Bekijk het origineel

Het rijzend morgenlicht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het rijzend morgenlicht

B. Een v o o r t r e f f e l i j k werk

12 minuten leestijd

I. Wat nut u dit alles?

We komen nu tot de verdere beschouwing van het Boek zelf, dat door T y n d a l e aan het E n g e l s c h e volk werd geschonken, tot zijne v e r t a l i n g der Heilige Schrift.
Drie eeuwen lang, nadat de o v e r z e t t i n g was verschenen, schijnt zij geheel vergeten te zijn geweest. Dit nu is zeer begrijpelijk.
We hebben gezien, hoe T y n d a l e ' s v e r t a l i n g in E n g e l a n d werd ingevoerd en alom verspreid. Doch we zagen ook, hoe de g e e s t e l i j k h e i d er tegen woedde en zooveel mogelijk trachtte alle exemplaren te vernietigen.
Nu zou het voorzeker niet onmogelijk zijn geweest, toch in het geheim en buiten Engeland telkens h e r d r u k k e n van T y n d a l e 's Bijbel te geven, te meer wijl later de vervolging ophield en de Bijbel alom vrijelijk in Engeland kon gelezen worden. Doch men vergete niet, dat andere oorzaken in het spel kwamen, die vanzelf maakten, dat aan verdere verspreiding van Tyndale's Bijbel niet werd gedacht.
Bij het overzetten der vijf Boeken van Mozes was Tyndale bijgestaan geworden door Miles Coverdale. Deze nu gaf in 1535 de eerste vertaling van h e e l d e n B i j b e l in het Engelsch in het licht, getiteld: „ B i b l i a , t h e B i b l e . T h a t i s , t h e H o l y S c r i p t u r e of t h e O l d e a n d N e w T e s - t a m e n t . f a i t h f u l l y a n d n e w l y t r a n s l a t e d o u t of t h e D o u t c h e a n d L a t y n i n t o E n g l i s h " . (Dit werk was dus niet uit het oorspronkelijke, maar naar eene Nederlandsche en eene Latijnsche vertaling overgezet.)


1) Onder dezen titel zetten we thans onze beschouwing van hetgeen Tyndale verrichtte en tot stand bracht, voort.


Het Boek werd opgedragen aan koning Hendrik VIII. De vorst, die met Rome in onmin was geraakt, stond het lezen van het Boek aan allen toe. „Laat het vooral onder mijn volk verspreid worden", sprak hij, „het Boek van den ganschen Bijbel I in het Engelsch, voor ieder, die het inzien en lezen wil." In het koor van elke kerk werd zulk een Bijbel gelegd, 't Duurde echter niet lang, of de geestelijkheid wist Hendrik te beduiden, dat het volk van de v e r g u n n i n g een verkeerd gebruik maakte. Nu mochten, bepaalde de grillige heerscher, de lagere standen het Boek weèr niet lezen. A m edelen en heeren en vrouwen van stand werd liet echter vergund, mits zij het deden in h u n ne huizen en tuinen en stil voor zichzelf, het niet anderen voorlaaen. Men begrijpt echter ten eerste, dat aan zulke bepalingen toch kwalijk de hand was te houden, en ten tweede, dat het Woord toch wel zijne werking deed. Trouwens in 1546, toen H e n d r i k stierf, waren er in b e t r e k k e l i j k korten tij 1 niet minder dan e e n en d e r t i g uitgaven verschenen van den Bijbel of van het Nieuwe T e s t a m e n t ; ongerekend nog uitgaven van afzonder- ! lijke Bijbelboeken.
H e n d r i k werd opgevolgd door zijnen zoon E l u - i r d VI. Onder dien jongen, vromen vorst had het Woord des Heeren zijnen vrijen loop. In de zeven j a r e n van zijne r e g e e r i n g zagen dan ook elf uitgaven der Heilige Schrift het licht, behalve nog ! z e v e n van enkel het Nieuwe Testament.
Op Eduard VI volgde Maria de Bloeddorstige, onder wier r e g e e r i n g Gods Woord weer een verboden bock was, en zij, die ' t lazen, werden vervolgd of gelood. Vele Engelschen vluchtten nu naar Genève, de stad van O.ilvijn. Daar werd door hen T y n d a l e s Bijbel herzien, zoowel naar het oorspronkelijke als naar den Pranschen Bijbel, dien Oalvijn had uitgegeven. Niet voordat Eliz.ibeth den Engelschen troon had beklommen, en er weder vrijheid was gekomen voor Gods] Woord, verscheen de herziene Engelsche Bijbel te Genève. Voor 't eerst was nu de Engelsche Bijbel in verzen afgedeeld. H i j w e r d het huisboek van vele g ^ i n n e D.
I n t u s s c h e n rekende men de taak nog niet volbracht. Nog twee nieuwe overzettingen verschenen onder de r e g e e r i n g van Elizabeth. Eén daarvan heet de bisschops-Bijbel, wijl 't eene overzetting was, die geschiedde door acht bisschoppen met behulp van nog zes geleerden, welke samen in d r i e j a r e n onder toezicht van den aartsbisschop Parker dit werk verrichtten. (Onder bisschoppen zijn hier geestelijken der Engelsche, niet der Roomsche Kerk te verstaan). Toen in 1563 de uitgave was geschied, sprak de aartsbisschop gelijk eens Simeon: „Nu l a a t Gij, Heere, Uwen dienstknecht gaan in vrede naar Uw Woord, want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien".
Het is duidelijk, dat, nu men zooveel nieuwe en veelal nog verbeterde vertalingen kreeg, nu ook Tyndale's Bijbel was herzien en de nieuwe begrijpelijker waren in taal eu spelling, de oude vertaling van Tyndale niet meer noodig was en ook niet werd herdrukt. Ten slotte ging het zelfs met vele der l a t e r e vertalingen als met de zijne, en op dezelfde wijs, als men het ook ten onzent heeft aanschouwd.
Koning Jacobus I namelijk, die, al verbeeldde hij zich ten onrechte, een godgeleerde te zijn, zich toch veel met geestelijke zaken inliet, besloot eene nieuwe vertaling te doen vervaardigen. Zeven en veertig der bekwaamste mannen werden tot deze taak geroepen, aan welke zij zeven j a a r besteedden. Alle bestaande overzettingen werden zooveel mogelijk door hen geraadpleegd en met het oorspronkelijke vergeleken. In het j a ar 1611 verscheen deze „gewettigde" vertaling, die sedert in kerken, scholen en huizen do gebruikelijke is geworden, en 't gebleven is tot op dezen dag. Wel is eenige jaren geleden eene herziening van deze vertaling verschenen, bewerkt door Eugelsche en Amerikaansche godgeleerden, maar deze nieuwe overzetting heeft tot dusver geen burgerrecht verkregen.
De vertaling van 1611 is eene der voortreffelijkste, die bestaan, en wedijvert om don voorrang, met onzen Statenbijbel, die 25 jaar later verscheen. Zij verdrong a l l e vroegere Engelsche overzettingen, die thans slechts in de bibliotheken van boekminnaars en oudheidkundigen worden aangetroffen.
't Was eerst in het jaar 1836, dat eene kwarto-uitgaaf van ï'yndale's Bijbel werd weergevonden; wellicht was deze uitgaaf al vroeger in onze eeuw bekend. Een boekverkooper, die met eenen vriend zeker traetaat van den Hervormer Oecolampadius had geruild, vond daaraan vastgehecht een stuk in het Engelsch. Dit bleek te zijn het Evangelie van Mattheüs van Tyndale, met -aanteekeningen en inleiding, 't Is over dit boek, het eenig bekend exemplaar der kwarto-uitgaaf, 't welk kunstig gephotolithographeerd werd, dat we gaan spreken 't Bevindt zich nu in 't Britsch Museum (Grenville Collection). De Eacsimile-tekst werd uitgegeven door E. Arber. Er bestaat nog een (volledig) octavo-exemplaar van het Nieuwe Testament in de bibliotheek van het Baptisten-college te Bristol en eene andere onvolledige octavo in de verzameling der St.-Pauluskerk te Londen. Doch de groote uitgaaf mist' de aanteekeningen Deze drie stukken zijn, zoover men weet, de vroegste nog bestaande uitgaven van Bijbels in het Engelsch. Het quarto-fragment werd voor 1526 door Peter Quentel te Keulen gedrukt,
Doch mogen we ook met dank aan God het betere gebruiken, dat we thans hebben, dit ontneemt niets aan de waardij van het oude, dat zoolang de Bijbel voor heel het volk was, en zonder hetwelk de gezegende verandering, die wij Hervorming noemen, nooit ware tot stand gekomen. Yan dat oude, soms nog eenigszins gebrekkige werk genieten we thans nog de vrucht.
Maar niet alleen als eerwaardige gedenkstukken van het geloof, den ijver, de trouw van het voorgeslacht hebben deze vroegere overzettingen waardij; ook niet enkel, wijl zij in Gods hand het middel waren, om ons de zegeningen te schenken, die wij thans genieten. Er is meer.
Er wordt zoo vaak beweerd, dat wij als kinderen der Hervorming, als Protestanten, geroepen zijn steeds „vooruit te streven", in den zin van steeds verder zich te verwijderen van wat oudtijds geloofd en beleden werd. Want, zegt men, dat deden de Hervormers, mannen als Tyndale ook, en gelijk zij de kerkleer in hunnen tijd verwierpen, moeten ook wij met die van onzen tijd breken.
Dat nu is eene „g r u n d f a 1 s o h e " redeueering. Wat Tyndale en anderen deden, was breken met de kerkleer, omdat die streed tegen het Woord. Terugkeer tot dat Woord was Tyndale's doel; daartoe juist vertaalde hij het. En onze taak als kinderen der Hervorming is geene andere dan bij dat Woord te blijven, ons daaraan te houden met verwerping van alle menscheljjke geboden, die daarmee strijden. Dat is het h i s t o r i s c h Protestantisme, en dat te k e n n e n leert ons een werk als door Tyndale werd verricht. We leeren er uit onze roeping voor het heden, onze eenheid met het verleden. Niet steeds verder afwijken van de waarheid, maar ons vasthouden aan haar, moet ons doel zijn.
Aan den anderen kant zijn er tal van personen, die, volkomen beamend, wat we hier zeiden, zich den terugkeer tot dat Woord, het recht begrip er van, de geheele leer der waarheid uit dat Woord niet anders schijnen te kunnen voorstellen dan verbonden aan enkele personen, ja aan eenen enkelen soms. Yoor velen buiten onze grenzen heeft Luther als 't ware het eerste en het laatste woord gesproken, voor niet weinigen binnen onze grenzen Calvijn. De waarheid nu is, dat èn Luther èn Calvijn, hoe groote geesten en begenadigde mannen ze ook waren, toch ook weêr op de schouders van anderen stonden, en zagen ze daarom ook vaak verder dan dezen, toch bevonden zij zich op denzelfden bodem met hen niet alleen, maar aanschouwden ook in menig opzicht h e t z e l f d e als hunne voorgangers en tijdgenooten. Anders gezegd, we vinden, zij 't ook in verschillenden vorm, in den Hervormingstijd dezelfde waarheden vaak ook geleerd, beleden en bewezen door kinderen Gods buiten verband tot elkander staande — althans zichtbaar —; terwijl eerst later hij opstaat, die, door een meer stelselmatig geheel uit het v o o r h a n d e n e te vormen en daarbij te voegen wat Gods Geest hem leerde, aan het verkregene meer vastheid, duurzaamheid en duidelijkheid geeft. Dit zal blijken ook uit wat we van Tyndale's werk mededeelen.
Hieruit nu blijkt allereerst de eenheid van al wie gelooven en belijden de waarheid van de Schriften, en ten tweede het verkeerde van het roemen op en in eenig werk of eenig menschelijk stelsel. Met allen eerbied voor en allen dank aan Calvijn en Luther moeten we toch vasthouden, dat zij 1° slechts gaven, wat zij uit des Heeren hand zelf ontvingen, 2" wat zij met velen gemeen hadden, 3° wat ook aan hen reeds door andere mannen Gods, die vóór hen leefden was nagelaten als kostelijke erfenis
In verband hiermee nog vooraf deze vraag beantwoord:
Is de uitgave van Tyndale's Testament, waarover we nu gaan spreken, eene vertaling van Luthers vroegere Duitsche overzetting, of eene vertaling uit het oorspronkelijke, het Grieksch?
Alle Bijbelvertalers hebben zich voorgaande vertalingen ten nutte gemaakt. Zoo ook zal Tyndale Luthers kort te voren verschenen overzetting wel gebruikt hebben. In het Grieksch was Tyndale ervaren gelijk in 't Latijn. Duitsch en Hebreeuwsch schijnt hij later geleerd te hebben. In elk geval was hij in staat zelf het Nieuwe Testament te vertalen. Als hij verwijst naar „de taal", bedoelt hij 't Grieksch, en hij zegt zelf: „Overweeg, hoe ik niemand had om na te volgen." Yolkomen zekerheid hebben we ten dezen niet.
Wat betreft de inleiding, de kantteekeniugen enz., deze zijn deels aan Luther ontleend, ten deele in zijnen geest geschreven. In elk geval is de werking van Luthers geest merkbaar Toch blijft het geheel Tyndale's werk. Dat dit uitstekend was en uit goede bron, blijkt best daaruit, dat zulk een groot deel er van tot op den huidigen dag nog door niemand anders is weergegeven geworden, als Tyndale 't deed.
De tekst, over welken we nu gaan spreken, is met niet weinig moeite naar het oorspronkelijke weergegeven. De vele drukfouten er in zijn een duidelijk bewijs van de moeilijkheden bij het drukken, wijl men in bestendige vrees verkeerde van ontdekking, en zoo geheim mogelijk moest arbeiden. Doch, gelijk terecht de inleider zegt: F i n i s c o r o n a t o p u s , L a u s Deo: Het einde kroont het werk, God zij geloofd!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 februari 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Het rijzend morgenlicht

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 februari 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken