Bekijk het origineel

Het gebed en de gelofte van Jabez.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het gebed en de gelofte van Jabez.

(1 Kronieken 4 : 9 en 10.)

20 minuten leestijd

„Jabez nu was heerlijker dan zijne broeders; en zijne moeder had zijnen naam Jabez genoemd, zeggende : Want ik heb hem met smarten gebaard. Want Jabez riep den God Israëls aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijne landpale vermeerderen zult, en Uwe hand met mij zijn zal, en met het kwade alzoo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde".

De heilige algemeene Christelijke Kerk bestaat uit zoo en zooveel familiën, door God den Heere gesticht, waarin Zijn Woord heerschappij voert. De hoofden van deze familiën kennen en hebben allen lief de spreuk: „Per aspera ad astra": „Door lijden tot heerlijkheid". Zij kennen haar en hebben haar lief voor zich en de hunnen; zij kennen haar en hebben haar lief, omdat de ondervinding van allen, die op God vertrouwden, — hetzij hunne geschiedenis beschreven is in het Boek der boeken, of in 't geheel niet beschreven is, — deze spreuk bevestigt en daarom tot heerlijken troost en machtige versterking strekt in alle lijden en strijden. „Door lijden tot heerlijkheid", dat staat zoo vast als de ordeningen van hemel en aarde. In het eind behoudt de goede zaak de overhand, en al het volk, dat op zijnen God vertrouwt, zegt het den Profeet Habakuk niet tevergeefs na: „Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geene vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geene spijze voortbrengen; dat men de kudde uit den stal afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal; zoo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils". — Hoe dat? Omdat de Heere toch maken zal, dat de vijgeboom weer zal bloeien, en er weêr runderen in den stal zullen komen. „De Heere wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijne vrienden, en de Heere vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zooveel'' (Job 42 : 10). „Ook kwamen tot hem al zijne broeders en al zijne zusters en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat de Heere over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk gelds, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel" (Ys 11). Op dit voorhoofdaiersel schrijven wij den lste" Psalm, die zoo heerlijk, ook als de einduitkomst van alle Psalmen, op het Boek Job volgt, en dien wij ten slotte, hoe ook daarover aangevochten, als in allen deele waar leeren kennen, als wij den 37sten en 73sten Psalm en dergelijke hebben doorgemaakt.
God almachtig aangeroepen en ons aan Hem gehouden, zoo gaat het door Gods hand „door lijden tot heerlijkheid". Hij verhoort het gebed en geeft voor eene doornenkroon een gouden voorhoofdsiersel. Deze waarheid wensch ik u tot verheerlijking Gods, tot uwe bemoediging, vermaning, onderwijzing en vertroosting voor te houden, naar aanleiding van het familieverhaal, dat wij vinden 1 Kron. 4 : 9 en 10.
Door lijden tot heerlijkheid, — dat heeft Jabez ondervonden. En hij heeft dit op eene zeer bijzondere wijze ondervonden. Zijne moeder had geleden, — hij had de heerlijkheid er van. Zoo gaat het gewoonlijk in de geschiedenis van het Koninkrijk Gods. Christus heeft voor ons geleden, Hij, onze Koning,—wij hebben de heerlijkheid daarvan. In Zijnen dienst hebben zoovele godzalige mannen, oversten of hoofden van familiën, die uitverkoren waren, om het Koninkrijk Gods te bevorderen, geleden, en de volkeren of de kinderen hebben de vruchten daarvan genoten, als zij gingen in de wegen en voetstappen van het geloof hunner aanvoerders of voorvaderen, en, door hen onderwezen, hunne zaligheid zochten bij den God aller genade. En zoo behoeven wij niet lang te vragen, hoe Jabez aan de bede kwam, van welke wij hier lezen.
„ Z i j n e m o e d e r h a d z i j n e n n a a m J a b e z g e n o e m d, z e g g e n d e : W a n t i k h e b h e m m e t s m a r t e n g e b a a r d ."
Het was der moeder van Jabez dus niet alleen gegaan, zooals Rachel, dat zij het hard had in haar baren, maar zij schijnt ook in hare dracht veel benauwdheid nood en aanvechting te hebben ondervonden. In den naam, dien zij haren zoon gaf, ligt eeue woordspeling, zoodat hij niet alleen beteekent: „Hij heeft mij veel smart veroorzaakt", maar ook: „Hij heeft mij beschaamd ofte schande gemaakt". Dit had niet zoozeer betrekking op haar kind, als wel op God. Hieruit blijkt, dat zij gedurende hare dracht veel met God heeft geworsteld, zoowel om vermindering harer benauwdheid als om verzachting der smarten, die eene straf zijn voor haar geslacht naar het woord: „Met smart zult gij kinderen baren". Zij schijnt goede hoop gehad te hebben, dat God haar gebed zou verhooren. Maar het ging anders, dan zij van God had verwacht. Daarover is zij zeer zeker eene bekommerde vrouw geworden en gebleven, en zij heeft er naar gevorscht, waarom God haar gebed niet had verhoord, en zoo noemde zij haar kind „Jabez" in denzelfden zin, waarin Naomi zeide: „Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij groote bitterheid aangedaan". Zeker is zij deswegens ook eene bekommerde vrouw gebleven, totdat zij het einde zag van de wegen Gods met haar en haar kind; toen zal zij gezegd hebben, hetgeen alle aangevochtenen in het einde zeggen: „Hij heeft alles welgemaakt". En de bekommerden, vooral de bekommerde moeders, zijn doorgaans de beste leermeesteressen; terwijl zij vragen: „Waarom toch heeft God mijn gebed niet verhoord ?" maakt de Geest des Heeren haar tot levende getuigen van de verhooring des gebeds. Want het is de Geest des Heeren, Die haar tot getuigen maakt van de waarheid, almacht en trouwe Gods, zoodat zij bij al haar vragen en zoeken naar het „waarom?" anderen, inzonderheid hare kinderen en die haar lief zijn, aansporen en drijven, om hunne toevlucht te nemen tot God, tot het gebed des harten ; en zij worden door den Geest gedragen, om zoo te doen, tot zij door den Ileere verrast worden met Zijn „daarom" op haar „waarom?"
Zoo laat het zich dan op grond van de ondervinding, welke zij, die evenzoo gezind zijn, opdoeu, wel aannemen, dat zij hare bekommernis voor haar kind niet heeft verborgen gehouden, maar haren zoon daardoor te meer aanleiding gegeven en hem ook opgewekt heeft, om het bij God te zoeken, en alles van God te verwachten, zoodat het hem ging als Ruth, die na al het klagen harer schoonmoeder te meer versterkt werd in hare keuze: „Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God". Het schijnt echter, dat de nood der moeder bij hem eenen afkeer van nood, pijn en smart heeft gewekt, en uit de uitkomst is als zeker af te leiden, dat hij dit vertrouwen op God heeft verkregen, dat God hem op zijn smeeken, zonder de smart en pijn, die zijne moeder had gehad, zou uithelpen. Zoo is Jabez op dat gebed en die gelofte gekomen, die wij in deze Verzen vinden, en heeft de moeder in het geluk haars kinds gezien, en ia daardoor overvloedig gesterkt, dat God schijnbaar haar gebed niet had verhoord, maar dat dit was, om haar eene te heerlijker verhooring te schenken Zoo kwam de moeder door lijden tot heerlijkheid; zij had deze heerlijkheid in het door den God Israëls geschonken geluk haars kinds, hetgeen voor eene liefhebbende, godvreezende moeder meer is dan eigen geluk.
Beschouwen wij nu Jabez' gebed en gelofte. IIet gebed is om vierderlei dingen, en de gelofte is uitgesproken met het hart en niet met de lippen, zoodat hij van de vrije genade verwacht, hoe hjj dan jegens God zou zijn. Het gebed luidt: „ I n d i e n G i j mij r i j k e l i j k z e g e n e n , en m i j n e landp a l e v e r m e e r d e r e n z u l t , en Uwe hand met m ij z i j n zal, en met het k w a d e a l z o o m a a k t , d a t het m i j n i e t s m a r t e ! " — en hier zou hij gaarne laten volgen, wat hem echter waarschijnlijk in het gevoel zijner zwakheid niet van de lippen komt, maar toch het voornemen zijns harten is: „Zoo zult Gij mijn God zijn", d. i. zoo zal ik U mijn leven lang als mijnen waren en levenden God erkennen en belijden.
Zoo vaak hij zich door zijne moeder bij zijnen naam hoorde noemen, klonk hem de beteekenis van dezen naam in de ooren: Hij geeft smart, Hij veroorzaakt benauwdheid, Hij beschaamt, Hij stelt teleur, houdt geen woord. Dan dreef hem de liefde tot zijne moeder en tot de eere Gods, God te smeeken, dat zjjn naam toch het omgekeerde mocht wezen van hetgeen hij beteekendei en zoowel voor zijne moeder als voor zijn eigen hart en gevoel mocht zeggen: Hij geeft blijdschap, Hij weert alle smart, Hij beschaamt niet en laat niet te schande worden, Hij houdt woord en trouwe!
IIet schijnt bovendien, dat zijne broederen (welk woord wij hier in ruimeren zin hebben te verstaan van degenen, die hem meer of minder nauw verwant waren) zijne moeder en hem hebben miskend en aangevochten vanwege de waarheid en de genade Gods, die in hem en in zijne moeder was. Dit alles moet bij hem hebben meêgewerkt, om God des te vuriger te zoeken, en alles van Hem te verwachten, gelijk dengenen, die God vreezen, alle dingen moeten medewerken ten goede.
Nu was het veel, ja het zou schier te veel geweest zijn, wat hij van God begeert, indien het geloof te veel van God verwachten kon. Maar het zal wel waar blijven, dat God, Die Zijnen eigen Zoon niet heeft gespaard, ons ook met Hem alle dingen zal schenken, waarbij Hij het nu eenmaal van kruis tot kroon wil laten gaan.
Het eerste, wat hij van God vraagt, is Zijn zegen. Aan Godes zegen is 't a! gelegen. Jabez heeft hierbij gedacht aan den zegen Gods aan Abraham: „Voorwaar, zegenend zal Ik u zegenen".
Indien Gij mij zegenend, d. i. gewis en voor altijd en rijkelijk zult zegenen, — zoo was Jabez' bede. Hij bedoelde niet slechts den uitwendigen zegen, maar ook den zegen tegen den vloek, dien de door ons geschonden Wet over ons uitspreekt.
O. wie mag dan niet, als hij zich als vloekwaardig kent, om den zegen, d i. om genade, bidden, om zekere, blijvende genade? En wie genade in de oogen Gods, wie vergeving van zonden heeft gevonden, ziet al het uitwendige ook aan als weldaden der genade, dankt God daarvoor en bidt om Zijnen zegen. Jabez jaagde dus naar de godzaligheid, die de belofte heeft voor dit en het toekomende leven.
Jabez heeft het verstaan, dat waar God genadig is, Hij ook voor het uitwendige koninklijk uithelpt, door alles heen helpt, en er Zijn vermaak in heeft, den zegen en het leven te gebieden Zoo was dan zijne tweede bede: „Indien Gij mijne landpale vermeerderen zult". Hij bad God, om hem te doen, zooals Hij met Zijnen knecht Job had gedaan, hetgeen wij lezen Job 4 2 : 1 2 : „En de Heere zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste", — of zooals Hij had gedaan met Naomi en Ruth.
Deze bede was gegrond op eene algemeene belofte, die God aan Abraham en Israël had gegeven. Ook lezen wij Spr. 1 5 : 2 5 : „Het huis der hoovaardigen zal de Heere afrukken; maar de landpale der weduwe zal Hij vastzetten". Niet uit zucht om veel te hebben, die wij gierigheid of hebzucht noemen, bad Jabez dus om deze dingen, maar tot troost van zijne moeder en tot eer van dien God, Wiens welbehagen het is, dat het ook naar het uitwendige den Zijnen goed gaat voor Zijn Aangezicht.
De derde bede van Jabez was: „Indien Uwe hand met mij zijn zal". Wij hebben hier met uitingen van het hart te doen, zooals die nergens elders in de Schrift voorkomen. Onder Gods hand verstaat hij de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, die niet alleen alles voor de Zijnen bereidt, maar ook met de almacht Zijner genade en goedertierenheid in alles ingrijpt, en zoo alle kwaad afwendt en alles ten beste keert voor lichaam en ziel, voor huis en hof, voor vrouw en kind.
Als hij bidt, dat de hand Gods met hem mocht zijn, dan bidt hij voor zich hetzelfde, wat Paulus gelegd heeft in zijn woord: „Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?" en wat Ezra en Nehemia betuigen: de goede hand Gods was over ons.
De vierde bede was: „Indien Hij het met het kwade alzoo maakt, dat het mij niet smarte". Hij bevestigt hiermee, dat er een kwaad is, waaraan geen mensch, inzonderheid geen kind Gods, zich kan onttrekken; maar hij bidt, dat God het mag verzachten, opdat hij er niet zooveel smart van mocht ondervinden, en er niet door in zulk eenen zielenood mocht geraken, als zijne moeder, die door de smart was neergebogen. Hij bad dus om de genade, goedsmoeds te blijven, en zijnen God steeds te mogen loven, ook als het kwaad hem overkwam, zooals ook een Apostel schreef: „Wij hebben altijd goeden moed".
Yragen wij nu, of Jabez redenen had, om dit alles van God te smeeken of liever te eischen, dan moeten wjj deze vraag toestemmend beantwoorden ; want klinkt eenerzijds deze waarheid de gansche Schrift door, dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods, anderzijds vernemen wij het geheele Woord door deze roepstem: „Predik van de rechtvaardigen, dat zij het goed hebben". En heeft het den schijn, alsof Jabez alleen om vergankeljjk goed vroeg, hij deed toch evenals de patriarch Jakob, die te Bethel deze gelofte beloofde: „Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood, om te eten, en kleederen. om aan te trekken, en ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn, zoo zal de Heere mij tot eenen God zijn" (Gen. 2 8 : 20 en 21). God de Heere geeft den Zijnen ook voor het uitwendige of zichtbare beloften, die Hij naar Zijne wijsheid bij eenen iegelijk naar zijnen stand, raug, behoeften en omstandigheden zeer getrouw vervult. Zulke beloften vinden wij bijv.: Deut. 28; Jes. 65 : 18—24; Jer. 31 : 12; 33 : 11; Ps 1; 121 : 7; 128; 112 Op zulke beloften steunde Jabez en daarom smeekte hij de vervulling daarvan af voor zich en voorzeker ook voor zijne moeder, opdat beiden tot eere Gods mochten zeggen: Neen, niet Jabez, maar Nikbad mekól, d. i. geëerd door velen; niet Mara, maar Naomi, de Heere heeft alles welgemaakt.
Uit alles blijkt, dat het Jabez om Gods waarheid en eere ging. Ilij zocht niet het zichtbare om het zichtbare; want dan kan de halve wereld den mensch niet tevreden maken. Jabez echter werd tevreden gemaakt. Hij begeerde het zichtbare, om daaraan de waarheid te ondervinden van de beloften, die er toch ook voor dit leven zijn, en God te danken, te loven en te prijzen, zoodat hij verstond, wat onze Heere zegt: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid.
Dat hem barmhartigheid was geschied, dat hij geloofde aan het beloofde Zaad, aan Christus, en in dit geloof vergeving van zijne zonden had gevonden, ligt uitgedrukt in den Kaam, waarmee hij God aanriep: „ J a b e z r i e p d e n God I s r a ë ls a a n " , d. i. hij riep dien God aan, met Wien de aartsvader Jakob worstelde, tot Wien hij zeide: „Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent!" en Die hem den nieuwen naam Israël gaf, zooals wij Hos. 12 : 4 en 5 lezen: „In zijne kracht droeg hij zich vorstelijk tegen God; ja hij droeg zich vorstelijk tegen den Engel en overmocht hem". De God Israëls is dus de sterke God, Die het den armen menschen vergunt, met Hem te strijden, en Zich door hen laat overwinnen, als de God van volkomene zaligheid, de genadige Verbondsgod, Die Zich hij de Zijnen wil verheerlijken als de Algenoegzame, als de overvloedige Bron van alle heil, als een God, Die woord en trouwe houdt, zooals de Apostel Paulus betuigt Hebr. 6 : 17 en 18. En wil men de beteekenis weten van dezen Naam: „God Israëls", dan geeft het hun, die de zaligheid zoeken, ware vertroosting, de schriftuurplaatsen na te gaan, waar deze Naam voorkomt, o. a. de volgende: Ex 5: 1: „Alzoo zegt de Heere, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken!" Ruth 2 : 12: „Uw loon zij volkomen, van den Heere, den God Israëls, onder Wiens vleugelen gij gekomen zijt, oin toevlucht te nemen". Joz. 14 : 14: „Daarom werd Hebron Kaleb ten erfdeel tot op dezen dag: omdat hij volhard had, den Heere, den God Israëls, na te volgen '. 1 Kron. 16 : 34 en 36: „Looft den Heere, want Hij is goed, want Zijne goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
Geloofd zij de Heere, de God Israëls, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En al het volk zeide: Amen! en het loofde den Heere." De Naam komt in het Nieuwe Testament voor: Matth. 15 : 31 en Luk. 1 : 68. Dezelfde beteekenis heeft de Naam „God Jakobs", Ps. 84 : 9: „Heere, God der heirscharen! hoor mijn gebed; neem het ter ooren, o God van Jakob." Ps. 146 : 5 : „Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijne hulp heeft." En Hand. 7 : 46: „Dewelke voor God genade gevonden heeft, en begeerd heeft te vinden eene woonstede voor den God Jakobs". De heilige Apostelen noemen dezen God doorgaans den God (of: den God en Vader) onzes Heeren Jesus Christus, en met dezen Naam komen wij op de toepassing. Of is het alleen om Jabez geschreven: „God l i e t k o m e n , wat hij b e g e e r d e " ? Is het niet ook om ouzentwil geschreven, om ons te drijven tot het gebed, en om ons te leeren en te vertroosten, dat God het gebed verhoort?
„Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onzo leering te voren geschreven; opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden" (Rom. 1 5 : 4 ) . Wij vinden hier het antwoord op de vraag, of men om uiterlijke dingen mag bidden. Geef uwen God de eere, geef Hem hand en hart, zoek Zijn Aangezicht, opdat gij Hem vindt als uwen door Jesus Christus genadigen en verzoenden God en Vader, gelijk de Heere Jesus zegt: „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid", — en bidt dan, wat gij wilt, in den Naam van den Heere Jesus, en God zal doen komen, wat gij begeert, wat in verband staat met de eere Zijns Naams, met Zijne waarheid en met Zijne beloften, inzonderheid als gij lijdt om het getuigenis van Jesus Christus. Duurt het u te lang, — Izak bad twintig jaren om een kind, en hij ontving het ; Abraham leefde op hoop tegen hoop en hield aan. Schijnt het, alsof Hij u niet verhoort, Hij doet het altijd nog beter komen. En gaat het u als de moeder van Jabez, zoo zie met haar de verhooring uws gebeds in uwe kinderen. Dat wij niets vergeestelijken !
De 112de en 128ste Psalm zullen wel letterlijk naar ieders rang, stand en behoefte bewaarheid worden, als wij maar aebt geven op het eerste Vers: „Welgelukzalig is de man, die den Heere vreest, die grooten lust heeft in Zijne geboden, — die in Zijne wegen wandelt". — Voorzeker, „het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank", — geen opschik in de kleêren, geen weelde in huis en hof, — „maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap door den Heiligen Geest. Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehaaglijk, en aangenaam den mensehen" (Rom. 14 : 17 eu 18). Wie dat niet doet, die bekeere zich tot den Heere, zijnen God, want bij Hem is veel vergeving. Behoort men echter tot dit Koninkrijk, dan gebleven bij het Artikel van ons algemeen Christelijk geloof (met de uitlegging van onzen Catechismus) „Ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde!'' Dan vastgehouden aan de waarheid: God is onze Vader door Jesus Christus geworden, en Hij zal ons veel minder afslaan, hetgeen wij van Item met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardsche dingen ontzeggen; van Zijne almacht mogen wij alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten. Ja, dan gezien op nog zoo vele getuigenissen der Schrift: „De Heere zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen'' (Ps. 84). „Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de Heere" (Ps. 34). „Ziet, des Heeren oog is over degenen, die Hem vreezen, op degenen, die op Zijne goedertierenheid hopen; otn hunne ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger" (Ps. 33). En het woord onzes Heeren luidt: „En al deze dingen (uitwendige, lichamelijke, bedoelt Hij) zullen u toegeworpen worden". En wederom zegt Hij: „lk ben gekomen, opdat Mijne schapen het leven hebben en overvloed hebben' .
Ook leert Hij ons bidden: „Onze Vader, Die in de hemelen zjjt, — geef ons heden ons dagelijksch brood''. En als wjj bij Zijnen Naam, Evangelie en getuigenis volharden, en daardoor in verdrukking komen, zoodat wij daarbij zelfs ons erfgoed verliezen, en wat niet al, zoo zal Hij, Die Zijne waarheid getrouwelijk bevestigt in den hemel, Zijne belofte wel waarmaken, en laten komen, wat wij bidden, ja laten komen boven bidden en denken; en Hij liet komen, wat Hij gezegd heeft: „Er is niemand", — letten wij op dit niemand, — er is niemand, „die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en des Evangelies wil, of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen t i j d " (Mark. 10 : 29).
Een ware troost bevat derhalve deze geschiedenis voor allen, die in nood zijn, die op Gods waarheid en beloften hopen, een ware troost voor godvreezende huisvaders en hoofden van gezinnen; een ware troost voor jonggehuwden; een heerlijke troost voor een jong bruidspaar, dat den Heere vreest en in Zijne wegen wandelt: het ziet, hoe onze Heere Jesus Christus nog den echtelijken staat eert met Zijne tegenwoordigheid, geschenk en wonderteeken; het komt telkens weder en betuigt: „Ik riep den God Israëls aan, en God liet komen, wat ik begeerde!''

14 April 1861. H. F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 oktober 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Het gebed en de gelofte van Jabez.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 oktober 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken