Bekijk het origineel

Overdenking van Psalm 103 : 1—5. (1ste Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Psalm 103 : 1—5. (1ste Gedeelte.)

14 minuten leestijd

„Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam; loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geene van Zijne weldaden; Die al uwe ongerechtigheid vergeeft, Die al uwe krankheden geneest; Die uw leven verlost van het verderf, Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden; Die uwen mond verzadigt met het goede, uwe jeugd vernieuwt als eens arends."

„Loof den H e e r e , m i j n e z i e l ! en al w a t b i n n e n in m i j i s , Z i j n e n h e i l i g e n N a a m !" Daartoe waren Adam en Eva geschapen en in het heerlijke paradijs gesteld: om God te loven en te prijzen. Om den goedertieren Heere te loven, daartoe had God hen goed en in Zijn beeld geschapen, daartoe begiftigde de Heere hen met alle weldaden en met eeuwige zaligheid in Zijne gemeenschap. En hoe zouden zij den Heere geloofd en geprezen hebben ? Wanneer zij vol aanbidding waren neergezonken voor dien grooten en heiligen God, Die uit vrijmachtig welbehagen hemel en aarde had geschapen tot Zijne eere en opdat de mensch het goed zou hebben, wanneer zij acht gegeven hadden op Zijne weldaden, wanneer zij van Hem alléén alle goeds hadden verwacht, wanneer zij daarom bij Hem waren gebleven en in Zijn Woord, en alle woord der slang hadden mistrouwd, dan hadden zij God geloofd en geprezen en waren ook bewaard gebleven in de zaligheid, die zij hadden. — Nü echter zijn wij zulke ellendige schepselen, dat wij geen hart, noch lust, noch verstand meer hebben om God te loven voor Zijne weldaden, — in handel en wandel, — in afkeerigheid van Zijn Woord en Zijne wegen toonen wij zulks en ontrooven Hem Zijne eere. Nu loven wij de werken onzer gedachten en onzer harten en prijzen de wereld met hare begeerlijkheden.
Maar God heeft Zich een volk geformeerd, waarvan Hij zegt: „Zij zullen Mijnen lof vertellen". Dat is Zijne duur gekochte Gemeente, die Hij aan Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft voor den arbeid Zijner ziel, voor den prijs Zijns bloeds.
God heeft haar gevonden, terwijl zij naar Hem niet vraagde en enkel oog en oor en hart had voor hare eigene werken en wegen. God heeft haar gegrepen en haar de ijdelheid dezer wereld ontdekt, God heeft haar den blinddoek van hare oogen genomen, zoodat zij begon te zien, in welk eene zonde en schuld zij nederlag, en hoe zij zich bevond in de macht des doods en der helle. Wel heeft zij de trekking der eeuwige Liefde weerstaan, wel verzweeg zij hare ongerechtigheden, maar hare beenderen verouderden en hare smart werd verzwaard, totdat zij moest bekennen: „Gij hebt mij getuchtigd en ik ben getuchtigd geworden; ik ben beschaamd, ja ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb". Eu daarna mocht zij het verstaan: „Welgelukzalig is de mensch, welken de Heere de ongerechtigheid niet toerekent en in wiens geest geen bedrog is. Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde". — Het is de wedstrijd der eeuwige Liefde geweest, haar van alle zelfgemaakte kleederen te berooven, opdat zij, arm en naakt, door God Zeiven bekleed zou worden met het reine kleed van Christus' gerechtigheid.
En nu blijft het de wedstrijd dier eeuwige Liefde met hare eigenwijsheid en eigengerechtigheid, met haar ongeloof en onverstand, om deze Gemeente te leiden naar de eeuwige stad daarboven, welker bouwmeester en kunstenaar God is. Het gaat langs wegen, waarbij haar verstand te kort schiet; allen kunnen hunne rechtvaardigheid vasthouden, alleen Gods Gemeente moet het hooren: „Gij hebt Mij arbeid gemaakt met uwe zonden, gij hebt Mij vermoeid met uwe ongerechtigheden".
Allen zijn sterk en kunnen vooruit, maar zij is zwak en moet ervaren, hoe zij stof is en asch. Allen roemen in hunne wegen en achten zich door voorspoed gezegend van God, — haar schijnt niets te willen gelukken, en zij moet smeeken: „Straf mij niet in Uwen toorn en kastijd mij niet in Uwe grimmigheid ".
En zoo leidt haar de Heere langs wegen, waarin zij hoe langer hoe meer hare verdorvenheid, hare zwakheid en onvermogen verstaat, waarin de Heere alleen blijft staan met Zijne eeuwige liefde, met Zijne gadelooze ontferming, met het eeuwige Koninkrijk Zijner macht. In al die wegen toont haar de Heere, dat Hij is de J e h o v a , Die voor Zijn arme zondaarsvolk is, wat Hij reeds van ouds beloofd heeft te zullen zijn, Die de beloften Zijns Yerbonds en Zijner genade vervult aan zulken, die gevoelen, hoe onwaardig zij het zijn, en Die het nochtans doet om Zijns grooten N a a m s wil, gelijk Hij ook Israël in de woestijn om Zijns Naams wil gespaard heeft, daar Hij het anders om hunne zonden had moeten verdelgen.
Als de Heere dan Zijne arme zondaars tot Zich trekt en leidt langs Zijne heilige wegen, waarin het gedaan is met hunne kracht en met hunnen naam en roem, en waarin Hij Zich wendt tot het gebed desgenen, die ganseh ontbloot is, dan legt de Geest het hun in het hart om uit te roepen: „Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam!" — Wat wil het dan zeggen, den Heere te loven en Zijnen heiligen Naam te prijzen? Het is aanbiddend neer te vallen, als een doode te zijn bij zulk eene heerlijkheid als de Naam des Heeren openbaart, het is zich stof eu asch te gevoelen voor het oog diens ontzaglijken Gods, Die evenwel op ons nederzag en ons met koorden der liefde tot Zich trok, Die ons naar onze ongerechtigheden niet vergold, maar ons wilde leiden aan' de hand Zijner genade. Den Heere te loven is: goed te spreken van den Heere, van Zijn heilig Woord en van de heilige wegen, die Hij met ons hield en houden moest en nog houden moet om onze verkeerdheid, en het is: den Naam des Heeren gezegend te noemen, ook waar Zijne hand zwaar op ons drukte of nog drukt. Den Naam des Heeren te loven is: vast te houden aan Zijne ontferming en algenoegzame macht en hoogste wijsheid, als ook de toekomst zich donker in laat zien. En het is: onder alles, voor- of tegenspoed, Hem te voet te vallen, Wiens gunst het hoogste goed is, waar wij voorspoedig zijn, Wiens gunst ook alle kruis verzoet; het is: in alles op Zijnen Naam te wijzen, als Wiens vrijmachtig welbehagen alleen de hoop en de toevlucht is voor ons, van wie Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn. Dat is den Heere te loven, en hier in onzen Psalm hooren wij, hoe David weet, dat hij met de gansche Gemeente Gods daartoe de genade des Heeren ervaart, opdat de werken des Satans verstoord, en de eigen naam verloochend, maar de Naam van onzen genadigen en getrouwen God geloofd en geprezen worde. En niet alleen, dat David dit weet, — de Heilige Geest, Die hem uit de volheid des Heeren genade voor en genade na toebrengt, leert hem, hoe waardig de Heere is, hoe waardig Zijn Naam, om te ontvangen lof en prijs, en dat, waar onze lof in zichzelven niets waardigs heeft, er niets overblijft voor Gods Gemeente, dan de eeuwige ontferming, het vrijmachtig welbehagen Gods, het heerlijk Koninkrijk van Gods genade te loven. Daarom ook, wijl David, hoe in den beginne wederhoorig en hoe gedurig wederstrevig, hoe ook door onverstand en ongeloof bestreden, in den Heere Jehova, in den trouwen en genadigen Verbondsgod, in Zijnen heiligen Naam, en in Zijne werken en leidingen alleen zijn behoud en zaligheid ziet, daarom begeert hij ook den Heere te loven; — al is het ook, dat zijn gebed menigmaal een gebed des verdrukten is, zooals het gebed in den voorgaanden 102den Psalm, zoodat hij betuigt: „Hij heeft mijne krachten op den weg terneder— gedrukt; mijne dagen heeft Hij verkort" (Ys 24), zoo heft hij toch het oog Zijner ziel op tot dien genadigen en getrouwen God, Die staande zal blijven, Die Dezelfde is en Wiens jaren niet geëindigd worden, en hij spreekt: „Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam!" — En waar nu de Geest des Heeren aan David dezen Psalm gaf, daar leert die Heilige Geest aan eenen iegelijk, die met genadegiften Gods is bedeeld, en, hoe zwak ook, nochtans alleen tot den genadigen en almachtigen Naam des Heeren zijne toevlucht nam, hoe ons de genade en hulpe Gods alléén daartoe worden bewezen, opdat de Naam des Heeren geloofd en geprezen worde in woord en werk, in ons gansche gedrag. Die Geest overtuigt eenen iegelijk der kinderen Gods, hoe waardig God de Heere zulk een lof is, al is onze lof onwaardig, en diezelfde Geest werkt het nog, dat, voor zooverre de Naam des Heeren ons verschenen is, wij ook begeeren den Heere te loven van ganscher harte en dezen lof ook in ons gedrag te bewijzen, als wij van Hem-alléén hulp, genade en ontferming verwachten in onze nooden en bezwaren, in onzen kommer vanwege onze zonden.
En waar ook deze begeerte door den Heiligen Geest leeft in het hart van Gods Gemeente, daar zingt de Heilige Geest ons evenwel dezen Psalm voor, om ons eenen prikkel te geven in onze traagheid. Want wij zijn zeer traag om God te prijzen en Zijnen Naam te loven en Zijnen lof in ons gedrag te verkondigen, door tot Hem de toevlucht nemen.
Dit getuigt zelfs David van zichzelven in deze woorden.
De Heilige Geest is een Geest van waarheid en maakt eenen iegelijk, die door Hem geleid wordt, oprecht om niet zichzelven te handhaven, maar den Naam en de eere des Heeren.
Daarom hebben wij dit getuigenis van den anders niet tragen David, waarin hij zichzelven, zijne ziel en al wat binnen in hem is, op het nadrukkelijkst opwekt om den Heere te loven.
Hij heeft het alzoo ervaren, dat, waar de Geest den lof des Heeren wil, de ziel en al wat binnen in hem was, niet medewilde. De Heilige Geest leerde het David wel. dat de Heere niet met den mond of met de lippen noch met eenige uitwendige vrome daad alleen wil geëerd en geloofd worden. De Heere heeft eenen afkeer van het eeren met de lippen en het verre houden des harten. De Heere ziet op het hart en wil alzoo geloofd en geprezen zijn, dat hart en ziel met geheel het uiterlijk gedrag vereenigd zijn, om den Naam des Heeren te loven en aan te hangen, want alle geveinsdheid is Hem een gruwel.
Terwijl echter de goddelooze met zulk een schijnbaar loven van den Naam Gods zijn gemoed wil bevredigen, zoo ligt het anders bij de Gemeente Gods, Die door den Heiligen Geest geregeerd wordt. David is er niet mede tevreden, als zijne ziel en wat binnen in hem is, niet medewillen om God te loven, en de Geest houdt het ons voor, opdat ook wij niet berusten in uitwendigen lof, noch in woorden, waar de kracht ontbreekt, opdat ook de Gemeente Gods, waar zij naar ziel en naar al wat binnen in haar is, slaapt of op de wereld, op haar schijngeluk of ijdelheden ziet, uit zulk eenen slaap zal opschrikken, opdat niemand ruste of vrede hebbe met de traagheid zijner ziel, terwijl bij eenen goeden dunk heeft van zijne godzaligheid, — opdat ook niemand zoo verslagen en verschrikt worde van de macht zijner doodvijanden, de wereld en den duivel en het eigen vleesch, verbonden met zoo menige tegenheid en moeilijken weg, dat hij gansch en al moedeloos wordt, alsof de Heere en Zijn Naam niets meer beteekenen. Als toch David zijne ziel en al wat binnen in hem is, nadrukkelijk opwekt tot den lof des Heeren, dan klaagt hij in zulke woorden: „Mijne ziel kleeft aan het stof". Dat is nu niet slechts, dat zijne ziel op de grove zonden der wereld uit is, maar vooral, dat het hem zoo zwaar, j a onmogelijk is, uit eigen kracht vast te houden aan de genade, aan de goedgunstigheid, aan macht en trouwe hulpe des Heeren. Zijne ziel kleeft aan het stof, wordt moedeloos vanwege de zonde, vanwege de bedruktheid en vanwege het zware kruis; hij is stof en asch en door en door aardsch; zijne ziel, al wat binnen in hem is, kan zich niet opheffen tot den Naam des Heeren, hij gevoelt zijn onvermogen met smart, hij is bedroefd, dat, hoe ook menigvuldige genade hem van den Naam des Heeren is toegekomen, nochtans zijne ziel door den zondeval zoo door en door van God is vervreemd, dat zij in den nood nog geen oogenblik aan den Naam des Heeren kan vasthouden, om op dezen Naam te hopen en dezen Naam te loven tegen zonde en duivel en tegen alle helsche en wereldsche machten.
En waar nu de goddelooze met uitwendige geveinsde dankbaarheid tevreden is, daar stelt David zich voor het Aangezicht Gods. Er zijn geene getuigen, die het kunnen ontdekken, hoe onverstandig, traag en ongeloovig zijne zie! is met al wat binnen in hem is, maar de Geest des Heeren doet het hem klagen aan God; door dien Geest beschuldigt hij zichzelven voor 's Heeren oog, en door dienzelfden Geest worstelt hij, dat het anders mocht worden en wekt met nadruk zijne ziel op, om den Heere te loven, met den hoogsten nadruk, als hij herhaalt: „ L o o f den H e e r e , m i j n e z i e l " , en daar nog bijvoegt: e n v e r g e e t g e e n e van Z i j n e w e l d a d e n ".
Waar nu David zichzelven moet aanklagen, beschuldigt de Heilige Geest ons daar niet in het verborgen wegens onze traagheid, onze liefde tot de wereld, ons onverstand en ongeloof? Letten ook wij er op, hoe het bij ons van binnen is!
Wil het hart wel mede, om af te zien van al het zichtbare, om den Onzienlijke eer en lof te geven? Ja, al heeft ook de Gemeente Gods bet een- of andermaal ervaren:
Ik mocht met mond en hart Hem loven,
Hem, Die alleen mij bij kon staan.
ach hoe spoedig is het voorbij en zijn de weldaden Gods vergeten, hoe spoedig bevangt de ijdelheid het zwakke hart, en in eiken nieuwen nood wil de ziel en al wat binnen in ons is, niet mede om God met Psalmen te loven ook in den nacht, om in de bedruktheid IIem te loven, en Zijnen Naam te heiligen, dat Hij goed is en alles tot Zijne eere en onze zaligheid zal uitvoeren en besturen. O, welzalig hij, die in zulke zwakheid geene rust of vrede vindt, die, waar hij ook den Naam des Heeren in zwakheid aanroept, zichzelven aanklaagt over de hardigheid zijns harten, gelijk de Heere don discipelen menigmaal vraagt: „Hebt gij nog uw verhard hart?" Dan zal men zich aanklagen, dat men den Heere vergeet met al Zjjne weldaden, ja dat men Hem in 't geheel niet aanroept, want wat is de lippentaal, waar de ziel en het binnenste in ons niet medewillen? O, het is de strijd, waarmede de Heilige Geest strijdt tegen ons gansch bedorven en steenen hart, het is de strijd, waarin de Geest de gansclie uitverkoren Gemeente Gods stelt, de strijd, dien de Geest weèr in het binnenste begint, als het ook eenen tijd lang als dood en verstorven lag, dat de oprechte zijne schandelijke vergeetachtigheid ziet en betreurt. Voorwaar, God blijft niet in gebreke, ons rijkelijk de stof te geven tot lof Zijns Naam; een iegelijk overdenke de weldaden, die de Heere uit vrijmachtig welbehagen en niet naar onze verdienste ons schonk. Docli welzalig wij, wanneer wij onze ondankbaarheid betreuren, en wanneer, als liefde tot de wereld of bedruktheid het hart bevangen hebben, de Geest ons in onszelven doet afdalen en ons nochtans tegen al de hardheid onzer ziel in ons doet uitroepen, al strijdende tegen hetgeen van binnen ons den mond wil sluiten: „Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel, en vergeet geene van Zijne weldaden!"
Wél ons, als wij de verborgen bestraffing des Geestes vernemen en verstaan, waar Hij ons zelfs David voorhoudt als strijdende tegen de traagheid en hardheid des harten; wél ons, als wij ons niet verontschuldigen, maar te meer arbeiden, om onszelven den heiligen Naam van den genadigen en getrouwen Jehova, om ons Zijne weldaden voor te houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 september 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Overdenking van Psalm 103 : 1—5. (1ste Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 september 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken