Bekijk het origineel

De bekeeringsgeschiedenis van den Apostel Paulus. (Handelingen 9 : 1—22.) (10de Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De bekeeringsgeschiedenis van den Apostel Paulus. (Handelingen 9 : 1—22.) (10de Gedeelte.)

12 minuten leestijd

Nu komen wij aan „ e e n u i t v e r k o r e n vat", zooals Paulus hier genoemd wordt. De Hebreën en de Grieken hadden de gewoonte, ieder werktuig, waarmee men iets verricht,' een vat te noemen. In het Grieksch staat er echter niet „uitverkoren vat", maar „vat der uitverkiezing". Het heeft wel den schijn, alsof er „uitverkoren vat" en niet „vat der uitverkiezing" moet vertaald worden, maar „uitverkoren vat" of werktuig klinkt in onze ooren als: een voortreffelijk, uitmuntend, zeer bijzonder vat of werktuig, en zoo zou men dan den Apostel Paulus, ik bedoel zijn vleesch, schier tot eenen god verheffen.
De beteekenis, die het woord „vat" hier heeft, wordt ons duidelijk uit de vergelijking van andere Schriftuurplaatsen. De mensch, ieder mensch, is een vat in de hand Gods, in het huis Gods, en de Heere is de Pottenbakker. Deze voorstelling vinden wij o.a. Jer. 18 : 1 vv.: „Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den Heere, zeggende: Maak u op, en ga af in het huis des pottenbakkers, en aldaar zal Ik u Mijne woorden doen hooren. Zoo ging ik af in het huis des pottenbakkers; en ziet, hij maakte een werk op de schijven. En het vat, dat hij maakte, werd verdorven, als leem, in de hand des pottenbakkers; toen maakte hij daarvan weder een ander vat, gelijk als het recht was in de oogen des pottenbakkers te maken. Toen geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: Zal Ik ulieden niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker, o huis Israëls", — en u, o Christenen? — „spreekt de Heere: ziet, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzoo zijt gijlieden in Mijne hand, o huis Israëls!" — alzoo is ook elke Gemeente, alzoo ook de gansche Kerk, ook elke stad, ook het gansche land — in Zijne hand. „In een oogenblik zal Ik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal uitrukken, en afbreken, en verdoen; maar indien datzelve volk, over hetwelk Ik zulks gesproken heb, zich van zijne boosheid bekeert, zoo zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hetzelve gedacht te doen", enz.. Verder lezen wij Jes. 4 5 : 9 en 10: „Wee dien, die met zijnen Formeerder twist, gelijk eene potscherf met aarden potscherven! Zal ook het leem tot zijnen formeerder zeggen : Wat maakt gij ? Of zal uw werk zeggen ; Hij heeft geene handen ? Wee dien, die tot den vader zegt: Wat genereert gij? en tot de vrouw: Wat baart gij?" En Israël heeft dit ook zelf wel moeten bekennen; toen zij ten laatste zichzelven niet meer konden helpen met al hunne gerechtigheid, kwamen zij en beleden: „Doch nu, Heere! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze Pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk" (Jes. 64 : 8). — Dit hield ook de Apostel Paulus, de voortreffelijkste leeraar van de souvereiniteit Gods, vast, volgens Rom 9 : 20 vv.: „Maar toch, o mensch! wie zijt gij, die tegen God antwoordt? zal ook het maaksel tot dengene, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzoo gemaakt? Of heeft de pottenbakker geene macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken het eene een vat ter eere, en het andere ter oneere? En of God, willende Zijnen toorn bewijzen, en Zijne macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns tot het verderf toebereid; en opdat Hij zou bekend maken den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid ?" En in den tweeden Brief aan Timotheüs schrijft de Apostel Hoofdstuk 2 : 19 vv.: „Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dezen zegel: De Heere kent degenen, die Zijne zijn; en: Een iegelijk, die den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid. Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten; en sommige ter eere, maar sommige ter oneere", — zoo staan er sommige in het salon, sommige in de keuken. — „Indien dan iemand zichzelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter eere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid". Zoo zegt nu ook de Apostel van zichzelven in den tweeden Brief aan de Corinthiërs, Hoofdstuk 4 : 7 : „Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons".
De Apostel Paulus was dus een vat der uitverkiezing, door den Heere Jesus uitverkoren. Wij moeten hier niet denken aan een vat of werktuig, dat op zichzelf eene bijzondere geschiktheid had, neen, het is niet 's Heeren wijze van doen. om zulke werktuigen te verkiezen. Wij menschen gebruiken zulke werktuigen, waarmee wij iets kunnen tot stand brengen; het getuigt niet van veel verstand, als men slechte werktuigen gebruikt, werktuigen, waarmee men niets kan uitrichten; uitmuntend moeten zij zijn. De werktuigen echter, waarvan de Heere Jesus Zich bedient, zijn alle zoo, dat aller menschen verstand er bij stilstaat, en vraagt: Hoe is het mogelijk ?
Maar hierin toont de Heere Zijne wondermacht; Hij neemt altijd werktuigen, die het allerminst passen voor het werk, dat zij moeten verrichten. Willen wij eenen zwaren steen opbeuren, dan moeten wij een ijzeren werktuig hebben; maar de Heere Jesus doet het met een houtje of een riet, opdat de uitnemendheid der kracht uit God zij, en niet uit ons. Paulus deugde volstrekt niet voor het werk, waartoe de Heere hem had gezonden: alle menschen, waarvan de Heere Zich bedient, om Zijnen Naam te dragen, zijn menschen, die Hij wel voor iets anders zou kunnen gebruiken, maar niet voor het dragen van Zijnen Naam; daarvoor zijn zij ten eenemale ongeschikt! Nu is het echter de Majesteit Zijner genade, barmhartigheid en goedertierenheid, dat Hij, als Hij een vuur wil aansteken, daartoe eenen mensch neemt, die alle brandspuiten bijeen zou brengen, om te beletten, dat het vuur ontbrandt. Saul was een man, die den Heere Jesus eerst niet noodig had; hij was volgens zijne meening een rechtvaardig mensch, onberispelijk van gedrag; hij beijverde zich, om een goed geweten te hebben voor God en menschen; hij leefde en handelde voor het uiterlijk naar de geboden en inzettingen des Heeren. Zoo iemand, dan kon hij, naar zijne innerlijke overtuiging, zalig worden door zijne werken. Ik zeg , naar zijne innerlijke overtuiging en ook naar onze innerlijke overtuiging; want waarlijk, als een mensch geene werken heeft, gelooft hij niet, en als hij zonde heeft, is hij te lichtzinnig, om tot God te gaan, en met zijne zonden door te dringen, alzoo te gelooven. Gaat het dan niet wat redelijk goed voort in den dienst Gods, dan is de dood in den pot; of als er geen leven is, of als er zonden opkomen, dan denkt de mensch: Ja, zal de Heere Jesus ook mij vergeven ? is het ook voor mij ? — en met dit blok aan het been loopt de mensch dan rond, en breekt niet door. Alle gerechtigheid van Saulus, al zijne deugd, kracht en bekwaamheid heeft de Heere Jesus op eens en herhaaldelijk in het diepst der hel gestooten, zoodat hij niets meer had, dan dat hij wist: ik ben een arm dier. Saulus was een vat, om de Wet te dragen, de heilige Wet, maar de Heere slaat de Wet er uit, en zij is er weder in, en weder slaat de Heere haar er uit, maar zij is er toch weder in ; maar de Heere slaat haar er nogmaals u i t ; het zal Jesus zijn, en niets dan Jesus en alleen Jesus! En waarom ? — Maak bloemen na, al zijn zij nog zoo mooi, het zijn toch niet de bloemen, die God de Heere heeft laten groeien. Maak alles na, wat gij wilt, gij zult steeds de natuur slechts in de verte kunnen volgen! Verkiest de Heere, zoo verkiest Hij tot goede werken; deze heeft God te voren bereid, opdat wij daarin zullen wandelen, en Hij heeft ze bereid in Christus ; eigene werken komen dus niet meer in aanmerking, opdat het enkel en alleen genade zij en Christus de wijsheid. (Yergel. Ef. 2 : 10.) — Het vat en de Naam behooren dus werkelijk niet bij elkaar. Het was een schoon, een wonderschoon vat, en daarin een Naam, waar wereld en duivel den neus voor optrekken ! Daar moest toch iets anders in gedaan worden ! O, juist het kostelijkste ding, het uitnemendste, heerlijkste, het wordt geblameerd voor het oog der wereld. Dat is het uitverkoren vat van den Heere Jesus! Ik behoef dit niet breedvoerig uit te leggen. Waar toch vond de Apostel Paulus geloof ?
Bij de Romeinen ? — hoe spoedig vielen zij af! — Bij de Corinthiërs ? — ach, zoo velen van hen stikten ten laatste als de zwijnen in de zee hunner lichtzinnigheid en begeerlijkheden!
De Galaten en de andere Gemeenten, zij alle voor en na verlieten de vrijheid, waarmeê Christus haar had vrijgemaakt!
De Hebreën? — zij wilden niet de heiligmaking najagen, zonder welke niemand den Heere zien zal! En zelfs de andere Apostelen, de geliefde broeders, zij vertrouwen Paulus niet!
Het vat echter, het bleef staan; geen duivel heeft iets van hetgeen er in gegraveerd was, kunnen uitslaan of afbreken; onberispelijk leefde de man voor de menschen en was vol menschenmin, om allen tot den Heere te trekken; niets verkeerds, ook niet ter grootte van de punt eener naald was er in zijn gedrag en in zijne zeden aan te wijzen. En de man heeft geene werken, heeft geene vroomheid, hij werpt alles weg; één ding heeft hij slechts, slechts één ding, en dat is het schrikkelijkste: hij gevoelt, dat hij zulk een schoon vat is, en toch zulk eenen Naam moet dragen! Nu wilde hij wel de verzenen tegen de prikkels slaan, maar dan gevoelt hij weêr zijne zonde en stort ineen. Dat is de satans-engel, die hem met vuisten slaat (2 Cor. 12: 7.) Heilig te willen zijn en toch niet heilig te kunnen zijn, dat is het vreeselijkste voor eenen raensch; eene hel in zijn leven, voor wie het Terstaat! Altijd weêr opnieuw zondaar te moeten zijn, altijd weêr opnieuw in den drek geworpen te worden, dat is niet om uit te houden voor eenen mensch, die Gods Wet, gerechtigheid en heiligheid in eere houdt! Maar het zou Jesus blijven, en niets dan Jesus, en zoo kon hij zijnen ganschen wagen vol gerechtigheid en vroomheid in het water werpen, en alles schade en drek achten, zoodat hij arm en ellendig zijnen weg moest gaan. Dat is het werktuig van den Heere Jesus, Zijn uitverkoren vat; en niet alben Paulus, maar een ieder, dien de Heere Jesus verkiezen zal, om Zijnen Naam te dragen, doet dezelfde ondervinding op. Want dat is niet de rechte weg, dat men met de zonde kan spelen, en terwijl men er meê speelt, aan eene zeepbel, eene evangelische zeepbel wil vasthouden; maar dat is de rechte weg, dat men altijd en altijd weêr door den duivel in den afgrond wordt geworpen; men wil gaarne een rein kleed aanhebben, en telkens weder wordt men in het vuil gestooten; men wil heilig zijn, en kan het niet worden; men wil het toch, maar het is vergeefsche moeite! Dat is de rechte weg, dat Jesus Jesus blijft. — Dat is nu des Heeren Jesus uitverkiezing. Hij verkiest niet als een mensch, maar Hij verkiest goddelijk, naar de macht Zijner genade, opdat genade genade blijve, en de genade verheerlijkt worde, maar de mensch te gronde ga met al zijne heerlijkheid; opdat het woord waar blijve, dat zegt, dat de mensch met zijne heerlijkheid is als het gras en als eene bloem des velds; de heerlijkheid is verdwenen, de bloem is afgevallen, het gras verdord!
Maar zóó juist moest hij den Naam Jesus dragen.
Het woord, dat hier in het Grieksch staat voor „dragen" beteekent eigenlijk: eenen zwaren last opheffen of dragen Als in het Oosten een vorst eenen brief aan eenen anderen vorst te zenden heeft, wordt deze brief in een kistje gelegd, en om dit kistje komt weêr een ander grooter kistje, en dit weêr wordt in eene grootere kist gezet, en zoo nog eens en nog eens, zoodat het ten laatste eene zeer groote kist wordt, die sierljjk met parelmoer ingelegd en overigens fraai versierd is, — en toch hebben al die kisten eigenlijk geene waarde, maar is de brief de hoofdzaak. De kist wordt dan aan een riet of aan eene stang bevestigd, en een paar menschen nemen haar op de schouders en dragen haar naar de plaats der bestemming. Aan eenen zeer zwaren last moet hier dus gedacht worden; en inderdaad het is den armen Paulus ook dikwijls zwaar gevallen, , den Naam Jesus te dragen, zoodat hij vaak geneigd was om te klagen: Ach, eens zat ik aan de voeten van Gamaliël; ik werd onderwezen in de heilige Wet, in het Hebreeuwsch en Chaldeeuwsch; hoe gelukkig was ik toen! en nu zit ik hier aan den weg en moet steenen kloppen; indien ik niet het koninklijke merkteeken droeg, ik hield het bij dezen arbeid niet uit!
Zoo moest hij dan den Naam des Heeren Jesus dragen, dat is eigenlijk : hem verheffen, loven, prijzen; meer had hij niet te doen. Hij is de bode van den Heere Jesus, om de pakketten zijns Heeren op de post te brengen. Daar had hij geene geleerdheid voor noodig; hij had slechts indachtig te blijven, wat de Heere had gezegd: „ Daar hebt gij Mijnen Naam, breng dien naar de bestemde plaats. Maar was het nu niet ook een liefelijke last ? Ja voorzeker, want waar deze Naam komt, daar kan men loopen zonder vermoeid te worden, men wordt als een cherub; maar dikwijls ook worden de vleugels weer gekort en kan men niets meer, en er blijft niets over dan een arm dier, een arm zondaar en de Naam Jesus. Wie iets anders heeft, is te geleerd, te rijk, te machtig, hij deugt niet. Er moet een vat zijn, dat ledig is en niets bevat dan deu Naam Jesus ; ja een vat, dat niet eens eenen bodem heeft, want deze Naam is zoo zwaar, dat hij eiken bodem er uit drukt; doch de Naam houdt zichzelven vast, zoodat hij er toch in blijft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 augustus 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

De bekeeringsgeschiedenis van den Apostel Paulus. (Handelingen 9 : 1—22.) (10de Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 augustus 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken