Bekijk het origineel

Königsberg in Galicië. 1) (1ste Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Königsberg in Galicië. 1) (1ste Gedeelte.)

8 minuten leestijd

Des Zaterdagnamiddags reisde ik verder van Ranischau naar Königsberg. Het rijtuig behoorde aan eenen kolonist, Kleis genaamd. De zitplaats op den houten wagen bestond slechts uit samengepakt stroo met een paardendek er over. Dat zal een door en door ellendig zitten worden, dacht ik, maar daarin vergiste ik mij; het rijdt zelfs beter dan in eenen bekleeden wagen. Men weet daar het stroo stevig samen te pakken, terwijl het toch veerkrachtig genoeg blijft, om de stalen veêreu schier te vervangen. Dat was mij eene aangename ontdekking, toen wij van het zand op den hobbeligen weg kwamen. Twee paarden trokken den wagen, kleine dieren, het eene 5, het andere 8 jaar oud, door den eigenaar op 72 en 50 florijnen geschat; een veulen van eenige maanden liep er vroolijk naast.
Aan de „Kaiserstrasse" is men nog bezig; de handwerkslieden verdienen daarbij 25 kreuzer (!) per dag. Billijk genoeg zijn iutusschen de prijzen van hetgeen het land oplevert: een jong hoen brengt 15 kreuzer, eene gemeste gans 1 florijn op. Op mijn vragen vertelde Kleis mij, dat hij 13 broeders en zusters had gehad, waarvan 11 nog leven, en deze allen hebben eene bezitting van 70 juk (c.a. 35 Hectare) onder elkander verdeeld. Het deel, dat ieder afzonderlijk krijgt, is dus niet groot.
Wij komen in een schraal woud ; hier en daar aan den weg zijn opene plekken. „Hier hebben ook Duitschers gewoond", zegt Kleis, „vijf of zes boeren, die het land hebben verlaten, wonen nu in Russisch-Polen " Ik merkte op, dat het Duitsch der kolonisten vele eigenaardige afwijkingen heeft.
Het was kwart voor drieën, toen wij vertrokken ; de namiddagzon brandde fel, de lucht was zeer zwoel. Ik trok den rok uit en deed enkel den stofmantel aan; later ontdeed ik mij ook van dezen en zat in de hemdsmouwen „De Polen zien toch, dat het een heer is", zei Ivleis. En inderdaad groetten zij met eene aan eerbied grenzende beleefdheid. „Men houdt u toch voor eenen geestelijke, en wel, om uwen baard, voor eenen Griekschen geestelijke", voegde hij er aan toe. — Nu gaat het weèr langen, langen tijd door het woud, langs eenen breeden schaduwloozen, zandigen weg. Maar de paarden loopen toch in eenen draf, als het zand ten minste niet te diep is.
Van tijd tot tijd echter kruipt de wagen als het ware zonder gedruisch voort, en hoort men geen enkel geluid in het rond dan het malen der raderen in het zand, wat veel van het gonzen van eenen naderenden bijenzwerm heeft. Eene onbeschrijfelijke eentonigheid rust op het dennenwoud. Zij heeft echter ook hare bekoorlijkheid. Men wordt daarbij herinnerd aan de zwaarmoedige wijzen der Poolsche volksliederen, men denkt aan de treurige geschiedenis van dit land, dat zichzelf het j u k op den hals heeft gehaald. Daar zie ik op eenmaal een groot kruis van ruw hout aan den weg met het opschrift: „Men wordt verzocht eene verzuchting tot God en een Ave-Maria op te zenden voor de oprichters!" — De Ave-Maria's hebben het Poolsche volk niet veel geholpen; het ware beter geweest, zoo zij trouw gebleven waren aan de Hervorming! — Verder aan eenen kruisweg staat een verweerde wegwijzer met de woorden : „Naar Gurna". — Weer het woud in, uren lang door het woud. Hier eene ontzettende verwoesting, onder de pijnboomen aangericht door den stormwind; ginds een vriendelijker tafereel; eene weide met eiken en elzen omplant, eenige houten hutten, de mannen daarvoor gezeten in bespiegelende rust, met witte broek en hemd aan en de „magierka" op het hoofd: dat is eene in deze streek gebruikelijke muts van stijf bruin vilt, in den smaakvollen vorm van eenen kookpot zonder hengsel.
Eindelijk komen wij op eene uitgestrekte groene hoogvlakte en zien in de verte den toren van de kerk te Königsberg.
Hier is de weg vast gemaakt, doordien men er dwarsbalken of dwarshouten op aangebracht heeft, zooals men dat wel op steile voetpaden doet ; eene eigenaardige manier van wegen aan te leggen: de paarden strompelen, de wagen hotst, maar eindelijk is ook dat overwonnen, wij komen aan de eerste hutten en houden tegenover de kerk vóór de oude pastorie stil. Het was zes uur, wij hadden meer dan drie uren gereden.
Königsberg is eene kleine, arme kolonie met eenen weidschen naam! Van de vroegere welvaart is slechts weinig meer over. Het heeft ook lang genoeg aan de rechte leiding en zorg ontbroken. In 1783 werd de kerkelijke Gemeente gesticht, in 1801 pas kwam de eerste predikant. Spoedig daarna vertrok hij weder, en negen jaren lang bleef de plaats vacant wegens het kleine traktement. Men gaf de hoop op, ooit weêr eenen leeraar te krijgen, die gestudeerd had, en spoorde den toenmaligen onderwijzer Koenraad Leib, die niet eens de behoorlijke opleiding tot schoolmeester had genoten, — hij was metselaar van beroep, — aan, om zich voor te bereiden tot den geestelijken stand, en naar Weenen te gaan, om zich te laten examineeren en ordenen. Hij deed het, en het toenmalig Consistorie had een oog voor den nood, ja het gevaar van ontbinding der Gemeente, en Leib werd werkelijk predikant te Königsberg.
Zijne werkzaamheid echter is ook afgezien van zijne gebrekkige opleiding, niet onberispelijk geweest; hij moestin 1842 verwijderd worden. Eerst zeven jaren later kwam er een opvolger, een vijftigjarig candidaat, ook niet bijzonder bekwaam; in 1859 aanvaardde Ds. Schiller, die later senior werd, het ambt; van 1783 tot dien tijd was de Gemeente 35 jaren lang vacant geweest. De tegenwoordige predikant, Ds. Hajek van Nebuzel in Bohemen, is 31 jaar oud en staat sinds 1886 te Königsberg.
Hij woonde tijdens mijn bezoek nog in de oude pastorie, eene hut met stroo gedekt, gebouwd ten tijde van den predikant Leib.
Van uit den tuin gaat men het huis binnen en heeft dan aan de rechterhand naar de zijde der straat eene kamer, de „Kanzlei"r daarachter eene slaapkamer met twee bedden, links de keuken en daarachter eene smalle woon- en slaapkamer, terwijl er in het voorhuis nog eene kamer is ingebouwd. In dat huis woondede predikant met zijne echtgenoote en twee kinderen, zijne jongere zuster, eene dienstmeid voor het vee en een klein dienstmeisje. Ik sliep met den predikant in de kamer achter de „Kanzlei". De bekrompenheid is niet het ergste, want de bewoners zijn niet veeleischend, maar letterlijk alles aan het huis was bouwvallig, van den vermolmden vloer af tot het stroodak vol gaten. Door de reten der vensters blaast de wind en stuift de sneeuw, zoodat de dominee in den winter met zijn werk naar de kachel vlucht, om warm te worden; daar jaagt hem de storm door den slechten, wijden schoorsteen den rook in de kamer, zoodat hij de vensters moet openzetten, om niet te stikken. De keuken is niet klein, maar heeft eenen slechten haard, en eene behoorlijke provisiekamer ontbreekt, zoo ook een put. De vertrekken zijn alle zoo laag, dat men met de hand aan den zolder kan reiken. Op het erf staan eenige eenvoudige hutten ten dienste van het vee, voldoende om twee koeien te houden.
Ik trof mijnen collega aan het werk voor den Zondag en werd op het vriendelijkst verwelkomd. Hij kwam mij voor al» een oprecht en vroom man en een ijverig theoloog van veelzijdige ontwikkeling. Na het volbrengen zijner studie vertoefde hij als candidaat te Barmen-Elberfeld.
Ook zijne vrouw maakte eenen gunstigen indruk, 's Morgens en 's avonds vereenigde zich het geheele gezin in de huiselijke godsdienstoefening. De predikant en zijne echtgenoote zijn beide Czechen 1), maar zijn het Duitsch volkomen machtig.
De eerste zong mij onder begeleiding van het harmonium Czechische volksliederen voor. Ik heb bij hem echter niets gemerkt van het Czechische fanatisme; er bestaat eene bepaald gezonde verhouding tusschen hem en zijne Duitsche Gemeente.
„Van het begin af", schreef hij mij eens, „heb ik in dezen zin gearbeid, want ieder verstandig mensch moet inzien, dat de hier wonende Duitschers Duitschers moeten blijven, anders zouden zij zich spoedig oplossen in de dweepzieke Roomsche Polen."


1) Verscheidene malen reeds waren wij in de gelegenheid het een en ander aangaande de Gereformeerde Gemeente te Königsberg en haren leeraar onder de oogen onzer lezers te brengen. Waren het tot dusverre mededeelingen, die ons uit die plaats zelve werden toegezonden, het stuk dat wij hier opnemen, ontleenden wij aan een opstel van H. Jacobi in de „ Bate des Gustau-Adolf- Vereins aus Thüringen"Wij meenden den lezers van ons Blad geenen ondienst te doen, door ook aan deze beschrijving eene plaats in te ruimen. RED.


1) De naam der Slavische bewoners van Bohemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 augustus 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Königsberg in Galicië. 1) (1ste Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 augustus 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken