Bekijk het origineel

Op het feest van Christus' opstanding uit de dooden. (Mattheüs 27 : 62—Hoofdstuk 28 : 3 en Lukas 24 : 13—31.) (1ste Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Op het feest van Christus' opstanding uit de dooden. (Mattheüs 27 : 62—Hoofdstuk 28 : 3 en Lukas 24 : 13—31.) (1ste Gedeelte.)

17 minuten leestijd

De omstandigheden, waaronder de Heere Jesus Zich op den dag der opstanding openbaarde, en hoe deze aan de vrouwen werd bekend gemaakt, zijn in het verhaal onzer Evangeliën eenigszins verstrooid. Wij willen echter zooveel mogelijk de geschiedenis van stap tot stap nagaan, niet tot bevrediging onzer nieuwsgierigheid, maar opdat deze omstandigheden ons eene bron van vermaning, vertroosting en versterking des harten mogen zijn, opdat de vrome leere nooit te versagen, maar met opgerichten hoofde zijnen Heere Jesus Christus te verwachten.
Des morgens zeer vroeg, toen de zon nog niet was opgegaan, haastten de vrouwen zich, om naar het graf te gaan, vele specerijen medebrengende, om het heilige lijk nog verder te zalven. Op weg zijnde, komt bij haar de gedachte op, wat zij toch moeten beginnen met den vervaarlijken steen, die op het graf lag. Van de wachters wisten zij niets af. Maria Magdalena is eigenlijk het ongelukkigst. Zij was door den Heere van zeven duivelen verlost; ik behoef u dus niet te zeggen, hoe nu de hel weer los was in de ziel van deze heilige vrouw.
Eene vrouw, die door zeven duivelen gedreven wordt, is waarlijk geene innemende, lieve, zachte vrouw, en het is eene ongelukkige vrouw, wier licht, nadat zij verlost is, toch nog weder uitgebluscht wordt! — Als de vrouwen nabij het graf komen, zien zij, dat de steen afgewenteld is. „Ach", denken zij, „nu is alles weg! wij hadden ten minste nog het heilig lijk willen behouden en balsemen, en nu hebben zij het gestolen!"
Wat is er dan geschied? De hoogepriester en zijne vrienden liggen op hunne legers, doch zij konden niet slapen; want de boosheid kan niet slapen Zij komen te zamen en houden raad, en gaan gezamenlijk naar Pilatus, om hem te vragen om wachters, ten einde het graf te bewaken; want, zeggen zij, het lijk van dezen Verleider is nu in de macht van Jozef van Ai imathea, die zelf een Zijner aanhangers is, en nu konden Zijne discipelen wel eens komen en dragen het lijk weg, en zeggen, dat Hij is opgestaan, en dan is alles weêr verloren, en, eerwaarde broeders, wij moeten tot eiken prijs de waarheid handhaven. Pilatus heeft geenen God, de Farizeën hebben geenen God, zij hebben slechts soldaten. Pilatus vond de zaak ergerlijk en weerzinwekkend, en hij dacht bij zichzelven: „Dat ziet er mooi uit met uwe vrees! gij zijt allen ellendige huichelaars!" Maar hij geeft hun de verlangde wachters en zegt: „ V e r z e k e r t h e t g r a f , g e l i j k g i j h e t v e r s t a a t !"
Nu is Jesus van Nazareth begraven, Hij is dus goed dood, en blijft in het graf, de steen er op, de wachters ervoor, — Hij komt nooit weder te voorschijn! Zoo juichte dan de hel en bestormde den hemel met hare rotsblokken, en wierp ze op het graf van den Heere Jesus —: „Hij komt nooit weder te voorschijn! Hij is dood!" zoo juicht de gansche hel. Maar plotseling staat Hij op en Zijne vijanden vluchten, en als was voor de zon, zoo versmelt de gansche hoop voor Hem, Die Zijnen Christus, Zijne Waarheid, niet in het graf laat. Al ligt zij ook onteerd en verworpen in eenen hoek, met spot en schande overladen door de geheele wereld, — als Gods tijd gekomen is, dan staat de gansche wereld als huichelaars, en te voorschijn komt de waarheid, en het volk, in welks hart de gebaande wegen zijn, erkent haar. — Plotseling geschiedde eene aardbeving, en een engel uit den hemel werpt den steen van het graf'als een licht plankje, en gaat er op zitten als op een zegeteeken, en zoo is de ontzaglijke steen een profeet des levens geworden. Gods volk is zeker van de overwinning over dood, graf en iederen vijand. — De wachters, anders dappere soldaten, werden als dood van den schrik. God de Heere verdrijft hen allen van het graf. Hier in dezen heiligen hof mogen geene honden meer zijn, opdat, als de heilige vrouwen komen, niets haar store. — Daar korat Maria Magdalena bij het graf. Zij heeft de aardbeving wrel waargenomen, maar zij weet niets van al hetgeen gebeurd was. Zij ziet den steen afgewenteld, en denkt: Zij hebbenden Heere weggenomen! Zij loopt, zoo hard zij kan, naar Petrus en Johannes, om het hun te vertellen en Petrus, en Johannes maken zich op en gaan naar den hof, om te zien, wat er geschied is. Johannes loopt vlugger dan Petrus, en komt het eerst bij het graf; hij kijkt er in en ziet geen lijk, maar wel de linnen doeken, heel netjes opgevouwen en bij elkaar gelegd.
Hij verlaat het graf weder en vertelt het aan Petrus; deze gaat in het graf en ziet niet alleen het lijnwaad liggen, maar ook den zweetdoek afzonderlijk opgerold op eene andere plaats.
En nu. wat besluiten zij hieruit? Ja, het is zooals Maria gezegd heeft, zij hebben den Heere weggenomen; er is niets aan te doen; wij moeten wachten tot ons nader opgehelderd zal worden, wat er van ouzen Rabbi is geworden; maar zoo veel is zeker, Hij is er niet meer! — Daar hebben wij nu de mannen met hun koel, koud verstand! Als huu met den moordenaar niet alle beenderen verbrijzeld zijn, dan weten en verstaan zij niets! Daar hebben wij nu Petrus en Johannes, — Petrus, die eens zeide: „Heere, tot wien zullen wij gaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens!" Hij is zijnen ganschen catechismus vergeten, hij is de gansche Schrift vergeten! Hij had het toch met de handen kunnen tasten, dat de Heere is opgestaan. En Johannes ook! Ach, wij arme menschen! varen wij met ons scheepje uit op de zee, dan kunnen wij goedacht geven op zeil, roer en kompas; maar o wee, als de storm losbreekt, dan zijn wij alles vergeten! Ach, wij arme menschen kunnen alles weten en aan alles denken, als het gaat, om anderen te vertroosten, maar gaat het om onszelven, dan rijst de vraag op: Is dat de Christus? is Hij er wel voor mij? is Hij voor mij opgestaan? — en vergeten zijn wij het Woord, wij kunnen het niet vasthouden. Petrus en Johannes, — wat zullen zij verder doen? Treurig en terneergeslagen staan zij daar. Geene schoonheid en heerlijkheid der natuur baat, als het in het hart nacht is.
De discipelen keeren terug naar Jeruzalem. Maria Magdalena is ook weggegaan. Daar komt de andere Maria en Salome tot het graf. Zij willen zien, of zij niet eenigen troost kunnen vinden in hare droefheid. Maar hoe wonderbaar ziet het er hier uit1. Welk eene rust! Alles ademt hier vrede. Wel vervult eerst angst en schrik het hart der vrouwen. Zij denken aan den steen, die op het graf ligt, en niemand van de mannen is er, om haar te helpen den steen af te wentelen En nu zij bij het graf komen —nieuwe schrik: de steen is weg! en zij denken: Ach, wij ongelukkigen, zij hebben den Heere weggenomen! Ach, juist als God nabij is met Zijne hulp, denken wij, aan onszelven overgelaten, slechts aan ondergang. Als Hij iets doet ter verheerlijking Zijns grooten Naams en Zijner eeuwige waarheid, dan buigt Hij ons diep terneder, zoodat wij denken, dat alles weg is. Maar de vrouwen zien daar eenen jongeling in het graf; zijn kleed is wit als sneeuw.
Wat moet dat beteekenen ? Het wordt haar benauwd en bang.
Maar, eilieve, hebt gij dan niet gelezen, dat een wit kleed geen teeken is van droefheid, maar van overwinning? Niettemin, het wordt haar benauwd en bang om het hart, want ach, bij deze heerlijkheid gedenken zij aan hare zonden, zij bedenken, dat zij de eeuwige verdoemenis verdiend hebben. Doch de jongeling zegt tot haar: „ Y r e e s t n i e t , zijt niet zoo bang! ik weet, Wien gij zoekt Gij z o e k t J e s u s d e n N a z a r e n er D i e g e k r u i s t w a s , niet waar? Ja, Hem zoekt gij, en gij denkt bij uzelven: Geef mij Jesus, of ik sterf! Hij is het leven mijner ziel! Gij zoekt den Nazarener, den Verachte, Wiens gij u niet schaamt, maar van Wien gij belijdt: „Gij zijt de Schoonste onder de menschenkinderen!" Maar, lieve zusters, H i j is n i e t h i e r ! " — „Niet?" — „Neen, H i j is opges t a a n ! k o m t , z i e t de p l a a t s , w a a r z i j H e m g e l e gd h a d d e n . Maar staat daar nu niet langer zoo, maar gaat spoedig heen, en zegt het Zijnen discipelen: „De Heere is opgestaan! En z i e t , H i j g a a t u voor n a a r G a l i l e a, d a a r z u l t g i j H e m z i e n . Z i e t , ik h e b h e t u l i e d en g e z e g d ! " De vrouwen spoeden zich terstond naar Jeruzalem; om het den discipelen te boodschappen. Menig woord zullen zij onderweg gewisseld hebben. Sommigen waren bezorgd en dachten: „Zou het niet beter zijn, dat wij eerst den Heere Zeiven opzochten? Dan kouden wij er beter getuigenis van afleggen, dat wij Hem gevonden hebben". Anderen waren vol blijdschap. En terwijl zij zoo heengingen, ontmoet haar de Heere Jesus en zegt tot haar: „ W e e s t g e g r o e t ! " Toen vielen zij verschrikt aan Zijne voeten neder en omklemden ze; maar Hij zeide tot haar: „ Y r e e s t n i e t , g a a t h e n e n, b o o d s c h a p t het M i j n e n b r o e d e r e n , dat z i j h e e n - g a a n n a a r G a l i l e a , en a l d a a r z u l l e n zij M i j z i e n". — Hoort gij, hoe de Heere Jesus diegenen noemt, die de Vader Hem gegeven heeft? Hij noemt hen broeders. Hoort gij, waar Hjj Zich wil vertoonen ? In Galilea, het land der arme zondaren!
Inmiddels komt Maria Magdalena weder in den hof terug, zij leunt tegen de rots en weent bitterlijk. In het graf zitten tweo mannen in blinkende kleederen, de een aan de plaats waar het hoofd, de ander aan de plaats, waar de voeten van Jesus hadden gelegen, alsof het Cherubim waren, die het ledige graf met hunne vleugelen moesten overschaduwen. Maar Maria Magdalena merkt hen niet op, zij blijft leunen tegen den rotswand en weent bitterlijk. „ V r o u w , w a t w e e n t g i j ? " zegt de eene engel. Zij ziet niet, dat het engelen zijn, zij vraagt er ook niet naar. Geen engel, geen hemel, geen glans kan haar verblijden; zij weet slechts van den Heere Jesus, en Die is hier niet! Zoo antwoordt zij dan: „Zij h e b b e n m i j n e n H e e r e w e g g e - n o m e n , en i k w e e t n i e t , w a a r zij H e m g e l e g d hebb e n ! " Zij blijft staan en weent met hare gansche ziel, —een eeuwig weenen in eenen korten tijd. Dat moet men kennen en ondervinden, om te weten, hoe diep de troosteloosheid kan gaan.
Men was verlost, men had alles geloofd, en de hemel was zoo blauw, heerlijke dingen zag men, en op eens is alles weêr weg en komt de duivel met alle macht op den mensch losstormen Daar staat Maria Magdalena dan en weent zich schier dood.
Gaat nu een oogenblik mede naar Jeruzalem. Daar kunt gij menig kamertje vinden, en hier ligt eene diep ongelukkige weduwe, en daar een paar verlatene weezen, ginds een, die neergebogen is door diepe smart, — en zij klagen: „Jesus is gekruisigd en gestorven! wat kan nu waar zijn ?" Ach, hoeveel onbekende zielen, hoeveel heiligen, — zeker meer dan vijftig, daar kunt gij zeker van zijn, anders ware de stad lang reeds tenonder gegaan, — zullen hier en daar in de stad verstrooid geweest zijn. En op eens hadden velen van hen eene verschijning, er verschenen hun in ware mensohelijke gedaante menschen, van de dooden opgestaan (Matth. 27 : 52 en 53), om dezen armen, diep ongelukkigen menschen troost in het hart te storten en hun te zeggen: Neen, beef niet! de dood is overwonnen! geen dood, geen leed, geen nood kan u meer houden! het bloed des Lams Gods is een almachtig bloed, uitdelgende alle zonden.
Op hetzelfde oogenblik komen de soldaten en kloppen aan het paleis des hoogepriesters aan, om hem te spreken Maar de vader der Kerk wil zich eerst niet laten storen in zijn morgengebed; hij dankt den God Israëls, dat de Verleider in het graf ligt, en dat weldra van de gansche sekte der Nazareners geen spoor meer zal te vinden zijn. Maar de soldaten laten zich niet afwijzen; zij moeten den hoogepriester spreken.
„Welnu, wat is er gebeurd ?" Sidderend en bevend als een blad staan zij daar voor Kajafas en de overigen, en verhalen, wat er in den nacht was geschied. De hoogepriester tracht het hun uit het hoofd te praten; — „gij hebt zeker te veel gedronken en zijt ingeslapen !" — „Neen, heilige vader", antwoorden zij, „wij hebben onzen plicht gedaan en hebben niet geslapen, wij waren goed wakker. Zooals wij gezegd hebben, zoo is het gebeurd". En de hoogepriester weder: „Nu, het is mogelijk, ik wil het aannemen, maar kijk, gij zijt wat bijgeloovig, wie weet, wat voor spook het geweest is; hebt gij soms spoken gezien?" — „Neen, spoken waren het niet; wij zagen duidelijk, hoe de steen afgewenteld werd, heel gemakkelijk, en hoe een engel uit den hemel, wiens gedaante was gelijk de bliksem, er op ging zitten." En nu, zich tot de andere priesters wendende, zegt de hoogepriester: „Ach, wat zullen wij nu beginnen, eerwaarde broeders, met deze koppige soldaten ? weet gij raad ?" En dan weêr tot de soldaten: „Het mag nu wezen, zooals het wil, gij kunt u toch vergist hebben; in elk geval mag het niet uitkomen. Zegt, dat gij geslapen hebt, en dat toen Zijne discipelen gekomen zijn en hebben Hem gestolen!
Wij zullen het dan wel met den stadhouder in orde brengen.
Want, ziet gij, de godsdienst is in gevaar; wilt gij nu niet helpen, den godsdienst te handhaven en het volk te redden ?
Denkt eens, welk een bloedbad het zou kunnen teweegbrengen!
Hier, heer secretaris, is de sleutel, doe de kist open en geef aan deze wakkere, dappere soldaten behoorlijk geld!" Dezen treden eerst een weinig terug — „Geld? zouden wij geld aannemen?"
Doch, als eerst de hoofdman gewonnen is, steken zij gaarne het geld in den zak, en vertellen werkelijk, dat zij geslapen hadden! O, schande! — Zoo redt zich de duivel, zoo redt zich de wereld altijd; zij bezitten in 'tgeheel geene waarheid, het moet alles met goud en zilver aan elkander gelijmd en bijeengehouden worden.
Laat ons nu naar het graf terugkeeren. Ach, daar staat de arme vrouw. Hoe wordt gij geholpen? Ja, hoe word ik geholpen in mijne droefheid en harteleed? Maria Magdalena, die in den hof niet bekend was, ziet eenen man en denkt: Dat is zeker de hovenier van Jozef, ik zal hem eens vragen; mogelijk heeft Jozef Hem laten wegbrengen. Daar zegt Hij Zelf tot haar: „ V r o u w ! wat w e e n t g i j ? w i e n z o e k t g i j ? " — „Zij hebben mijnen Heere weggenomen, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben! H e e r e , zoo g i j H e m w e g g e d r a g en h e b t , zeg m i j , w a a r g i j H e m g e l e g d h e b t , en ik z a l H e m w e g n e m e n ! " — „ M a r i a ! " — „ I l a b b o u n i ! " — En weg is de droefheid, en zij valt neder aan Zijne voeten—: „Hij leeft toch! mijn Goël en mijn Verlosser! Laat nu de zeven duivelen komen, Hij, de waarachtige Slangenvertrederr treedt ze onder den voet!" Deze echter zegt zeer vriendelijk tot haar: „Daartoe hebt gij nog genoeg den tijd, w a n t Ik b e n nog n i e t o p g e v a r e n tot M i j n e n V a d e r ; maar breng de blijde boodschap tot Mijne broeders", — want dat is de waarachtige broeder- en zusterliefde, dat men, zelf door God vertroost, ook anderen den troost mededeelt, opdat allen door de diepte der zee heen komen, door de geweldige duisternis.
Z e g t o t M i j n e b r o e d e r s : Ik v a r e op t o t M i j n e n. V a d e r en u w e n V a d e r , en t o t M i j n e n God en uwen. G o d . " — Weder is er eene ziel getroost, weder eene ziel gered van het verderf, weder heeft de waarheid overwonnen! weder is het bewezen, dat de Heere de tranen telt en op de diepste zuchten let. Maria Magdalena maakt zich spoedig op, en gaat tot den kring der discipelen. Daarop komt ook Johanna, de vrouw van Herodes' rentmeester, met andere discipelinnen des Heeren, bij het graf. (Luk. 24 : 1 vv..) Daar zien zij twee jongelingen zitten in witte kleederen, en deze jongelingen zeggen tot haar: „Wat z o e k t g i j d e n L e v e n d e b i j de d o o d e n? H i j is h i e r n i e t , m a a r H i j is o p g e s t a a n . G e d e n k t, h o e H i j tot u g e s p r o k e n h e e f t , t o e n H i j n o g in G a l i l e a w a s " . — Wat had Hij dan gezegd? „De Zoon de» menschen moet overgeleverd worden in de handen der zondige menschen"; — zoo ook: „De discipel is niet boven zijnen meester". Dus: dat Ilij overgeleverd zou worden in de handen der zondaren en gekruisigd worden, en dat de discipelen des Heeren, ja, wel deelachtig zouden worden Zijne heerlijkheid, maar eerst het lijden en den smaad van den Heere Jesus. En verder had de Heere gezegd: „En ten derden dage moet Hij wederopstaan-!" Dat hoorden Johannes en de overige vrouwen, hun smart is geweken en zij zeggen: „Het is waar ook!" En zoo zeggen ook wij : „Dat is waar ook! geen dood, geen graf kan mij houden, geen toorn kan mij in den afgrond slingeren! laat de geheele wereld komen met haren zwaren steen, en dien op het graf wentelen, — laat de duivel komen, om opnieuw mijne ziel te grijpen, die verlost is, — Jesus is opgestaan!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Op het feest van Christus' opstanding uit de dooden. (Mattheüs 27 : 62—Hoofdstuk 28 : 3 en Lukas 24 : 13—31.) (1ste Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken