen het eeuwige leven hebben; en opdat niemand hunner verloren zij gegaan, heeft Hij, de Koning, Die heerscht aan het kruis, aan het kruis alles volbracht, wat dient tot volkomene zaligheid van hetgeen verloren is. En nu Hij alles aan het kruis heeft volbracht, gaat Hij, Die gezegd heeft: „Waar twee of drie in Mijnen Naam vergaderd zijn, daar ben Ik in het midden van hen", — de verlorenen onvermoeid na mot Zijn Woord, met de verborgene werking en den troost van den Geest, Dien Ilij heeft verworven, en schenkt voortdurend den moeden kracht, en spreekt goede, troostrijke woorden voor de ooren der bedroefden, die vanwege hunne zonden niet weten, waar zij zullen blijven. Ja, van Zijne lippen stroomt voortdurend genade, vloeien liefelijke woorden voor de armen en ellendigen, om hun moed te geven, opdat zij, trots zonde, nood en dood, het den vijand niet gewonnen geven, maar zich blijven vastklemmen aan den sterken God Jakobs. En het behaagt den Yader van onzen Heere Jesus Christus, om den moedeloozen steeds nabij te zijn met liefelijke woorden van vertroosting en zaligheid. Daarom, — zoo heet het, — daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid; juist omdat deze Koning den armen en ellendigen zoo goed is.
In Zijne genade zoekt Ilij ons steeds op, en werkt in de Zijnen met Zijn genadig Woord, j a laat ons tot op dezen dag zulke woorden vernemen Dat doet Hij o. a., als Hij ons het lijden en sterven van onzen Zaligmaker laat prediken. Overwegen wij hier tot onzen troost eenige bijzonderheden aangaande de kruisiging van onzen dierbaren Heere en Heiland; wij wenschen in het kort met elkander na te gaan de zeven woorden, die de Heere aan het kruis heeft gesproken, daarna wat er onmiddellijk op Zijnen dood volgde, en eindelijk, hoe Hij van het kruis afgenomen en begraven werd. Vertoeven wij met opmerkzaamheid des harten op Golgotha, en geve de Heere, dat het alzoo op ODS hart werke. dat wij, bewust of onbewust, in het dagelijksch leven, in ons stervensuur op Golgotha vertoeven.
„En t o e n zij k w a m e n op de p l a a t s , g e n a a md H o o f d s c h e è l p l a a t s , k r u i s i g d e n zij H e m a l d a a r, e n de k w a a d d o e n e r s , d e n e e n e n t e r r e c h t e r - e n d en a n d e r e n ter l i n k e r z i j d e ' (Luk. 2 3 : 3 3 ) . De Heere hangt aan het kruis, een vloek voor ons, opdat wij, genomen van ons kruis, gezegenden des Yaders zouden zijn. — Handen en voeten zijn Hem doorboord, opdat wij de handen en voeten vlij zouden hebben, opdat wij ons vrij zouden kunnen bewegen op de wegen Zijns heils. — Aan den boom, aan het hout, aan het groene hout hadden wij genageld moeten worden, maar Hij heeft Zich aan het dorre hout willen laten nagelen zonder iets te hebben tot verkwikking, opdat wij zonder ophouden mochten eten van den Boom des levens, die staat in het Paradijs onzes Gods, en opdat zijne bladeren ons genezing zouden aanbrengen. Onze Heere op Golgotha, — en wij, die door Zijno genade Zijns geworden zijn, en degenen, die Hij nog toebrengen zal, in den hemel!
Als wij in smarten, nood, droefheid, lijden en dood ternederliggen, — wat is alles, wat wij ondervinden, wij, die verwaardigd worden met den Heere Zijnen drinkbeker te drinken, wat is het in vergelijking met Zijn lijden op Golgotha!? Daar hangt Hij tusschen twee moordenaren, Hij, Wiens eeuwige woning is tusschen de engelen! En nog, als Hij in ons midden is, waar bevindt Hij Zich dan? — Tusschen overtreders. De een gaat verloren, de ander wordt behouden; die behouden wordt, belijdt zijne eigene schuld, hij belijdt de onschuld van den Heere Jesus; hij begint te vreezen dien God, Die hem heeft gemaakt, en roept tot Hem: „Heere, Gij zijt Koning, Koning over zonde, duivel en dood, gedenk mijner!" Zeg, o ziel, die gelooft: Mijn Heere te midden der kwaaddoeners, — en ik met Hem te midden der engelen en in de Gemeente der eerstgeborenen en volmaakt rechtvaardigen.
„ T o e n z i j nu H e m g e k r u i s i g d h a d d e n , v e r d e e l - d e n zij Z i j n e k l e e d e r e n , het lot w e r p e n d e" (Matth. 27 : 35). Naakt en bloot, van Zijne kleederen beroofd, hangt Hij aan het kruis, en de vreeselijke koude wind der duisternis jaagt over Hem heen; ijzig koud was alles, wat Hem omringde, en bovendien bestormden de vreeselijkste aanvechtingen Zijne ziel. Gedenk daaraan, o menschenkind, die hoogmoedig zijt op uwe kleederen! Menschenkind, bedenk, dat het lichaam meer is dan de kleeding! Menschenkind, gedenk aan uwe zonden, aan uwe zonden van der jeugd aan, aan de zonden der onkuisehheid, de zonden tegen het zevende gebod: „Gij zult niet echtbreken!" — Ach, hoe naakt, hoe bloot ziet de mensch zich, als hij ter aarde geworpen is door den donder der W e t ! — wat is dan alle kleederpracht? hij gevoelt zich zoo naakt, zoo gansch en al ontbloot, en hij heeft geenen God, geenen genadigen God voor zijne ziel. — En Hij, Die alles kleedt, Hij wil van Zijne kleederen beroofd zijn, om ons te kleeden, goddeloozen en vromen, en wil er voor zorgen, dat het Zijn volk niet aan kleederen en schoenen in de woestijn ontbreekt.
En Hij kleedt ook alzoo, dat de geloovige, zoo naakt en bloot als hij is, op eenmaal bekleed wordt door Zjjne genade en raag zeggen: „Mijn Heere Jesus, naakt en bloot aan het kruis, en ik in een bruiloftskleed aan Zijnen disch!"
Alles wordt vervuld, wat God te voren gezegd heeft; alles heeft een einde, maar Gods gebod zal blijven; alles faalt, maar Zijn Woord bedriegt niet degenen, die zich daarop verlaten.
Treedt in de voetstappen der schapen, en de eeuwige God, Die niet moede of mat wordt, en Wiens wijsheid oneindig is, doet alles, alles komen, zooals Ilij het heeft gezegd, opdat de arme, die niets heeft, zich daaraan houde, zich verlate op Zijn Woord, en alles wordt vervuld, wat God door Zijne Profeten heeft gesproken.
„En P i l a t u s s c h r e e f ook e e n o p s c h r i f t , en z e t te d a t op h e t k r u i s ; en er w a s g e s c h r e v e n : J e s u s de N a z a r e n e r , de K o n i n g der J o d e n " (Joh. 19: 19).
Boven het kruis zien wij een opschrift, en uit het opschrift moet blijken, waarvan men IIem beschuldigt; en dit opschrift, trots wereld en hel zal het gehandhaafd blijven, — „wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven": Jesus de Nazarener, de Koning der Joden. -— Daarvan beschuldigt men Hem dus, dat Hij koning wil zijn. O, Hij voert slechts krijg tegen de vijanden onzer ziel, en als Hij tegen ons strijdt, dan is het een strijd der liefde, een strijd der eeuwige liefde. — „Ik rust niet, voor Ik u heb gedood, opdat gij alle eigen leven hebt verloren en gevonden hebt het eeuwige leven, dat Ik u in Mijn leven om niet schenk". — W i j kunnen den strijd niet aanbinden tegen onze vijanden, tegen de wereld, tegen den duivel en het beschuldigend geweten, dat ons kwelt, tegen onze boezemzonden, — in ons is geene kracht, hoegenaamd ; maar het opschrift boven het kruis — wat zegt het ons? Is het niet d i t : Hij wilde om onzentwille zijn een Nazarener, de allerverachtste? niet dit: Jesus aan het kruis, Jesus met Zijn bloed, met het volkomen losgeld, dat Hij betaalt, is alzóó Koning, dat wij, met alle vijanden onzer ziel in waarachtig, in vurig gebed worstelend, ons neerwerpen aan den voet van Zijn kruis, opdat Hij doode deze vijanden onzer ziel, die ons geene rust gunnen ? Van het kruis af heeft Hij daartoe de macht. — Steekt de slang Hem ook in de verzenen, — de kruispaal doorboort den vijand den harigen schedel en verplettert hem. — Welk opschrift verdienen wij ? Als het openbaar gemaakt zou worden, als de Wet, de eeuwige, heilige Wet gehandhaafd zou worden, op de wijze zooals men in hetdagelijksch leven het schuldregister eens boosdoeners opmaakt, als er nog iets op onzen grafsteen zou staan van hetgeen wij in het leven gedaan hebben, van hetgeen deze en gene doet en aan de hand houdt, terwijl hij het Evangelie hoort, — welk opschrift zouden wij dan verdienen? Gelukzalig hij, die voor Gods gericht verbleekt, en in waarheid schaamrood wordt. Gelukzalig hij, die het gehoord heeft en hoort, of zal hooren : „Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is"! Dan heeft Hij, Jesus, de Koning, ze bedekt met het opschrift boven Zijn kruis; dan is het de macht, de wondermacht Zijner vrije genade, dat Hij de zoude zoo heeft bedekt, dat zelfs het geweten des menschen, dat geen duivel ze meer kan vinden, maar wat vergeven is, dat is door God almachtig vergeven, dat is verzegeld met het bloed van Jesus Christus, dat is van het bezwaard geweten afgenomen. Mijn Heere aan het kruis, — zoo spreke een ieder die den 32sten Psalm heeft gevonden in zijne verlorenheid, — mijn Heere aan het kruis met het opschrift van hetgeen, waarvan men Hem beschuldigt; m i j n opschrift is, dat ik ben en geweest ben een rebel tegen Zijne genade, — maar het opschrift1, dat Hij mij schenkt, is eene gouden kroon, de kroon der gerechtigheid en heiligheid des Heeren!
En nu hooren wij, hoe men Hem bespot (Luk. 23: 35): — „ A n d e r e n heeft H i j v e r l o s t , d a t H i j n u Z i c h z e l v en v e r l o s s e , zoo H i j is de C h r i s t u s , de U i t v e r k o r e ne G o d s ! " En Matth. 27 : 43 lezen wij, dat men zeide: „ H ij h e e f t op G o d b e t r o u w d ; dat H i j Hem nu v e r l o s s e, i n d i e n H i j Hem wel w i l ! " — O, hoe kunnen alle duivelen op den lijdende losstormen met hunnen spot, met hunnen laster!
Het wordt God in den hemel geklaagd in den bangen, bangen nacht des lijdens. Men zou zoo gaarne van de zonde af en verlost zijn, en nog sterker worden de leden aan banden gelegd!
Men zou zoo gaarne heilig zijn, zoodat al wat aan den mensch is, Gode geheiligd zij en Hem, den Heere Jesus, leve, — rn ach, ach! het is alsof een doode geketend en gebonden werd aan den levenden mensch, zoo is de zonde gebonden aan <len mensch, juist aan dengene, die de zonde haat. Alle lasteringen stormen op hem aan. Heb de wereld verzaakt, heb in waarheid de goede keuze gedaan, en het zal u wel gaan, zooals het den Heere ging. Dan kan de mensch niets meer; ja geloof maar eens, zooals gij voorheen geloofdet! toon eens uw vertrouwen op God! Gij waart anders zoo vol heldenmoed en nu ligt gij zoo terneder! te voren kondt gij u overalles heenzetten, en nu valt gij over eenen stroohalm! Heeft God een welbehagen in u, zijt gij een kind Gods, dan — maar neen! gij zijt het niet! En pijnlijker en pijnlijker steekt de doorn in het vleesch, zwaarder en zwaarder vallen de vuistslagen des Satans op het neergebogen hoofd, en afgrijselijker en afgrijselijker wordt de duisternis, — dat heeft de Heere voor ons, aangevochtenen, zoo doorgemaakt. Lacht de duivel u uit in uwen angst en nood, — Hij, de Heere, heeft allen smaad en hoon uitgedronken en daarmee al ons ongeloof verzoend; en hoe meer nu de duivelen lasteren, des te meer spreekt Hij den Zijnen moed in, zoodat zij rijkelijk vertroost worden in hunne harten.
En gij, wereld, behoud uwe eer, in het einde wordt gij te schande met alle duivelen, maar hij, aan wien vervuld wordt de 22sten Psalm, zal Hem loven, eeuwig loven, met zijn zaad.
't Werd nacht voor Jesus, — ons verrijst de dag;
Die 't zonlicht schiep, wordt door geen licht beschenen.
Zóó lezen wij nml.: „En het was o m t r e n t de zesde ure, en er w e r d d u i s t e r n i s over de g e h e e l e a a r d e, t o t de n e g e n d e ure toe" (Luk. 23:44 en 45). In den beginne schiep God hemel en aarde, en duisternis was op den afgrond, en de Geest Gods zweefde op de wateren ; en aan het kruis schiep de Heere eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, en de duisternis lag op Hem, lag op ons met al hare macht.
Yan ons wilde Hij deze duisternis weggenomen weten, daarom neemt Hij, — opdat wij, die Israëlieten zijo, geene duisternis in onze woningen hebben (Ex. 10: 23), — daarom neemt Hij ze met al hare macht op Zich; en het eeuwige Woord heeft in de duisternis niets aan hetgeen Hij is, aan hetgeen Hij gedaan heeft en lijdt; Hij heeft er niets aan, dat Hij de Zone Gods is, Hij bevindt Zich midden in de hel, midden in den eeuwigen gloed van den toorn Gods, midden in de eeuwige verdoemenis. Weet gij niet, o mensch, wat het is, zonder God te zijn? Als gij onbekeerd zijt, dan weet gij daar niets van af, want dan hebt gij genoeg aan de wereld, aan uzelven, aan uw weinigje godsdienst. Maar als God Zich eens over u ontfermt, dan zult gij gevoelen, wat het is, verloren te zjjn. O, de verlorenheid! o, de verlorenheid! wie heeft hare diepten gepeild? afgrijselijk is zij, huiveringwekkend, — ontwaak, gij, die God en den Heere Jesus tot nog toe niet de eere gaaft, opdat gij niet eens in de eeuwige verdoemenis ontwaakt; opdat niet eens, als gjj op uw sterfbed vraagt: „Hoe laat is het?" het antwoord in uwe ziel dondert: „Het is te laat!" Dat toch de mensch bedenke, wat tot zijnen vrede dient en hoe God de zonde straft, hoe ernstig Hij het opneemt, zoodat Hij Zijn heilig Kind Jesus wierp in de vloeden van den eeuwigen toorn en de eeuwige verdoemenis, die ons moeten bedekken, indien niet de Heere Jesus Zich over ontfermt. Maar neemt Hij alje duisternis en hare macht op Zich, dan doet Hij dit als Borg en Plaatsbekleeder, en terwijl Hij dat als Borg doet, geeft Hij den Zijnen te juichen:
Nu weet ik, dat de macht der duisternis
Verslonden is. Moet ik in 't duister dwalen,
Van troost beroofd, alleen, door diepe dalen,
En zonder raad, toch blijft het mij gewis:
Eer stort de zon, voor eeuwig uitgedoofd,
In 's afgronds poel, om nooit meer licht te schenken,
Eer ik van Jesus' liefde zij beroofd,
Hij mij niet meer genadig zou gedenken.
Zoo donker, zoo duister kan het een kind Gods niet worden, dat zijn licht ooit geheel zou uitgaan, de gansche hel kan het niet uitdooven Er is licht genoeg te midden van de duisternis, als wij Jesus maar hebben. Gevoel ik Hem niet in het hart, dan !zal ik zoo lang blijven bidden, totdat de Zon der gerechtigheid in het hart opgaat! Hij heeft het beloofd, ja beloofd : Uw licht zal zQn als zeven zonnen! Mijn Heere drie uren in de duisternis der hel, — ik, Zijn verloste, eeuwig in het licht des hemels, in de gouden stad!
, J e s u s z e i d e : M i j d o r s t ! D a a r s t o n d d a n een vat vol e d i k s , en z i j v u l d e n eene spons met e d i k , en o m l e i d e n ze m e t h y z o p , en b r a c h t e n ze a a n Z i j n en m o n d " (Joh. 19 : 28 en 29). Met edik wilde men den Ileere laven, met vuilen edik, toen Hij klaagde in Zijnen grooten dorst.
Acli, Hij heeft sinds den vorigen avond niet eens eenen dronk waters gehad in al de bittere benauwdheid. Een kind Gods weet het, hij kan het slechts eene seconde uithouden in de verschrikking Gods, maar in den grooten nood van den Heere Jesus, die zoo lang duurde, is er geen druppeltje water voor Zijnen grooten dorst. En IIij wil Zich nog niet eens wreken aan de menBchen, die Hem al dat lijden veroorzaken, — „wat Ik verlos, dat verlos Ik, al slaat het Mij ook in het aangezicht; I k wil zien, wat sterker is: 's menschen verkeerdheid, of de liefde, de eeuwige liefde". Maar de menschen bespotten Hem: „ H o u d op, l a a t ons z i e n , o f E l i a s komt, om H e m te v e r l o s s e n " , — en toch, en toch, Hij neemt den vuilen edik! — Wij lezen van den rijken man, hoe gaarne hij in de hel ook maar een dropje water zou gehad hebben, doch het was er niet. (Luk. 16 : 24.) Indien wij den Heere niet hart en hand geven, zullen ook wij eens roepen om een dropje water, maar het zal er niet zijn. Geef Hem hand en hart, gij, die vanwege uwe zonden wordt aangevochten, en alle stroomen Zijner hemelsche gaven zijn er voor u ! Den dorst, dien wij eeuwig hadden moeten lijden, Hij heeft dien geleden aan het kruis.
Eenen droppsl water geeft de Heere u, stervende, in uwen doodsangst, in uwen doodsstrijd, — geef uwen Jesus daarvoor eenen kus; dezen droppel verdient Hij. — Mijn Heiland wordt aan het kruis met edik gedrenkt, — welaan, gij wereld, ik laat mij door u met edik drenken, ik zal u niets verwijten; maar eens komt er een dag, waarin het voor u openbaar zal worden, dat men den verlatene in zijne verlatenheid daarmee toch niet behoorde te drenken. Mijn Heiland, zoo zegge de door Hem gelaafde, wordt bespot en met edik gedrenkt, en ik, ik mag in mijn lijden en mijnen strijd mij verkwikken aan alle zoetigheden van het beloofde land. Wie nu dorst heeft, die zij gekomen en hebbe genomen de wateren des levens om niet!
Gaan wij nu over tot de woorden, die de Heere aan het kruis heeft gesproken.
„ V a d e r " , — dat is het eerste woord, dat wij van Hem vernemen, toen Hij onder veel foltering aan het kruiB was genageld, (oen men Hem, den alleen Goede, met de overtreders had gerekend. — „Yader, — alles komt toch van Uwe Vaderlijke hand, Gij zijt t o c h Vader en bljjft Vader, al laat Gij Mij nu ook zoo door de menschen onteeren, al laat Gij ook toe, dat Ik zoo met de overtreders word geteld. Geheel Mijn volk, de slechtsten der slechten, Ik zal hen reinigen met Mijn bloed. Overtreders zijn zij voor U, hunne misdaad neem Ik op Mij. Vader, I k weet, dat de menschen U, dat zij Mij niet kennen!" Ach, zoo is de mensch! De duivel is goed onder de heiligen, de duivel is goed in de stad Gods, in het heilig Jeruzalem, de duivel is goed en blijft goed onder de Christenheid, maar God, de waarachtige en levende God, Jesus. de waarachtige Jesus, was 9teeds, zal steeds zijn en moet steeds blijven — en al de Zijnen met Hem — : kwaaddoeners. Want wat weet gij, blinde wereld, van hetgeen goed en kwaad is? Datisbijukwaad.dat ik u den kuil wijs, waarin gij noodwendig moet vallen! dat heet bij u kwaad, dat ik uit liefde u met kracht weerhouden en u redden wil, opdat gij niet in den afgrond nederstort! maar dat moet goed heeten, dat gij gevleid wordt, dat u gezegd wordt: „De weg, welks einde de dood is, is de weg naar den hemel!" Doch de waarheid heeft lief, en omdat zij liefheeft, geeft zij in het stuk der waarheid niets, volstrekt niets toe; — want vandaag zien wij elkander, en morgen liggen wij in het graf, en overmorgen heet het: „Gij dooden, staat op, en komt ten oordeel!" Intusschen gaat de Heere voort in Zijne lankmoedigheid en leert de Zijnen, om, al worden zij ook met de kwaaddoeners gerekend, zich toch niet te wreken, niet te schelden, niet te dreigen, maar te gelooven: Vader, het komt alles van Uwe Vaderlijke hand, wat de menschen mij aandoen. — Gelukkig degene, die als kwaaddoener naast Christus aan het kruis wordt genageld en zegt: „Dat bad, dat bidt de Heere ook voor m i j ! " (Luk. 23 : 34.)
Een Man der weduwen is de Heere aan het kruis, en een Man der weduwen is de Heere van Zijn kruis; een Vader der weezen is Hij en een Verzorger der veriatenen aan Zijn kruis. Zijn heilig bloed is de toevlucht en als het ware de lusthof der weezen, Zijn heilig bloed is de bescherming en beschutting voor de eenzame en verlatene weduwen. Daarom, gij eenzame weduwe, die uw zielsoog gevestigd houdt op het troostwoord: „Uw Maker is uw Man", — gedenk aan de woorden: „ V r o u w, z i e , uw z o o n ! " En gij, wees, gjj knaap, gij zoon, gedenk, als uw lieve vader niet meer hierbeneden is, aan het woord: „ Z i e , uwe m o e d e r ! " (Joh. 19:26 en 27.)
Hij, die sterft, en van harte heeft geleerd in het verborgen met David te klagen en te roepen: „Zijt mij genadig, o God! naar Uwe goedertierenheid! Verlos mij van bloedschulden, o God! Gij God mijns heils!" (Ps. 51 : 3 en 16) — ach, hij kan zóó ellendig worden, dat hij zich gelukkig zou achten op dien dag, ook maar ééne levende gedachte aan den Heere in Zijn hart te ontvangen, doch er is er geene. „ H e e r e , g e d e nk m i j n e r ! " dat zij het gebed van iederen moordenaar aan het kruis; „Heere, gedenk mijner!" dat zij het gebed van iederen overspeler, die met zijn overspel en zijne onkuischheid anderen heeft vermoord en bloemen heeft afgeplukt, die in Gods hof zouden bloeien. „Heere, gedenk mijDer!" dat roepe hjj als moordenaar, wanneer wet en vloek hem aan het kruis hebben genageld. — „ H e d e n " , — dat is des Heeren Woord, en Zijn „heden" blijft „heden", — Jesus Christus is gisteren en heden Dezelfde, en in der eeuwigheid ! Hij aan het kruis, IIij van het kruis, en ik met Hem in het Paradijs ! (Luk. 23 : 42 en 43.)
„Ik zal u niet begeven. Ik zal u niet verlaten", — dat is des Heeren woord, aan u, die uwe toevlucht genomen hebt en neemt tot den Heere. Hoe komt het, dat het Abba er niet 'uit wil? vanwaar toch het „mijn", het „mijn God" ? Dat heeft Hij voor ons verworven, dat heeft Hij voor ons te voorschijn gebracht uit de diepte van de zee der verlorenheid; en daarom zegge ieder geloovige in zijne verlorenheid: „Mijn Heiland van God verlaten. — ik nooit van Hem verlaten! dat heeft Hjj mij gezworen en bevestigd in het zoutverbond '. (Matth. 27: 46.) „ H e t is v o l b r a c h t ! " (Joh. 19: 30.) David heerscht, als het heet: „Gedenk, Heere, aan David en aan al zijn lijden!" en David, na den raad Gods te hebben gediend, kon ook zeggen: „Het is volbracht!" — Welk eene blijdschap somtijds in het gezin, als men van het een of ander kan zeggen: Het is geslaagd! Welk eene blijdschap, als de moeder, den dood nabij, toch van het kind verlost is, en men in huis mag juichen: Het kind is er! uit den dood is het te voorschijn gekomen, de moeder leeft, het kind leeft! — dus: het is volbracht! — Betaling, eene eeuwig geldende betaling voor alle zonde en schuld is aangebracht, de dood is verslonden tot overwinning, — het is volbracht! Leg in dit „het is volbracht!" als de dood nadert, gerust het hoofd neder en beveel vrouw en kind aan Hem, Die u in het aanzijn riep, om Zijnen wil te doen, en door Wiens genade gij uwen loop hebt voleindigd. — In dit „het is volbracht!" van den Heere Jesus blijft het vast:
Er is niets meer uit te maken,
Niets, o mensch, rest hier te doen!
Hem beveel al uwe zaken,
Die uw zonde werd ten zoen;
Ja, laat vrij uw handen rusten,
Wil u in Zijn werk verlusten !
En daar komt, daar weerklinkt de stem, die de aarde doet beven: „ V a d e r , in Uwe h a n d e n b e v e e l I k M i j n en g e e s t ! " En het eeuwige Woord, het sterft niet vervuld van hemelschen troost; het eeuwige Woord, het sterft niet jubelend, — het grijpt het geschrevene Woord aan. De 31ste Psalm, die is het, die Hem voorkomt, en terwijl Hem deze Psalm voor den geest komt, legt Hij, Die niet sterven kon, roepende met eene groote stem het leven af voor de Zijnen, voor Zijne dooden, opdat Hij naar 's Yaders gebod voor Zijne dooden het leven weêr zou aannemen, en zoo verwerft Hij den Geest der genade en der gebeden, zoodat, hoe ook aangevochten, de aangevochtene toch getroost zal sterven met het woord: „Vader, in Uwe handen beveel ik mijnen geest; Gij hebt mij verlost, Heere, Gij God der waarheid !"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

De kruisiging, dood en begrafenis van onzen Heere Jesus Christus. (1ste Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken