Bekijk het origineel

14. De Hoekscke en Kabeljauwsche twisten.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

14. De Hoekscke en Kabeljauwsche twisten.

II. Uit de geschiedenis van de regeering der hertogen, graven en bisschoppen. (922—1581).

9 minuten leestijd

De kleinzoon van Jan II, Willem IV, was de laatste graaf ruit het Henegouwsche huis. In 1345 sneuvelde hij bij Stavoren tegen de Friezen. Hij liet geenen zoon na, en had ook zelfs geenen broeder, die hem kon opvolgen. Holland en Zeeland vervielen dus als Duitsche leenen weêr aan het Duitsche Rijk.
"Wat Henegouwen betreft, hier werd Graaf Willem opgevolgd door zijne zuster Mar g a r e t ha, die gehuwd was met den Duitschen keizer, Lodewijk van Beieren. Henegouwen was namelijk een vrouwelijk leen of „ s p i l l e l e e n " (genoemd naar de spil, een deel van het spinnewiel); in zulk een leen mochten ook vrouwen «opvolgen. Holland en Zeeland daarentegen waren mannelijke of „ r e c h t e " leenen, ook wel z w a a r d l e e n e n geheeten, waarin alleen mannen tot de opvolging gerechtigd waren.
Margaretha, eene zeer heerschzuchtige vrouw, die grooten invloed op haren gemaal had, wist dezen echter te bewegen, om haar, tegen de Rijkswetten in, tot gravin van Holland, Zeeland en Friesland te benoemen. Keizer Lodewijk, niet tegen haar bestand, voldeed aan haren wensch (1346), en Margaretha kwam over, om de regeel i ng te aanvaarden. Het was er intusschen verre van, dat men in Holland en Zeeland algemeen met 's Keizers doen genoegen nam. De steden beweerden terecht, dat Margaretha op geenerlei grond Gravin kon worden, en hadden bovendien veel liever eenen man aan het bewind, omdat die veel beter den adel in tedwang zou weten te houden en het land tegen den vijand verdedigen. De edelen over 't algemeen juichten hare komst toe, omdat zij, wat zij onder de graven aan invloed verloren hadden, onder het slappe bestuur van eene vrouw allicht konden herwinnen. Ook waren er vele edelen, die als grafelijke ambtenaren onder Willem IV, wiens regeering drukkend voor den landzaat was geweest, zich tegenover het volk hadden schuldig gemaakt aan onrechtmatige handelingen, inzonderheid aan afpersing, en dit hun snood bedrijf onder eene gravin op nog grooter schaal dachten voort te zetten.
De Keizerin zag zich hier dus aldra door eenen zwerm baatzuchtige vleiers omringd en zij begroette hen als hare vrienden, terwijl zij de poorters, die eene afwachtende houding aannamen, met achterdocht en laatdunkendheid bejegende. Om zich eenen machtigen aanhang te verschaffen, deelde zij, liefst voor geld, (waaraan zij groot gebrek had), met milde hand allerlei vrijheden, vergunningen en voorrechten uit, op zoo buitensporige wijze zelfs, dat haar opvolger zich later genoodzaakt vond, er verscheidene van terug te nemen.
Met dat al steeg echter dagelijks de ontevredenheid harer tegenpartij, welke bestond uit verreweg het meerendeel der steden en een aantal edelen, die niet bevoorrecht waren. Steeds luider werd aan deze zijde het verlangen naar eenen mannelijken bewindvoerder geuit. Margaretha vond het daarom geraden, aan den wensch der tegenpartij te gemoet te komen, door haren zoon Willem tot stadhouder aan te stellen met den titel van „ver b e i d e r " . In dien titel lag opgesloten, dat hij haar eerlang in de grafelijke waardigheid zou opvolgen. Zij stelde hem eenen raad van edelen ter zijde, die haar genegen waren, en door wie hij zich moest laten voorlichten en leiden. Ofschoon hij nu al den last der regeering had te torsen, terwijl zijne moeder den Keizer had beloofd, zich niet meer met de regeering van Holland en Zeeland te bemoeien, bestuurde zij van uit Beieren de beide graafschappen en gunde haren zoon slechts een scliijugezag, ja onthield hem de middelen om het land tegen buitenlandsche vijanden te verdedigen; — en dat alles moest strekken, om haar en haren aanhang te bevoordeelen en het land onder hun bedwang te houden.
Daar kwam in 1347 Keizer Lodewijk te sterven. Hij werd opgevolgd door zijnen vijand Karei IV, en nu duchtte Margaretha, dat de onrechtmatig verkregen graafschappen haar door den nieuwen keizer zouden ontnomen worden. Zij haastte zich daarom, ze aan haren zoon W i l l e m ( V ) af te staan, en, om niet alle inkomsten te missen, bedong zij een jaargeld van 10 000 oude schilden (d.i. 26 000 ;ï 30 000 gulden). Willem bewilligde in deze overeenkomst en werd dus Graaf (1348). Doch nu werden de steden wakker en weigerden voor iemand, die nooit rechtens gravin was geweest, nog een jaargeld op te brengen.
De Graaf, die dus de overeenkomst niet kon nakomen, legde zijne waardigheid neder. De steden en de rechtschapen edelen echter drongen er bij hem op aan om te blijven, zoodat Willem nu eerst eens goed zag, dat de tegenstand, dien hij hier vroeger ontmoet had, eigenlijk slechts zijne moeder en hare partijgenooten gold. Hij bleef dan, en weigerde langer aan den leiband van zijne vroegere raadslieden te loopen. Toen ontstak Margaretha, ziende, dat zoowel land als jaargeld haar ontgingen, in hevigen toorn tegen haren zoon, en hare vrienden ouder den adel, die aan hun stelsel van dwingelandij en uitzuiging den kop zagen ingedrukt, namen terstond eene vijandige houding tegen hem aan, en riepen de gewezen keizerin terug.
Tevergeefs trachtte Willem zijne moeder te Quesnoy(in Henegouwen) te spreken (April 1350), ten einde haar tot rede te brengen ; zij wilde hem zelfs niet ontvaugen en gunde aan zijn paard niet eens stroo. Later zeide zij, dat, zoo zij hem in handen kreeg, zij hem zou laten radbraken en vierendeelen. Intusschen roerden zich de helpers van Margaretha en begonnen de vijandelijkheden door den 15den Mei de stad Naarden te verbranden.
Den 23sten van dezelfde maand nog verklaarde Willem aan de hem getrouwe steden en edelen, dat zij op hem konden rekenen; te gelijk verbande hij al degenen, die zijn gezag tegenstonden. Vier dagen later herriep Margaretha te Quesnoy haren afstand-
De partij van den Graaf liet niet na, den vijanden het verbranden van Naarden betaald te zetten en verwoestte in 1351 een aantal adellijke sloten. Zoo was dan een binnenlandsche oorlog ontbrand, een strijd, zoo fel en gruwelijk als nooit te voren hier aanschouwd was, en die te schrikkelijker en afschuwelijker was, daar hij aanvankelijk gevoerd werd tusschen moeder en zoon! Inderdaad, het recht mocht aan Willeins zijde zijn, de zoon had te bedenken, dat hij liever schade en ongelijk moest lijden, dan het zwaard op te heffen tegen zijne moeder.
De burgeroorlog, die aldus begonnen was, staat in de geschiedenis bekend onder den naam van H o e k s c h e en I v a b e l - j a u w s c h e t w i s t e n . De aanhangers van Willem werden namelijk door de tegenpartij „ K a b e l j a u w e n " gescholden, omdat de kleeding van Willems ambtenaren, die natuurlijk niet meer de kleuren van het Henegouwsche huis (rood en geel) droegen, maar die van het Beiersche, d. i. blauw en zilver (of wit), en wel in afwisselende, schuine ruiten, op eenen afstand gezien aan de schubben van eenen kabeljauw deed denken. De naam „Kabeljauw", als scheldnaam bedoeld, werd door die hem droegen een eerenaam geacht, waarop de tegenpartij zich den naam H o e k e n gaf, dewijl voor den kabeljauw niets gevaarlijker is dan de hoek of haak, waarmeê hij gevangen wordt. Als onderscheidingsteeken droegen de Kabeljauwen blauwe, de Hoeken roode hoeden of mutsen.
De Hoeksche en Kabeljauwsche twisten hebben gedurende bijna anderhalve eeuw Holland en Zeeland geschokt en geteisterd. Dat zij zoo lang, ook na den dood van Willem en Margaretha, voortwoedden, is daaruit te verklaren, dat zij in den grond der zaak eene worsteling tusschen den adel en de steden was, die elkander den invloed op het landsbestier betwistten. Langen tijd reeds was voor dezen strijd brandstof opgehoopt. Geen wonder dus, dat, toen hij eenmaal uitgebarsten was, het land alom in vlam gezet werd.
Wat al gruwelen zijn in dezen burgerkrijg gepleegd! Beurtelings waren de edelen en de poorters, de landsheer en de steden, de graaf en de adel tegen elkander verdeeld, maar ook de stedelingen onderling. Welk eene aaneenschakeling van bloedvergieten, branden en blaken, rooven en plunderen! Zoo ooit, dan kwam nu aan het licht, hoe zeer vorst en onderdaan te zamen ontbloot waren van het Evangelie, waarin alleen de vredige oplossing van alle geschil ligt.
De strijd leidde meer en meer tot inkrimping van de macht van den adel. Daartoe werkte vooral meê eene uitvinding, waarvan bij het slechten der adellijke kasteelen in 1351 voor het eerst gebruik werd gemaakt, t. w. die van het buskruit.
Niet langer waren de bewoners van burchten en sloten veilig achter hunne dikke muren; niet langer ook gaven de van top tot teen geharnaste ridders in den strijd in het open veld den doorslag.
Doch keeren wij tot Willem en zijne moedor terug. Margaretha zocht hulp bij haren zwager Eduard III, koning van Engeland, die haar ondersteunde met eene vloot. Bij Vere verloor Willem nu eenen slag tegen de Hoekschen (15 Mei 1351).
Spoedig wist hij echter eene aanzienlijke scheepsmacht bijeen te brengen voor Schiedam, en nu volgde den 4deu Juli bij Zwartewaal (in het gezicht van Den Briel) een hardnekkige strijd, die van zonsopgang tot in den nacht duurde en waarin Willem overwinnaar bleef. „Het gekrijsch der zwaarden", zegt een kroniekschrijver uit den ouden tijd van dezen slag, „het scheuren der schilden, het kraken der lansen, het gonzen der steenen en het getier der strijdenden was zonder voorbeeld."
Margaretha vluchtte naar Engeland. In 1354 kwam er tusschen haar en haren zoon eene verzoening tot stand, waarbij zij nogmaals van de graafschappen afstand deed, terwijl Willem haar een matig jaargeld toelegde. Zoo was dan de regeering in Holland en Zeeland voorgoed uit het Henegouwsche in het B e i e r s c h e huis overgegaan. In 1355 volgde Willem haar bij haren dood ook in Henegouwen op. Doch niet lang mocht hij de grafelijke waardigheid in de drie gewesten bekleeden, — hij werd in 1357 krankzinnig en bleef het tot den dag zijns doods toe, d. i. gedurende 32 jaren, want hjj stierf eerst in 1389. Schrikkelijk einde, maar schrikkelijk was ook zijn gedrag tegenover zijne moeder, en wij weten, wat de Schrift zegt van het oog, dat den vader bespot of de gehoorzaamheid der moeder veracht (Spr. 30 : 17).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 november 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

14. De Hoekscke en Kabeljauwsche twisten.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 november 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken