Bekijk het origineel

Filippus en de kamerling. (Handelingen 8 : 35 — 40.) (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Filippus en de kamerling. (Handelingen 8 : 35 — 40.) (Slot.)

21 minuten leestijd

„ E n a l z o o z i j o v e r w e g r e i s d e n , k w a m e n z i j a an e e n z e k e r w a t e r ; en de k a m e r l i n g z e i d e : Z i e d a ar w a t e r ; wat v e r h i n d e r t mij g e d o o p t te w o r d e n ?" (Vs. 36). Laten wij hierop toch goed letten, dat God de Heere den mensch zoo wonderbaar aan Zijne hand leidt, en dat Hij lang te voren als het ware den weg heeft gebaand, zoodat alles, alles zoo is geschikt, dat het strekt tot eer van Zijnen hoogeu, heiligen Naam, tot onze vertroostingen tot versterking van ons geloof.
Het was een woeste weg, waarop Filippus en de kamerling zich bevonden, een weg, die liep door onbebouwde dalen en langs naakte hoogten, waarop ternauwernood iets wil groeien, afgewisseld door droge wadi's, waarin des winters wat water is. Van do bergen had men een gezicht op de Middellandsche Zee.
Het was dus een woeste weg, waar anders geen water was. Maar daar komen zij nu aan een water; dat deed God de Heere van de bergen en heuvelen samenvloeien. Waartoe? O, God heeft zoo vele redenen, waarom Hij het eene hier-, het andere daarheen laat brengen; maar vóór alles heeft Hij dit hier gedaan, opdat de kamerling in dit water zou gedoopt worden.
Maar hoe komt de kamerling zoo t.e zeggen eensklaps op den Doop? Ik zal het u zeggen Filippus had, zooals wij weten, den kamerling het Evangelie van Jesus verkondigd. Welnu, hij had hier te doen met eenen man, die wel is waar verduisterd van verstand was en eenen verkeerden wil had, maar toch wederom met eenen man met een helder verstand en goeden wil, en nu hij hem het Evangelie verkondigt, behaagde het Gods genade, om hem eensklaps te verlichten, zoodat zijn verstand een volkomen inzicht kreeg in de heilswaarheden, en zijn wil — hij had door zijne opvoeding eenen vorstelijken wil, — alzoo werd overgebogen, dat hij van nu aan openlijk belijdenis deed van den Naam Jesus en zich volstrekt niet meer stoorde aan de wereld en hare pracht, aan de koningin en hare hovelingen. Doch er moesten in de ziel van dezen man op eenmaal gewichtige vragen oprijzen, die Filippus alleen kon beantwoorden, door hem de eenvoudigheid van Christus, de eenvoudigheid van het geloof in Jesus voor te houden. Ik kan u daarvan wel het een en ander zeggen, als ik uwe opmerkzaamheid vestig op Romeinen 3; daar lezen wij Vers 22 en 23: „Want er is geen onderscheid", — hetzij zij Joden zijn, of Mooren, — „want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods". De kamerling zou gaarne een oprecht, waar, heilig lid van de Israëlietische Gemeente geweest zijn, maar hij meende, dat hij om zijne zondigheid toch wel buitengesloten zou zijn, dewijl hij in het geheel geene verdienste of waardigheid had. Nu predikte Filippus hem Jesus en maakte hem duidelijk, waarom Hij Jesus heette, namelijk omdat Hij Zijn volk zalig maakt van hunne zonden. En welk is Zijn volk? „Weest vroohjk, gij Heidenen met Zijn volk", en wederom: „Looft den Heere alle gij Heidenen, en prijst Hem, alle gij volken." (Deut. 32: 43 en Ps. 117:1. Vergel. Rom. 15:10 vv..) Hier geldt geene besnijdenis noch voorhuid, maar alleen het geloof, met alle verdienste is het gedaan; vraag niet, of er werk is, of niet, of gij rechtvaardig zijt, of onrechtvaardig, of gij iets hebt, of niet, — er is slechts één Naam, die voor God geldt: J e s u s . Zoo worden wij dan „om niet gerechtvaardigd", niet door eenig werk, maar „uit Zijne genade", en wel „door de verlossing, die in Christus Jesus is; Welken God voorgesteld heeft tot eene verzoening". Wilt gij de ware verzoening? zoek die niet meer in den tempel, maar daarboven, in den hemel! Gij vindt haar in den Heere Jesus Christus, tot Hem hebt gij te gaan.
„Door het geloof in Zijn bloed" hebben wij vrijen toegang, en als wij tot Hem komen, worden wij niet veroordeeld om onze zonden, en geene wet zal ons weerhouden; want het is Gods eeuwige wet, dat wij zondaars met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, al roept ook de gansche hel ons toe: „Blijf daar af met uwe handen! dat is niet voor u ! " De eeuwige wet van Gods wil is: tot deze verzoening henen! en als wij daar komen, worden wij vrijgesproken en rein verklaard van alle zonde, en ontvangen volkomene kwijtschelding, want de gerechtigheid, die voor IIem geldt, schenkt Hij; en zoo blijkt hieruit, dat er niet één rechtvaardig mensch op aarde is; God alleen is rechtvaardig, en Hij is rechtvaardig, als Hij zonde vergeeft; ja Hij blijft nochtans rechtvaardig : wij kunnen IIem niets brengen, maar Hij neemt de volkomene betaling aan, die Zijn lieve Zoon Hem brengt en zoo blijft Hij rechtvaardig, als Hij zonde vergeeft. En wilt gij nu ook voor God rechtvaardig zijn, zoo zie op deze verzoening, op het bloed van Jesus, en houd vol vertrouwen aan Hem vast; geloof, dat de Vader Hem u heeft gegeven tot eenen Verlosser en volkomen Zaligmaker, zoo zal de Heere God u voor rechtvaardig verklaren, als gij Hem houdt voor een eerlijk man en in uw hart gelooft, dat alleen Christus' bloed, en anders niets, u reinigt van alle zonde. Zoo i is niet het geloof het middel, waardoor gij rechtvaardig wordt, neen, het middel is de Heere Jesus Christus; maar God weet wel, dat de arme mensch liever ter helle vaart, dan dat hij in den hemel der genade wil; komt hij echter en roept hij, om genade te verkrijgen, den Naam van den Heere Jesus aan, dat behaagt God, en Hij wil dat vertrouwen beloonen en rekent de gerechtigheid, onschuld en heiligheid Christi toe aan het geloof. Dan is het met het roemen gedaan, en wel door deze wet dos geloofs; want als God wil, dat men gelooft, dan wil Hij geene werken; Hij wil niet een eenig werk in het stuk van de — reclitvaardigmaking. Zoo heft de wet des geloofs allen roem op. Zoo houden wij het dan nu voor vast en zeker en besluiten dus op grond van den geopenbaarden wil Gods, waarvan ook de Wet en de Profeten getuigenis geven, dat de mensch gerechtvaardigd wordt zonder de werken der wet, alleen door het geloof. — „Nu ja, dat kan voor een oogenblik geruststellen, doch waar blijft nu de zonde?" — „Die is u geschonken, zij is u uit genade vergeven!" — „Ja, maar ik zou zoo gaarne de zonde geheel en al afgelegd hebben, zoodat ik in 't geheel niet meer zondigde." — „Mensch, gij hebt, om voor God een goed geweten te hebben en rechtvaardig te zijn, u te houden voor en na aan deze vreemde, u toegerekende gerechtigheid. Laat het andere over aan God, aan Zijne genade, aan den Heiligen Geest." — „Ja maar". . . — „Kom mij duizendmaal tegen met uw „ja maar", hierbij blijft het: ik verkondig u J e s u s." — „Blijven wij dan op de zonde zitten ? ik kan immers niet gelooven, als ik den ouden mensch niet geheel en al heb afgelegd. Eerst het vuile, onreine goed in het water, anders wordt het niet schoon.
Vorder geene reinheid zonder zeep en water; de lange tijd van druk en kruis zal wel komen; en overigens, Zijn bloed doet het alleen!" — „Ja, is het waar? is het ook voor mij ? ik ben zoo arm, zoo ellendig, ik ken mij daarvoor zoo door en door, ik heb wel vergeving van zonden ontvangen, maar i morgen en overmorgen ? —
Ik ken voorwaar geen' bet'ren Heer,
Hij doet zoo graag, wat ik begeer;
Ik ken voorwaar geen' slechter knecht,
Niet ééne zaak maak ik Hem recht.
Ach, ik zal nog omkomen op den weg; de zonde houdt niet op; nu steekt zij hier het hoofd op, dan daar, en hoe ik het ook aanleg, en hoe ik ook tegenspartel, ik zie mij altijd opnieuw in mijne verlorenheid? Gij zegt mij wel van Christus, dat Hij mijne gerechtigheid en sterkte is, maar hoe staat het dan met de vernieuwing? Zoo gaarne zou ik het gelooven en -voor zeker en gewis houden, maar het wordt mij bestreden en i k zelf ben wederstrevig? Is er misschien een teeken en onderpand, waaraan ik weet, dat God mij, zoo verkeerd als ik ben, aan Zijne hand zal leiden, en dat, al is ook de gang slecht, het einde nochtans goed zal zijn?" 1) — „Ja, broeder, gij weet, dat God eerst, ten bewijze, dat Hjj den mensch, den zondaar, opneemt in het eeuwig Verbond der genade, de besnijdenis heeft ingesteld. Maar nu heeft de Heere Jesus ons bevolen : „Maakt tot discipelen alle volken, en doopt hen in <len Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes". I n dezen Doop nu hebt gij het onderpand en de verzekering, brief en zegel, dat gij in Jesus Christus gedoopt zijt, dat gij met Jesus Christus geheel en al vereenigd zijt, dat gij ééne plant met Hem geworden zijt in de gelijkmaking Zijns doods ; gij hebt een zichtbaar zichtbaar zegel en onderpand, door God u in genade gegeven, dat gij, hoewel gij klaagt: „Ik ellendig mensch! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" toch als oude mensch, als zondaar, voor God met Hem in Zijnen dood begraven zijt. Van uw sterven komt niets; wel zult gij dagelijks sterven, en zal uw oude mensch sterven, en verdrinken, maar alleen in het geloof aan het bloed van Jesus Christus. Daar hebt gij zegel en onderpand, dat gij niet alleen vergeving hebt van al uwe schuld, maar dat gij als oude mensch voor God begraven zijt, dat gij met Christus vereenigd en verbonden, met Hem in het graf gegaan zijt; en in het •opstijgen uit het water hebt gij bewijs, zegel en onderpand, dat gelijk Christus leeft tot heerlijkheid des Vaders, de kracht van Christus' opstanding ook in u zal werken, om niet naar uw welbehagen, maar naar het welbehagen Gods te wandelen in een nieuw leven. Juist gij, die van uzelven niets anders kunt getuigen, dan: Ik doe mijn leven lang geen ding goed! maar er naar tracht, om door Jesus' bloed gereinigd te zijn, — laat alles geheel aan Hem over; maar een zichtbaar bewijs, pand en zegel geeft God u bovendien, opdat gij twee dingen hebt: Zijn Woord en het Sacrament."
Dit woord behaagde den kamerling en maakte hem alles goed duidelijk. Menschen nu, die moeten regeeren, hebben ook oogen in het hoofd, om spoedig iets te zien, wat anderen niet zien, evenals menschen, die zeiven in nood hebben verkeerd, spoedig eens anders nood opmerken, als anderen niets zien. God opent den kamerling de oogen, en daar ziet hij tusschen de heuvels water. „Zie daar water! daar is immers water!" roept hij vol blijdschap uit, omdat hij dit zegel, dit pand en teeken van Gods genade ook kan ontvangen, — „wat verhindert mij, gedoopt te worden?" Ja, zegt Filippus, „ i n d i e n g i j van g a n s c h e r h a r t e g e l o o f t , zoo is het g e o o r l o o f d " . „Van ganscher harte", — wat is dat? Is dat zoo in allen deele gelooven, als wij ons dat van een volkomen geloof denken ? is dat een geloof, dat van geen wankelen meer weet en alle zwarigheden te boven is? O, de man dorstte naar genade, naar zekerheid, en daar gelooft men zoo gaarne, als men een oprecht mensch bij zich heeft, aan wiens woorden men niet twijfelen kan. Wat zal een mensch beginnen in den grooten nood zijner ziel? De bedelaar steekt gaarne de dorre hand des geloofs uit; en als hij ze niet kan uitsteken, roept hij: „Ik geloof, Heere! kom mijne ongeloovigheid te hulp!"
Want hij heeft gerechtigheid en heiligheid lief; hij houdt niet van onreinheid; hij zou gaarne van de zonde af zijn, maar hij moet voor God zuchten: „Ach, wanneer kom ik toch van deze ellende af! had ik toch zekerheid voor mijne arme ziel, dat God mij in genade aanziet!" Zoo dikwijls reeds sloeg hij op zijne borst en zuchtte: „Ach, wat ben ik toch een zondig schepsel!"
Daarom, nu hem zoo gepredikt wordt, niet, hoe hij zichzelven met zijne oogen kan zien, maar hoe hij er uitziet in de oogen Gods, nu moet hij op het zien van het water van blijdschap uit den wagen springen. — De Apostel beproeft hem, ja prikkelt hem nog met de woorden: „Indien gij van ganscher harte gelooft, zoo is het geoorloofd". De kamerling doet den wagen stilhouden, hij stoort zich niet aan zijn gevolg, de andere groote heeren en de slaven; hij vraagt er niet naar, wat anderen er van denken, maar antwoordt terstond blijmoedig: „Ik g e l o o f, dat J e s u s C h r i s t u s de Zoon van G o d i s " . Hij laat den wagen stilhouden, en beiden, Filippus en de kamerling, klimmen af in het water. Filippus gaat hem voor, om hem als het ware in het water te trekken; want voor dit water stond toch de duivel, en deze zou zoo gaarne den kamerling tegenhouden en hem twijfel in het hart werpen. Want ach, wij menschen, als wij niet door grooten nood worden gedreven, kunnen ons niet houden aan Woord en Sacrament; maar dan moeten wij wel. Dan gaat de mensch geheel en al met al zijne werken in den dood, zoodat hij daarmee eens voor al bankroet maakt en komt te wonen in het groote, algemeene armenhuis.
Nu zou ik toch niet gaarne hebben, dat, terwijl ik u dit zoo schilder, de gedachte in uw hart opkwam: „Ja, zulk eenen Doop zou ik ook wel willen!" Dat leert u de duivel. Dat ik Jesus heb, dat is de zaak. — „Ja, maar zulk een teeken en zegel?'' — Dat hebt gij! gij hebt het ontvangen in uwe jeugd! Weet gij het niet, zoo zend henen, dat men het in het Doopboek nasla, of het niet waar is. Geloof het van uwe ouders: gij hebt het ontvangen, dit teeken, dit zegel, dit bewijs. Dezen weg heeft de Heere Jesus met u gehouden, dat gij ingelijfd werd in de Gemeente, en van de kinderen der geloovigen werd onderscheiden. Als menschen uit de Heidenen zich bekeerden, dan moesten zij zich laten doopen, en wel met hunne kinderen.
Maar de Gemeente Gods staat op het fundament Christi Zijner Apostelen en Profeten, is gebouwd en leeft op Gods belofte en Verbond: Ik zal uw God zijn en de God uws zaads. Zoo verklaart Zich God als Vader van de gansche Gemeente, van de volwassenen zoowel als van hunne kinderen, als Hjj Zijn Verbond opricht met de geloovigen en hun zaad. De kinderen, die in de Gemeente geboren zijn, zijn derhalve op zichzelven erfgenamen van het Verbond der vaderen, zij behooren Christus toe, zijn leden der Gemeente, en moeten als zoodanig gedoopt worden. Wilt gij nu dit teeken, dat de Heere Jesus eens voor al, voor het gansche leven, heeft vastgesteld, nog eens ontvangen, dan is dat eene zware bezondiging en eene smadelijke overtreding tegenover den Geest der genade, het is niets anders dan een streven, om het in eigen hand en macht te hebben, ten einde het te kunnen bezien. Dan moet gij u echter niet maar eens per dag, maar zeventigmaal zevenmaal daags laten doopen.
De huid wordt voortdurend vuil of zwart, driemaal daags moet men zich wasschen, om lichamelijk rein te zijn; maar wat de ziel aangaat, wasch deze zeventigmaal zevenmaal, en zij is nog niet rein! Daarom moet het eeuwige bloed, de eeuwige Geest der genade over haar worden uitgestort. — Zoo zijt dan tevreden met hetgeen God u in uwe jeugd gaf, en bedenk wel, wat Hij u heeft gegeven, opdat uw Doop u moge brengen tot de belijdenis: Ik behoor niet mijzelven toe, maar den Vader, den Zoon, en den Heiligen Geest, en zoo gij dat geloof bezit, bid dan om den Geest der genade en ontferming, opdat God de Heere aan u bevestige de kracht van Christus' opstanding; om u eens voor al uit iederen dood en iedere zonde aan de hand Zijner genade en door de macht des Geestes op te richten, opdat gij niet in de zonde blijft liggen. En al ligt ook de zwaarste steen op de ziel, en al zitten daar ook honderd duivels op, nooit, nooit gewanhoopt aan Gods genade, aan de kracht van dezen Doop! geloofd op grond van het Woord, op het Fundament Jesus Christus, en waar zal worden de belofte: „Gij zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden".
Zoo had dan do kamerling teeken en zegel, dat begraven was in den. dood Christi zijn geheele oude mensch; hij had teeken en zegel, dat hij op zichzelven wel niet was veranderd, — hij had nog de oude zwarte huid, — doch dat hij voor God Btond als een nieuwe mensch; hij heeft de feestkleederen, de wisselkleederen van Jesus ontvangen, en heeft den priesterlijken hoed op. Is het nu zeker, dat Christus is opgestaan, dan kunnen dood, duivel en graf mij niet meer houden, want wat Hij is opgestaan, dat is Hij Gode opgestaan, en Hij heeft het voor mij gedaan; Hij leeft, en is mijn Voorspraak in den hemel; Hij geeft genadiglijk Zijnen Heiligen Geest, en Deze zal mij leeren en leiden, opdat ik dit ellendig leven, hoewel onrein, nochtans rein doorkoine.
„En toen zij uit het water w a r e n o p g e k o m e n, n am de Geest des H e e r e n P i l i p p u s weg" (Vs. 39). God de Heere bedient Zich van engelen, hetzij wij die zien, of niet, in zaken, die Zijne voorzienigheid betreffen; van menschen bedient Hij Zich echter in Zijne genade. Daar moet een arm mensch, een arm zondaar, die stof, aarde en asch is, die zelf op den grond ligt, aan eenen anderen armen mensch het Evangelie verkondigen van Jesus, den Medicijnmeester, Die alleen helpt, opdat vervuld worde het woord : „Geen inwoner zal zeggen : Ik ben ziek; want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van zonden hebben!"
De kamerling moet nu zijnen weg alleen reizen. Ach, de arme man! wat zal hij doen, als hij weder in Ethiopië komt?
Daar zorgt de Heilige Geest voor, Ilij weet de Zijnen wel te leiden Hij tuchtigt en troost hen, en blijft hun bij tot in eeuwigheid.
Filippus wordt dus weggenomen door den Geest, evenals wij dat ook lezen in de geschiedenis van den Profeet Elia. Daar zegt Obadja: „Het mocht geschieden, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest des Heeren u wegnam, ik weet niet waarheen, zoodat gij niet gevonden zoudt worden" (1 Kon. 18 : 12). Zoo nam de Geest des Heeren ook Filippus weg.
Toen zag de kamerling hem niet meer, maar wij lezen van hem : „Hij r e i s d e z i j n e n weg met b lij d s c h a p " . Zie, dat wedervaart allen menschen, die vol zoude en schuld zijn en niet weten, hoe zij rechtvaardig zijn voor God en in den hemel zullen komen en hoe zij in gerechtigheid en heiligheid zullen wandelen in dit leven. Daar komt dan het dierbare Evangelie en vertroost hen en God geeft hun ook een inzicht in het heilig Sacrament, en alles is vrucht des Geestes en des geloofs, zoodat men vroolijk wordt en goedsmoeds en in zijn hart denkt en zingt: Ook mij is barmhartigheid geschied! Hij was vervuld met vrede, en zoo ook met blijdschap over deze genade van de vergeving der zonden, alsook over het zegel, dat de Heere God hem in genade de volkomeue gerechtigheid van Christus toerekende, dat voor God zijn oude mensch begraven was, en hij als een geheel nieuw schepsel voor God stond, zoo oud als hij was.
Filippus werd weggenomen. Dat moeten wij ons nu niet zoo vooratellen, alsof er een wind kwam en hem wegblies, neen, maar zoodra de kamerling gedoopt en in den wagen gestegen was, komt over Filippus de Geest der blijdschap.
Blijdschap, waarover? Over hetgeen geschreven staat: „In Zijne vernedering is Zijn oordeel weggenomen". Dat was voor den armen zondaar een groote troost. Hij was op dezen weg gekomen met eenen zak vol groote steenen op denrug, zuchtende: „Wat baat het nu, dat ik het Evangelie heb verkondigd in Samaria! Daar komt nu de toovenaar en werpt alles overhoop, en nu moet ik op dezen woesten weg gaan! liever zou ik sterven ! liever zou ik handwerksman of wat ook zijn, dan prediker. Ach, was hier toch een arm mensch, dien ik kon vertroosten; maar het baat toch alles niets, zij gaan immers allen hunnen eigen weg ! " Nu wordt hij echter door deze geschiedenis zelf een arm zondaar en moet het ondervinden: „Waarlijk Hij heeft onze krankheden op Zich genomen". Hij ziet aan den zwarten man, dat God op eens eenen mensch blank kan maken. En hij, die zooeven nog zoo moedeloos en mat was, krijgt op eens kracht, om op te varen met vleugelen gelyk de arenden, en te loopen, sneller dan eene locomotief; — dat hebben wol meer predikers des Evangelies ondervonden.
En waarheen is hij geloopen? Naar Azote. „Maar F i l i p p us werd g e v o n d e n te A z o t e " , zoo lezen wij Vers 40, „en het l a n d d o o r g a a n d e , v e r k o n d i g d e h i j het Evang e l i e i ii a l l e s t e d e n , t o t d a t h i j te C e s a r e a k w a m ."
Hij werd gevonden te Azote Wie vond hem daar? De eeueof andere Christen hoorde hem daar prediken. Zoo is dan vervuld, wat wij lezen Psalm 87 : 4: „Ik zal Raliab en Babel vermelden onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistiju en de Tyriër met den Moor, deze is aldaar" — in Jorusalem, „de stad Gods",— „geboren", namelijk door de wedergeboorte. Filippus komt dus op dezen weg, vindt daar eenen Moor, deze hoort het Evangelie niet alleen, maar laat zich ook doopen, wordt een openlijk belijder des Evangelies onder zijn volk, predikt zelf aan het hof, en waar immer hij zich bevindt, en schaamt zich niet voor den Naam Je^us. Den Mooren wordt dus het Evangelie verkondigd en eenigen van hen worden wedergeboren, en de Filistijnen, de gruwelijkste menschen, de aartsvijanden van het volk Gods, zij komen ook. En de Heilige Geest gedacht aan Azote. Er was gezegd: Geen hoerenkind zal in de Gemeente Gods gebracht worden tot in het tiende geslacht. Lezen wij nu den vloek over Azote of Asdod, dien wjj opgeteekend vinden Amos 1 : 8 : „En Ik zal den inwoner uitroeien uit Asdod, en dien, die den schepter houdt, uit AsUelon". Zoo heeft God Zelf gesproken, maar de aarde heeft het bloed des kruises gedronken, niet ten vloek, maar tot zegen en heil; de goddelooste stad zal ook mede opgenomen worden in de genade, opdat aan liet licht kome de waarheid van het woord van den Apostel Paulus: „Mij, den voornaamsten der •zondaren, is barmhartigheid geschied; opdat Jesus Christus in mij al Zijne lankmoedigheid zou betoonen"; opdat alom de barmhartigheid Gods en de genade des Heeren Jesus Christus geprezen zou worden. De Heere gedenkt aan de profetie en de belofte, zooals wij die lezen Zach. 9 : 6 : „De bastaard", het hoerenkind, dat begenadigd is, „zal te Asdod wonen, en Ik zal den hoogmoed der Filistijnen" — het betrouwen op vleesch en op zijne wijdheid, — „uitroeien. En Ik zal zijn bloed uit zijnen mond wegdoen, en zijne verfoeiselen van tusschen zijne -tanden; alzoo zal hij ook onzen God overblijven".
Kinderkens, blijft bij Hem, hot is de laatste ure! Zijn Woord wordt bewaarheid; en Hij ontfermt Zich, Hij geeft Zijn Woord, geeft teeken en zegel. Vertrouwen wij enkel op Hem en Zijne genade, en wij zullen niet beschaamd uitkomen.
1 Augustus 1858.


1) Het beeld is ontleend aan het werk van den touwslager, die achterwaarts gaande vordert en nader bij het doel (de voltooiing van het werk) komt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 mei 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Filippus en de kamerling. (Handelingen 8 : 35 — 40.) (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 mei 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken