Bekijk het origineel

Briefwisseling: A. Brummelkamp en Dr. H,.F. Kohlbrugge

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Briefwisseling: A. Brummelkamp en Dr. H,.F. Kohlbrugge

10 minuten leestijd

De Nieuwe Provinciale Groninger Courant over de nieuwe uitgave van twee Brieven uit het jaar 1839, gewisseld tusschen de WelEerwaarde Heeren A, Brummelkamp en Dr, H. F. Kohlbrügge.

De derde uitgave van de hierboven bedoelde Brieven, die wij ook in het Zondagsblad opnamen (zie N° 40, Jaarg. 1894), heeft reeds de aandacht getrokken. De Redacteur van de Nieuwe Provinciale Groninger Courant plaatste in het Nommer van 19 Dec. 11 het volgende bericht.


Zonderlinge manoeuvre.
*** Hier ter stede circuleert een klein geschrift, uitgegeven te Amsterdam, met een woord vooraf van Ds. H. A. J. Lütge, bevattende Twee Brieven uit het jaar 1839, gewisseld tusschen de weleerwaarde heeren A. Brummelkamp, destijds predikant bij de Christelijke Afgescheidene gemeente te Hattern, en H. F. Kohlbrügge, doctor in de theologie, destijds woonachtig te Utrecht. (Derde uitgave.) In den eersten brief wekt de schrijver Dr. Kohlbrügge, met verwijzing naar Hand. 2:42 op, zich bij de afgescheidenen te voegen

en verzoekt hem, immens zijn Classis, de redenen te willen opgeven, waarom hij rich totnogtoe op zichzelf hield, en of hij, een wettig beroep ontvangende, gezind zou zijn dat aan te nemen.
Het antwoord van Dr. Kohlbriigge is afwijzend, op grond dat de afscheiding buiten hem om is ontstaan en dat ook aan de afgescheidenen de schuld kleeft rail het vergoten bloed; waarmee bedoeld wordt medeplichtigheid aan de. ontzegging van lidmaatschap aan Dr. Kohlbriigge met vrouw en kinderen, door het Hervormde Kerkbestuur
Het vreemde van deze uitgave is, dat Ds. Lütge zegt, dat geen van beide brieven door de schrijvers voor liet publiek bestemd zijn, •cn dat ze desniettemin, door zijn toedoen thans voor de derde maal, het licht zien.
Wel zegt hij dat die van wijlen I)r. Kohlbriigge in vorige uitgaven „wemelde van de dwaaste fouten''1, maar dit is o. i. geen reden om een door een ander gepleegde onbescheidenheid, te verbeteren door het begaan van een tweede
Het. komt ons zeer twijfelachtig voor, of men jegens mannen die reeds heengegaan zijn, en die gedurende liun lang leven geen van beide behoefte hebben gevoeld om d.eze correspondentie publiek te maken, zoo mag handelen.
Zelfs als historische bescheiden kunnen deze brieven, in een losse uitgave zooals deze, geen nut doen, want er wordt niets tot op- • heldering of verklaring bijgevoegd. Het is een zonderlinge uitgave.
Zonderling is ook dit, dat men het geschrift schijnt te gebruiken \ tot bestrijding van de Gereformeerden, en om op de gemoederen te ! werken van de thans opnieuw zich vormende „ Christelijke Gereformeerden
Zonderling inderdaad, omdat deze laatsten, gelijk ieder weet, juist weer het, zooals zij beweren, alleen zuivere standpunt innemen, dat de Christelijke Gereformeerden innamen vóór hun vereeniging met de Doleerenden; en Dr. Kohlbriigge hier tegen niets zoo zeer ijvert, als juist tegen de zoogenaamde „vrijheid", dat is tegen de in 1839 door de Afgescheidenen te Utrecht allereerst van de Regeering verkregene „erkenning".
Zou men dat niet beseffen?

Wij meenden deze bespreking van de uitgave der Twee Brieven niet onopgemerkt te mogen laten voorbijgaan, en dat niet zoozeer omdat de schrijver die uitgave ten onrechte eene „zonderlinge manoeuvre" noemt, als wel om d a t h i j Dr. K o h l - b r i i g g e ' s h o u d i n g t e g e n o v e r de A f s c h e i d i n g in e en a l l e s b e h ' a l v e h e l d e r d a g l i c h t s t o 11, door te zeggen, dat Z.W.Ews. antwoord op het verzoek van Ds. Brummelkamp afwijzend was, „op grond dat de Afscheiding buiten hem om is ontstaan".
Op de lezers der N. Prov. Gron. Courant moet dit laatste natuurlijk den indruk maken, dat gekrenkte eerzucht, eigenliefde dus, Dr. Kohlbriigge weerhield, zich bij de Afgescheidenen te voegen, m. a. \v. dat hij zich wel bij hen zou gevoegd hebben, indien men hem van meet af in de kerkelijke beweging omstreeks 1834 gekend had, — eenen indruk, die niet geheel wordt weggenomen door de mededeeling, dat „Dr. Kohlbriigge hier tegen niets zóó zeer ijvert, als juist tegen de zoogenaamde „vrijheid", dat is tegen de in 1839 door de Afgescheidenen te Utrecht allereerst van de Regeering verkregene „erkenning""
Tegen zoodanige voorstelling nu achten wjj ons om de nagedachtenis van Dr. Kohlbriigge verplicht met allen nadruk op te komen. Niet om eigen eer, maar om G o d s eer, om G o d s W o o r d ging het Dr. Kohlbriigge. Dat Woord was verworpen, toen hem willekeurig de openlijke uitoefening van het predikambt in de Nederl. Herv. Kerk belet werd, en deze uitsluiting (waartoe „de ontzegging van lidmaatschap" slechts het middel was) is het, die hij een vergieten van onschuld igbloed noemt. Aan dit vergieten maakten ook de Afgescheidenen zich schuldig, toen zij den trouwen dienaar des Woords verlieten en alleen lieten staan, omdat zij zich ergerden aan zijne prediking, die alle eigengerechtigheid des menschen afbrak, en eene Afscheiding begonnen.
Kohlbriigge bleef intusschen eene heelo en niet eene halve verlossing van God verwachten, en onthield zich daarom van. alle eigenwillig loopen en draven. Dat hier geene gekrenkte ijdelheid in het spel was, maar dat het den verworpene om Godseer, Gods Woord, Gods gebod ging, dat blijkt wel zonneklaar uit zijnen Brief aan Ds. Brummelkamp, welke Brief duidelijk doet zien, dat hij de Afscheiding beschouwde als eene poging om zichzelven te helpen, buiten God om de Kerk te verlossen., terwijl men „de leere Christi" verwierp.
Ten bewijze van het hier gezegde mogen hier uit Ivohlbriigge's Brief enkele aanhalingen volgen. Bladz. 9: „Te Utrecht hebben zij (de Afgescheidenen) tot één toe allen vóór de Afscheiding persoonlijken omgang met mij gehad. — Ik bleef altijd tehuis, om een iegelijk met des Heeren Woord en met de vertroostingen, waarmede de Heeremij vertroostte, te dienen. — Zij hebben mij, de een voor, de ander na, verlaten, zich stootende aan dat Woord."
Bladz. 10 zegt hij, de meening weerleggende van hen, diebeweerden, dat hij zich bij de Afgescheidenen had moeten aansluiten: „Zoo had ik mij dan ongeroepen moeten indringen,, en dat in eenen tijd, dat men het goede pand, dat de Heere mij heeft toebetrouwd, op het hevigst begonnen was te verachten? in eenen tijd toen de Heere mij deed zien en onbewimpeld getuigen, dat juist zij, die het meest van de gerechtigheid Christi spraken, zoo weinig tot die gerechtigheid Godsr geopenbaard in het Evangelie des Gezalfden, kwamen, dat zij, in stede daarvan, toen zij bezig waren om, gelijk zij zeiden, den Heere eenen tempel te bouwen, juist dien ter zijde legden, die van de gerechtigheid getuigde naar den wille Gods en op- Zijnen heiligen last".
Verder bladz. 10 en 11: „En wat er ook sedert die vier of v i j f j a r e n is gebeurd, ik heb geenen der Afgescheidenen of van hunne voorgangers tot mij toe zien keeren, die zichzelven heeft v e r w o r p e n en lust had C h r i s t u s na te v o l g e n , of slechts met een enkel woord bekende: Gij hebt ons het getuigenisse Jesu gebracht, wij hebben gezondigd, dat wij u verworpen en uwe getrouwheid miskend hebben " Bladz 12: „De leer uwer Gemeente is n i e t de l e e re C h r i s t i . " i)
In de tweede plaats eenig bescheid op het tweevoudig •verwijt van onbescheidenheid en speculatie op verdeeldheid. Wij zouden eene onbescheidenheid gepleegd hebben, door •van de bewuste twee Brieven eene derde uitgave te bezorgen P De Redacteur der N. Prov. Gron. Courant grondt deze beschuldiging op onze mededeeling in het „Woord vooraf", „dat geen der beide Brieven door de schrijvers voor het publiek bestemd was". Maar moet hieruit nu volgen, dat de schrijvers van de Brieven, toen deze eenmaal het licht hadden gezien, de uitgave onvoorwaardelijk afkeurden ? Wij, die de eer hadden, beide schrijvers bij hun leven over de Brieven te spreken, kunnen hier de verzekering geven, dat geen van beiden zich over de uitgave in dien zin heeft uitgelaten. Wel heeft Dr. Kohlbriigge -er ons indertijd zijne verontwaardiging over te kennen gegeven, dat men z i j n e n Brief met zóó schandelijk veel fouten had afgedrukt, dat deze er op verscheidene plaatsen onverstaanbaar door geworden was, terwijl men hemzelven in de uitgave niet •eens gekend had. Bij de tweede editie, die eveneens zonder voorkennis van Z W.Ew. (bij den Heer Huge te Rotterdam) het licht zag, had men den Brief met al zijne fouten maar klakkeloos herdrukt. Is dus aan den Brief van Dr. Kohlbriigge in zóó bespottelijkeu vorm zóó groote publiciteit gegeven, zoo mag dit •eene reden te meer zijn, om het ons niet kwalijk te nemen, •dat wij hem, op aanwijzing van Dr. Kohlbriigge van de fouten gezuiverd, aan het nageslacht overgeven. — Wat verder den Brief van Ds. Brummelkamp aangaat, deze behelst al heel -weinig, waarom men eenen uitgever de openbaarmaking zou kuunen kwalijk nemen!
Dat de Twee Brieven geene ophelderingen of verklaringen •bevatten, strekt het geschrift o. i. juist tot aanbeveling, te meer daar zij zichzelf genoegzaam verklaren. Of wien zou het na de lezing van den Brief van Dr. Kohlbriigge niet duidelijk zijn, dat hier a l l e afscheiding van de door God gestichte Kerk veroordeeld wordt?
Wat ten slotte betreft het verwijt van speculatie op verdeeldheid of een jacht maken op degenen, die buiten de Nederl. Herv. Kerk staan, kunnen wij niet meer en niet minder doen, dan verklaren, dat wij aan zulk eenen toeleg of zulk een bedrijf ten eenenmale vreemd zijn; dat wij ons in alle eenvoudigheid wenschen te houdeu bij het ambt, dat God ons in de Gereformeerde- Kerk dezer landen gegeven heeft, en het uit te oefenen in de Gemeente, waar wij door Hem gesteld zijn; dat wij het onze roeping achten, de Gemeente ook omtrent het vraagstuk der afscheiding in te lichten en den wankelenden 111 deze zaak zoo mogelijk vastigheid te geven; doch dat het volstrekt niet ons plan is, ons te bemoeien met de zaken van hen, die de Kerk der vaderen verlaten hebben, onder welken naam zij zich ook geconstitueerd hebben of bekend zijn. Nu echter de Redacteur der N. Prov. Groninger door zijn schrijven op de Twee Brieven eenmaal de aandacht heeft gevestigd, kunnen wij niet nalaten den wensch te uiten, dat óók velen van de Christelijke Gereformeerden en Doleerenden en van degenen, die met de vereeniging van deze groepen niet begeerden mee te gaan, door de lezing van deze Brieven tot „onderscheiding van den weg der waarheid en gerechtigheid" mogen komen. — Aan den Redacteur laten wij het verder over, bij zijne verdachtmaking te volharden, of er van terug te komen.


1) Zie over Dr. Kohlbrügge's houding tegenover de Afscheiding ook de zeer belangrijke mededeelingen in de „Lijst van werken en geschriften van en over Dr. H. F. KolMriigge, henevens eene Voorrede, bevattende eenige bijzonderheden betreffende diens afzetting als Proponent en verhouding tot Afscheiding enz", door J. H. F. Kohlbriigge, Cand. Arts (Amsterdam, Scheffer & Co., 1887), waarin ook duidelijk wordt aangetoond, dat Kohlbriigge bij deze zijne houding is gebleven, en dat men zich ten onrechte op hem als Predikant der Nederlandsch-Gereformeerde Gemeente te Elberfeld beroept, om de Afscheiding van 1839 of de Doleantie van 188t> te verdedigen.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 januari 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Briefwisseling: A. Brummelkamp en Dr. H,.F. Kohlbrugge

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 januari 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken