Bekijk het origineel

De Grooten Hoeksteen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Grooten Hoeksteen

15 minuten leestijd

„Ziet, Ik leg eenen Grondsteen in- Zion, eenen beproefden Steen, eenen kostelijken Hoeksteen, die wel vast gegrondvest i s " (Jes. 2 8 : 16).

„Meester! zie, hoedanige steenen, en hoedanige gebouwen!" zeide een van Jesus' discipelen, wijzende op den grootschen prachtbouw van den tempel, aan welken Jesus' antwoord op dezen uitroep letterlijk vervuld is. Van de eigenlijke tempelgebouwen is inderdaad niet één steen op den anderen gebleven, slechts van de groote ringmuren van het tempelplein zijn nog overblijfselen te vinden, welke hem, die ze met eigen oogen ziet, met verbazing doen uitroepen : „Zie, hoedanige steenen!" Maar niet minder grootsch, verbazingwekkend en belangwekkend zijn de onder de aarde en de groote puinhoopen verborgene ruïnen. De ijver en bekwaamheid van de Engelsche ingenieurs der „Palestine exploration-fund" heeft na het overwinnen van groote hindernissen zooveel aan het licht gebracht, waarin vele bijbellezers belang zullen stellen. Leest men de beschrijvingen, diede onderzoekers geven van de reusachtige bouwwerken rondom en onder den berg Moria, dan kan men zich ook een veel juister denkbeeld maken van den grootschen prachtbouw boven den grond en op den berg Moria.
In dit opstel zal alleen gebruik gemaakt worden van deontdekkingen der Engelsche ingenieurs bij den diepst gelegenen grooten hoek- en fundamentsteen aan den zuidoosthoek van den ringmuur, die den berg Moria omsluit, en dien wij kortheidshalve den tempelmuur zullen noemen. Hier was de grond het diepst, hier ligt de eerste fundamentsteen, welks ontdekking werkelijk veel merkwaardigs aan het licht bracht. Daar deze groote hoeksteen dikwijls door de heilige, door den Geest Gods verlichte schrijvers der Bijbelboeken als een symbool van onzen Heere Jesus Christus wordt gebezigd, zullen wij hem des te liever onze opmerkzaamheid wijden.

I

Dicht bij den zuidoosthoek van den tempelmuur lieten de ingenieurs eene 53 voet diepe groeve maken, van waar uit eenehorizontale gang in de richting van den tempelmuur werd gegraven. Toen men de groote bouwsteenen daarvan blootlegde, vond men daaraan eenige teekens, met roode verf aangebracht, waarvan later. Nadat de horizontale gangen den muur 6 voet: benoorden den zuidoosthoek hadden getroffen, groef men eeneandere langs den tempelmuur tot aan de hoeksteenen en van daar weder eene zoo diepe verticale groeve, dat men tot aan den diepsten hoek- en fundamentsteen kwam. Bij dezen arbeid vond men boven den fundament-hoeksteen weder vele roode teekens aan de bouwsteenen. Men heeft 80 voet diep moeten graven, om bij den op harde rotsen rustenden hoek- en fundamentsteen te geraken; toen echter had men voor zich het fundament, dat ten tijde van den koninklijken schrijver van het Hooglied, en hoogstwaarschijnlijk ook in zijne tegenwoordigheid, gelegd werd. Natuurlijk werd deze merkwaardige steen nauwkeurig bezien en gemeten. Hij is veertien voet lang bij zeven voet breed, en ligt veertien duim in de harde rols weg.
De hoeksteen en de overige reusachtige steenen boven en nevens hem zijn van dezelfde steensoort, als die men in de groote onderaardsche steengroeven, die zich zeer veel onder het noordelijk gedeelte van Jerusalem (Bezetha) bevinden, aantreft. Na de ontdekking daarvan door Dr. Barclay heeft men de uitgestrekte onderaardsche gangen dezer steengroeven dikwijls onderzocht. Door opeengehoopt puin is de ingang daarvan tegenwoordig zóó klein, dat men er door moet kruipen. De onderaardsche gangen, in welke uit de harde rotsen groote steenblokken werden uitgehouwen, verdeelen zich weder in vele zijgangen en groote ruimten. Volgens het zeggen der Arabieren zouden deze gangen zich tot onder den Haram (den berg Moria) uitstrekken. Op vele plaatsen vindt men overblijfselen van groote gehouwen steenen, die uit de steengroeve te voorschijn werden gebracht, ja ook blokken, die slechts halverwege uit de rots gehouwen zijn en welker verdere scheiding van de rots meri heeft gestaakt of opgegeven.
Op welke wijze de arbeiders in de steengroeve zich licht hebben verschaft bij hunnen arbeid, kan men ook zien. Aan <de zijden der eerst halverwege uitgehouwen steenen vindt men kleine in den steen aangebrachte holten, die blijkbaar tot oliehouders hebben gediend, daar boven deze holten de witte kalksteen zwart is van den walm Op sommige plaatsen vond men de breuken en groeven, door de houweelen en beitels der •werklieden in de rotsen gemaakt, zoo versch, dat het scheen, :alsof de door koning Hiram gezonden steenhouwers zoo juist den arbeid hadden gestaakt voor hun middagschoftuur.
Hier werden de groote bouwsteenen geheel klaargemaakt -voor het gebruik en aan elkander gepast, en dat zóó nauwkeurig, dat, zooals aan de onderaardsche overblijfselen van muren te zien is, geene kalk noodig was, om ze aaneen te hechten. Dikwijls sluiten de steenen zóó goed aan elkaar, dat er zelfs geen mes tusschen gestoken kan worden.
In 1 Kon. 6 : 7 lezen wij: „Het huis nu, als het gebouwd •werd, werd met volmaakten steen, zooala dezelve toegevoerd was, gebouwd, zoodat geene hameren, noch bijl of eenig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd". De kalksteen der steengroeve is hard, kan zeer goed gepolijst worden, en is dan bijna even fraai als marmer. Dat men hiervan gebruikte, is niet in tegenspraak met de Schrift, want deze bericht •ons, dat Salomo slechts cederhout en dennenhout van Iliram ontving. 1 Kon 5 : 1 7 lezen wij: „Als het nu de koning gebood, zoo voerden zij groote steenen toe, kostelijke steenen, gehouwen steenen, om den grond van dat huis te leggen". — Waarom zou Salomo deze uit een ander land hebben doen aanvoeren, hetgeen met groote zwarigheden en krachtsinspanning gepaard ging, als hij zulk voortreffelijk materiaal bij de hand h a d ! ? Overigens is eene laag steenen aan den westelijken muur — welke laag gewoonlijk de „groote laag" genoemd wordt, — zóó groot, dat de ingenieurs zich er over verwonderden, hoe men deze steengevaarten ter plaatse heeft kunnen breugen
Salomo liet dus alleen groote, kostelijke, uitgezochte steenen voor liet fundament gebruiken. De ingenieurs beschrijven den hoeksteen als eenen grooten, scherpkantigen, zeer schoon gepolijsten steen, die alleen van boven eene randversiering draagt; — bij de andere steenen vindt men die aan alle vier zijden. De onderste randversiering was ook niet noodig, omdat de steen tot fundamentsteen was bestemd en daarom eenige duimen in de rots gewerkt was. Blijkbaar was hij reeds in de steengroeve voor zjjn doel bestemd — uitverkoren —, en de koning liet hem in het fundament leggen.


Beschouwen wij nu het fundament van het gebouw Gods. „Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij", schrijft Paulus aan de Corinthiërs. De Yader wil eenen uitverkoren, kostelijken Hoeksteen leggen in het fundament van het heerlijk gebouw, den tempel Gods: het gebouw moet immers onbeweeglijk zijn en staande blijven, ook als hemel en aarde vergaan Van <3ezen Hoeksteen spreken de Profeten herhaaldelijk. Zoo openbaart Jesaia ons den wille Gods dienaangaande met de woorden: „ Z i e t , Ik l e g e e n e n G r o n d s t e e n in Z i o n , e e n en b e p r o e f d e n S t e e n , e e n e n k o s t e l i j k e n H o e k s t e e n, •die wel v a s t g e g r o n d v e s t is; wie gelooft, die zal niet haasten". De beproefde, kostelijke Hoeksteen was gelegd, toen gezegd werd: „Ziet! ik verkondig u groote blijdschap! U is heden de Zaligmaker geboren!'' — De gansche hemel was daarover in beweging, want kostelijk, — ja de kostelijkste der wereld, — en beproefd, — ja de beproefdste der wereld, — is de Hoeksteen, die onder het gebouw Gods gelegd is; zijn naam is „Jesus, de Zone Gods".
Dien zelfs de gansche wereld niet besloot,
Die ligt daar in Maria's schoot.
Hemel en aarde zijn door Hem gemaakt, en IIij wordt tot eenen Hoeksteen. — Dan weder wordt de hemel boven Hein geopend en de stem van Jehova spreekt: „Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!" Het is immers 's Vaders uitverkoren Hoeksteen, Dien heeft Hij gelegd, want er is geen ander in hemel en op aarde, die tot hoeksteen kon dienen, dan alleen de Zone Gods.
Vast gegrondvest is de Hoeksteen, want Hij rust op den eeuwig vasten grond der liefde Gods, die niet wankelt, of ook bergen wijken en heuvelen wankelen. De Vader heeft het kostelijkste, Zijnen eigen Zoon, niet gespaard, om het gebouw Gods te zetten op eenen vasten grond, die eeuwig blijft. Menschen hebben in Hem geen welbehagen, maar de Steen, dien de bouwlieden op aarde hebben verworpen, — omdat zij Hem beschouwden als den allerverachtsten en onwaardigsten, zonder gedaante of heerlijkheid, — is tot eenen Hoeksteen geworden, de Vader heeft in Hem een welbehagen. Welk een troost vloeit daaruit? Dr. Kohlbrügge zegt: „Ik ben slecht, ik ben verkeerd, ik ben een zondaar door en door, ik bezit geene gerechtigheid, geen vezel aan mij is tot zelfheiliging in staat, ik heb van goede werken volstrekt geen verstand; ik ben verloren, ik moet verzinken, — God zegt: Zie, I k leg eenen Grondsteen ; — op Dezen laat ik mij zinken, op Dezen laat ik mij bouwen". Dezen Steen heeft de Heere aller heeren, de Koning aller koningen gelegd, Deze is door Hem uitverkoren; zoo is dan iedere andere grond verworpen — „U echter, die gelooft, is Hij dierbaar!'' Wij hebben, om behouden te worden, omniet te verzinken, niets anders te doen, dan op dezen Grond te liggen; dan zullen wij niet te schande worden. Maar allen, die daarnevens bouwen. — wellicht zeer dichtbij of naast den Grondsteen Christus, — worden te schande, zoo zij zich niet bekeeren en komen tot dezen Grondsteen. En dezen Grond heeft niet des Vaders toorn, neen, maar des Vaders liefde gelegd tot den eenigen grond onzer zaligheid. Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. „Deze verzekering was destijds noodig en heilzaam, en is het nog heden. Want zoodra men begint te zinken op den eenigen Grond, dien de valsche broeders hebben verworpen en dien zij schuwen, omdat zij de eigengerechtigheid en ongerechtigheid liever hebben dan het gezonde geloof, beweren zij, dat men met dezen Grond te schande zal worden. Dat maakt het booze hart den mensch ook wijs, en zonde, duivel en wereld zeggen er amen op : „Die daar wordt te schande met zulk eenen Grond!" Maar de Heere God zegt, dat wij n i e t te schande worden, wij, die gezonken zijn op den Grond, dien H i j gelegd heeft".

II.

Beschouwen wij nu verder het gebouw, dat door den grooten hoek- en fundamentsteen gedragen wordt. In horizontale rijen is het gansche bouwwerk boven den grondsteen uitgevoerd. Aan al de steenen ziet men, evenals aan den grondsteen, een volkomen steenhouwerswerk: steen aan steen, kolossus aan kolossus ligt daar zonder kalk. Welk een ontzaglijke last ligt er op den hoeksteen ! Zooals reeds gezegd is, is er onder de tegenwoordige oppervlakte een 80 voet hooge reuzenmuur verborgen. De steenen zijn alle van denzelfden vorm, maar de afmetingen zijn natuurlijk in de verschillende rijen verschillend; de steenen van eenzelfde rij zijn even hoog. Boven de tegenwoordige oppervlakte is nog 54 voet oud muurwerk te onderscheiden, gevormd door veertien rijen steenen, en daarboven nog 23 voet muurwerk van lateren tijd. Er rustte op den hoeksteen dus een muur van minstens 150 voet hoogte. De reusachtige bouwsteenen hebben in de verschillende rijen eene hoogte van 3 tot 6 voet. De zevende rij boven de tegenwoordige aardoppervlakte wekte immer de bewondering van alle deskundigen. De hoeksteen van deze rij, — die dus juist boven den ondersten hoek- en fundamentsteen ligt, — is 26 voet lang, 6 voet hoog en 7 voet breed, en moet volgens de berekening der Engelsche ingenieurs buitengemeen zwaar zijn. Men staat er over verbaasd, hoe men alleen dezen reusacbtigen steen 100 voet boven den grondsteen heeft kunnen aanbrengen, daar het tegenwoordig bij de groote verbetering der werktuigen zelfs zeer moeilijk zou zijn.
Doch de last, dien de hoeksteen droeg, was indertijd nog grooter. De groote zuidelijke muur droeg immers den grooten, drie schepen tellenden koninklijken voorhof, die ook minstens 50 voet hoog was. Algemeen wordt aangenomen, dat de verzoeker den Heere Jesus op de tinne van dezen voorhof gebracht heeft, om tot Hem te zeggen: „Indien gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijne engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eeniger tijd Uwen voet aan eenen steen aanstoot" (Matth. 4 : 5 en 6). Josephus stelt dezen koninklijken voorhof voor als een waar wereldwonder, en verhaalt, dat hij zóó hoog was, dat men duizelig werd, als men van de tinne naar beneden zag in het dal der Kidron. Daar door uitgravingen is gebleken, dat de bedding der Kidron vroeger veel dieper moet geweest zijn, — 106 voet beneden de rots, waarop de hoeksteen ligt, — is hetgeen Josephus zegt, licht te begrijpen; de tinne van den koninklijken voorhof verhief zich dan meer dan 300 voet boven het dal der Kidron.
Welk eenen last droeg dus de grondsteen: eenen reusachtigen muur, waarvan de 150 voet hooge overblijfselen nog heden de bewondering wekken, — maar hij heeft den last tot op dezen dag getorst, — hij is immers een kostelijke, uit* verkoren steen; in weerwil van den onmetelijken last, die op hem drukt, staat hij vast, — geene menschelijke kracht heeft hem van zijne plaats gelicht.


Zien wij nu met een loflied in mond en hart op den kostelijken Grond- en Hoeksteen Jesus, den eenigen Grond, door God voor menschen gelegd. Aanschouw, mijne ziel, welk eenen last Hij draagt! De Vader wierp ons aller zonde op Hem. De Heidelbergsche Catechismus spreekt van eenen last des toorns Gods tegen de zonde van h e t g a n s c h e m e n s c h e l i j k ges l a c h t , en om dien te dragen, verklaart hij, moest de Hoeksteen Jesus w a a r a c h t i g G o d zijn, sterker dan alle schepselen. Ais de last van den toorn Gods, de zondenschuld, den mensch op de ziel drukt, moet hij voor eeuwig verzinken in de hel, tenzij hij zinkt op den uitverkoren Grondsteen, Dien God gelegd heeft, en Die onwankelbaar is. Deze Grondsteen draagt hetgeen in den hemel verdoemd is. En deze Grondsteen wil al de steenen dragen, die door God den "Vader door den Heiligen Geest op Hem gebouwd worden. Joden en Heidenen met al hunne gruwelen en zonden, en den ganschen toorn en vloek Gods, dien zij rechtvaardig verdienen, — j a al hunne zonden wil Hij op Zich nemen, opdat zij met hunnen last niet in den poel des vuurs geworpen worden. De Vader heeft Hem tot zulk eenen Hoeksteen gemaakt om onzentwille! Ilalelujah!
Prijs den Heer met blijde galmen!
Gij, mijn ziel, hebt rijke stof.
'k Zal, zoo lang ik leef, mijn psalmen
Vroolijk wijden aan Zijn' lof.
k Zal, zoolang ik 't licht geniet,
Hem verhoogen in mijn lied. (Ps. 146 : 1.)
En het Lam, Dat dezen onmetelijken last droeg, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid!
Van eeuwigheid tot eeuwigheid zal de Hoeksteen onbeweeglijk staan, geene macht der hel kan Hem doen beven. Leg uwen last op Hem, hij is de Zijne, — de Vader heeft dien op Hem geworpen, — gij zult er nooit meê te schande kunnen worden, God heeft Hem immers Zelf daartoe gemaakt. Door Zijnen knecht Paulus roept Hij ons toe (Ef. 2 : 19 vv.): „Zoozijtgij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods; gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jesus Christus is de uiterste Hoeksteen; — op Welken het geheele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot eenen heiligen tempel in den Heere; op Welken gij ook mede gebouwd wordt tot eene woonstede Gods in den Geest". — Gods genade wil ons dus door deG Heiligen Geest op Christus leggen, opdat wij eene woonstede Gods zullen zijn. „Zooals deze Steen (de Hoeksteen) is", zegt Dr. Kohlbrügge, „wil Hij ook de steenen, die op Hem liggen, hebben. Het zijn van nature totaal onbruikbare steenen; God echter is barmhartig, zoodat Hij niet terstond den staf breekt over steenen, die Hem dwarsboomen, maar Hij maakt Zich onder arm en rijk alom armen en ellendigen, wien het om waarheid gaat, om gerechtigheid en heiligheid, — die bereidt Hij Zich toe, maar het zijn ongepolijste en ruwe steenen. Deze alle legt Hij op Christus, den waarachtigen Heiland van zondaren, en op Hem worden zij gebouwd, — allen, wien in waarheid de zonden leed zijn, die heiliglijk wenschen te wandelen, en toch niet weten, hoe zij daarmee aan moeten; zij hebben geene gerechtigheid, geene deugd, geene heiligheid, geene wijsheid of kracht, en verblijden zich, dat Christus hunne wijsheid, gerechtigheid en kracht is". — Zoo bouwt de Heere. — Maar moeten wij niet op dezen Grond b o u w e n ? — Er staat niet: Wie op dezen Grond bouwt, of wie op dezen Grond dit doet, en zoo vooruitkomt, — neen! maar: „Een iegelijk, die in Hem g e l o o f t , zal niet beschaamd worden!" (Rom. 9 : 33.) — Dat is een wonder in onze oogen, dat is van den Heere geschied, dat Hij van ons bouwen niets wil weten, en Z i j n e steenen niet verworpen wil hebben. Aanbidt dit wonder, laat u zinken op dezen Grondsteen, Hij draagt eenen grooten last, Hij zal ook u dragen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

De Grooten Hoeksteen

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken