Bekijk het origineel

5. Karel de Groote. (1e Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

5. Karel de Groote. (1e Gedeelte.)

I. Uit de geschiedenis der eerste bewoners. (+- 150 J. v. Chr. - 922 n. Chr.)

6 minuten leestijd

Karel Martel, de Frankische hofmeier, stierf in 741. Hij werd opgevolgd door zijne twee zonen, waarvan de eene in 747 in een klooster ging, zoodat de andere, P e p i j n de K o r t e genaamd, de alleenheerschappij verkreeg. Van den koning hoorde men bijna in het geheel niet meer spreken : de hofmeier was rijksbestuurder met onbeperkte macht, de koning eene schaduw. Het verwondere ons daarom niet, dat Pepijn aan paus Zacharias de vraag voorlegde, of hij, die regeert, koning moet heeten, of een ander. De paus, die destijds door de Longobarden (eenen Germaanschen volksstam, die sedert 568 zich van het grootste deel van Boven- en Midden-Italië had meester gemaakt) werd benauwd en hulp zocht bij de Franken, antwoordde uit eigenbelang naar Pepijns wensoh. De laatste onttroonde nu zijnen gebieder, koning Childerik I I I , en stopte hem met kaalgeschoren kruin in een klooster; vervolgens liet hij zichzelven door Bonifacius tot koning zalven (752).
Met Pepijn den Korte ging dus de kroon over in een nieuw vorstenhuis, het K a r o l i n g i s c h e geheeten. De nieuwe koning betoonde zich, evenals zijn vader en zijn grootvader, een krachtig beschermer der Christenheid. Niet minder dan zijne voorgangers steunde ook hij het pauselijk gezag. Toon paus Stephanus II zijne hulp tegon de Longobarden inriep, toog hij naar Italië, en dwong de vijanden, om aan den paus een deel van hun gebied af te staan. 1)
De beroemdste der koningen uit het Karolingische huis is ongetwijfeld K a r e l de G r o o t e , naar wien dan ook het koningshuis genoemd is. In alle opzichten was hij een merkwaardig man, en menig koning draagt in de geschiedenis met minder recht den bijnaam „de Groote", dan hij.
Toen Karel in 768 bij den dood van zijnen vader, Pepijn den Korte, do regeering aanvaardde, moest hij die deelen met zijnen broeder Karloman. Deze overleed echter in 771, en nu zag Karel zich ook het bewind over Karlomans gebied opgedragen. Al spoedig bleek het, dat het Frankische Rijk in hem een krachtig en bekwaam vorst bad ontvangen. En dit was welzeer noodig, èn wegens do uitgestrektheid van het Rijk, èn wegens de zeer verschillende bostanddeelen, waaruit het bestond, ön wegens do aanvallen, waaraan het gedurig blootstond.
Eéne grootsche gedachte vooral bezielde den koning en om deze te verwezenlijken, ontzag hij moeite noch inspanning.
Het was de bevestiging van het Rijk door uitbreiding en bescherming van het Christendom. Het Christendom zou eenheid en samenbinding tusschen de ongelijksoortige hestanddeelen van zijn gebied brengen, en inderdaad, een ander doeltreffend middel daartoe was er niet! Door de invallen der Heidensche volken, die aan de grenzen van zijne landen woonden en het Christendom vijandig waren, zag hij zich genoodzaakt, herhaaldelijk het zwaard te trekken ter bescherming van zijne Christelijke onderdanen. En daar de Heidenen niet ophielden den vrede te verstoren, zoolang zij niet onderworpen waren, was er alle aanleiding om de grenzen van het Rijk voortdurend uit te zetten.
Zoo zien wij Karel dan een groot deel van zijn bedrijvig leven in het krijgsgewoel doorbrengen. En hier toonde hij een uitstekend krijgsman en onverschrokken held te zijn. Geheel zijn voorkomen wokto ontzag. Zijn forschgebouwd en krachtig lichaam, zijne gespierde vuist, die zoo vaak een reusachtig slagzwaard omklemde, en zijne fiere en hooge gestalte kenmerkten hem als eenen geduchten strijder, en aan het kloeke uiterlijk paarde hij vastberadenheid, onverflauwbaren moed en wijze bezonnenheid.
Toen Karel den troon besteeg was nog altjjd de tegenstand der Saksen tegen het Christendom niet gebroken. Onder hunnen hertog W i t t e k i n d vielen zij herhaaldelijk in het Rijksgebied en roofden en moorden er naar hartelust. Achttien keer moest de koning tegon hen te velde trekken, aleer zij voorgoed onderwerpen waren. Hij Wittekind sloten zich na de vlucht van Radboud II (zie bladz. 132) ook de heidensche Friezen aan, zoodat het zwaard der Franken wel zeer noodig was, om het arbeidsveld der Christenzendelingen voor verwoesting te bewaren.
In 772 begon de langdurige strijd tegen de Saksen, die meer dan 30 jaren aanhield. De aanleiding was, dat de Saksen de zendelingen, die de Franken tot hen hadden gezonden, vermoord hadden. De koning maakte zich op, om hen te tuchtigen. Bij den derden tocht beloofde het volk onderwerping en aanneming van het Christendom (777).
Na Karels vertrek braken de Saksen echter al spoedig hun woord en weigerden aan hunne verplichting, om in do leger» der Franken te dienen, te voldoen. Wat meer is: zij overvielen en vernietigden een Frankisch leger en vermoordden allo Franken, dio in hun land woonden. De koning was toen in Spanje, waar hij tegen de Mohammedanen streed, die in 711 van Afrika waren overgestoken. 1) Op het bericht van detrouweloozo vredebreuk der Saksen, snelde hij naar het Noorden en nam bloedige wraak: 4500 van do aanzienlijkste Saksen werd op éénen dag het hoofd voor do voeten gelegd (782)
Doch in plaats dat nu het volk voor den Frankischen koning bukte, stond het in 783 als één man tegen hem op en verweerde zich met den moed der wanhoop. De zege was echter voorgoed van hunno banieren geweken en hot eind van de zaak was, dat de ontmoedigde Wittekind de wapenen neerlegde on zich liet doopen.
Van deze gebeurtenis, die in 785 plaatsgreep, dagteekent de onderwerping der Friezen. De Saksen, verkleefd als zij waren aan den dienst hunner afgoden, waarvan zelfs na verscheiden» eeuwen nog sporen overig waren, gaven den strjjd ook nu nog niet op. Doch na eenigo worstelingen boden ook zij hunne onderwerping aan (804). Karel was echter zoo wijs, tot waarborg voor don vrede geheele scharen van het volk mot vrouwen en kinderen naar andere oorden van zijn Rijk te doen verhuizen.


1) Op deze wijze ontstond de Kerkelijke Staat, waarvan in 1870, toen de paus zijne wereldlijke macht verloor, de laatste overblijfselen bij het koninkrijk Italië worden ingelijfd.


1) Do opvolgers van den valschen profeet Mohammed (571 — 632), die in 615 te Mekka in Arabië optrad, verbreidden den Islam (de leer van Mohammed) tot verre buiten het vaderland van den profeet en stichtten met behulp van het zwaard een groot rijk, dat o. a. Syrië, Fenicië. Palestina, Egypte en de andere landen aan de Noordkust van Afrika omvatte.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 mei 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

5. Karel de Groote. (1e Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 mei 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken