Bekijk het origineel

Betrachting over Mattheüs 26 : 1 en 2.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Mattheüs 26 : 1 en 2.

14 minuten leestijd

„En bet is geschied, als Jesus al deze woorden geëindigd had, dat Hij tot Zijne discipelen zeide: Gij weet, dat na twee dagen het pascha is, en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden."

Wij bevinden ons thans in de lijdensweken, den tijd, waarin wij gedenken het allerheiligst lijden en sterven van onzen gezegenden Heiland Jesus Christus, den Zone Gods. De almachtige Ontfermer verleene ons de genade des Heiligen Geestes, om bij de beschouwing van dit lijden alle kracht en rust, gerechtigheid en zaligheid, vertroosting en lafenis te vinden in de dierbare wonden des Heeren. Alleen in de allerheiligste wonden des Heeren vinden wij arme stervelingen, wjj vloek- en doemwaardige zondaren, troost en sterkte. Wij zijn duur gekocht: God heeft Zijnen eeniggeliefden Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgegeven. Deze, de Zone Gods, is het volle losgeld, de prijs, waarop onze verlossing kwam te staan. Dat wij toch onze groote zonde en vervloeking bedenken. dat wij toch bedenken, dat wij niets hebben te eischen, maar den eeuwigen dood waardig zijn, opdat wij heiligen troost mogen putten uit de beschouwing van Gods eeuwige liefde, die Hem dreef, om Zijnen Zoon over te geven voor Zijne vijanden, ten einde Zijne vijanden met Zichzelven te verzoenen, — Zijnen Zoon over te geven voor goddeloozen, ten einde goddeloozen voor Zijnen rechterstoel rechtvaardig te kunnen spreken, — Zijnen Zoon over te geven voor zwakken, die tot niets in staat waren, daar zij zichzelven door hunne zonden hebben bedorven. Het gaat om een goed geweten voor God, zoolang wij hierbeneden zijn, en dit goed geweten hebben wij alleen door het bloed van Jesus Christus. Dit bloed is onze vrede tegen het aanklagend i geweten. Verder gaat het om een zalig einde, het gaat er om, dat de ziel voor eeuwig geborgen zij, en dit zalig einde is weder alleen in het bloed van Jesus Christus; want door Zijn bloed heeft Hij dood en duivel overwonnen, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht, en nu zegt Hjj tot de Gemeente: „Vrees niet, Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde, Ik heb de sleutels der hel en des doods". Vrijwillig komt niemand tot God, maar allen, die ooit tot Hem gekomen zijn en tot Hem komen, zijn door Zijne almacht getrokken, en worden door Zijne almacht getrokken, zooals ook de Heere Jesus zeide : „Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage". Uit zichzelf belijdt niemand zijne groote zonde en schuld. De mensch moet door de allerheiligste Wet Gods aan zichzelven ontdekt worden, opdat hij alzoo zjjn grondeloos verderf erkenne, en dit niet doe in wanhoop, maar in dankzegging aan den Heere Jesus, Die in Zijne groote verlorenheid Zich in onze verlorenheid heeft begeven, om ons met Zijne almacht daaruit te trekken. Vrijwillig gaat niemand het lijden te gemoet, en vrijwillig sterft niemand, integendeel, wij klemmen ons allen aan dit leven vast. Maaide Heere Jesus is uit Zichzelven gekomen, vrijwillig gaf Hij Zich over in den dood, gehoorzaam aan Zijnen Vader. Het waren niet de omstandigheden, die Hem deden opgaan naar Jerusalem, maar Hij stelde Zich vrijwillig borg voor Zjjne schapen, Hij naderde met een vrijwillig hart tot God Vrijwillig ging Hij den dood te gemoet. Onschuldig is niemand onzer, maar H i j leed en stierf als het onschuldige en onbevlekte Lam, Dat geene zonde kende.
Het kwam niet door uiterlijke omstandigheden, dat onze Heere gekruisigd werd, en dat juist op het Pascha De overpriesters en schriftgeleerden hadden wel is waar te zamen raad gehouden, en Kajafas had gezegd: „ Het is beter, dat één mensch sterve voor het volk, dan dat het geheele volk verloren gaat", en zoo hadden zij dan beraadslaagd, hoe zij Hem zouden dooden; maar zij wilden het doen door list en zeiden: „Niet op het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk". Bij de kerkelijke autoriteiten stond het dus vast, dat het niet op het Paschafeest zou gebeuren. -— Onze Heere Jesus had echter reeds als Kind bij Zijne moeder in huis gelezen van het paaschlam, dat geslacht werd, en van welks bloed de Israëlieten aan don bovendorpel en aan de beide zijposten moesten strijken, opdat de engel des verderfs, die des nachts door Egypteland zou gaan, om alle eerstgeborenen te slaan, hunne huizen zou voorbijgaan. Voorts wist Hij, dat ditzelfde paaschlam het volk Gods eene versterkende spijs was geweest, om Egypte te verlaten en door de zee te gaan. Hij, Die van Zichzelven gezegd heeft: „De Geest des Heeren Heeren is op Mij, omdat Hij Mij gezalfd heeft", wist door den Geest der profetie, dat Hij het ware Paaschlam was; Hij wist, dat het volk, evenals het eens het paaschlam slachtte, ook Hem zou slachten; en had Hij gezien, dat de paaschlammeren als aan een kruis werden gespiest en gebraden, Hij wist ook, dat Hij als het ware Paaschlam aan aan het kruis zou genageld worden, om de hitte van den toorn Gods aan dit kruis te dragen. Wat de Heere hier tot Zijne discipelen zeide, dat heeft Hij meermalen gezegd, en dat nog omstandiger, bijv. in ons Evangelie Hoofdstuk 16 : 21 vv.: „Van toen aan begon Jesus Zijnen discipelen te vertoonen, dat Hij moest heengaan naar Jerusalem, en veel lijden van de ouderlingen en overpriesteren en schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden. En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden. Maar Hij, Zich omkeerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, Satanas! gjj zijt Mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der menschen zijn". — Hoe is dus het lijden en sterven van Jesus Christus? Het is niet menschelijk, het is Goddelijk Bedenk dus bjj het lijden en sterven onzes Heeren dit: het is van God, het is niet van menschen; al hebben ook menschen het Hem aangedaan, zooals Judas, de overpriesters en schriftgeleerden, Pilatus en Herodes, — nochtans was het niet van menschen, maar van God, het was Goddelijk. En hoe was het Goddelijk? Vooreerst ging Hij vrijwillig het lijden te gemoet als de Zoon Gods, zooals wij ook belijden: „Het bloed van Jesus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden"; en gelijk de Apostel schrijft: „Die ook Zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft"; zooals ook de Heere Jesus Zelf zegt: „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft". Alleen Hij, de Zone Gods, kon lijden en dragen den ganschen last des toorns Gods, die op het verloren menschdom lag. Alleen als de Zoon Gods kon Hij dezen toorn aan Zijne menschheid dragen, zonder onder dezen toorn te bezwijken. Wij hebben het dus wel te bedenken Zijn lijden is een Goddelijk lijden. God gaf Zijnen eigen Zoon over, het liefste, dat Hij had. Niemand onzer zou ooit verlost worden uit het Egypte des duivels, uit de banden, de gevangenis van den helschen Earaö, indien niet God Zelf een Lam had gegeven, zoodat, terwijl wij toch allen hadden verdiend, door den engel des verderfs geslagen te worden, wij, de deurposten onzes harten bestreken hebbende met het bloed des Lams, het woord zullen hooren: „Gij, in uwen bloede, leef! ja, gij zult niet sterven, maar leven!" Niemand ontkwam uit dit schrikkelijk Egypte, indien niet hij en zijn huis van dit Lam at. God geeft het Lam, gij hebt het niet van uzelven, gij hebt het niet bedacht; God geeft het Lam, God geeft het aan Zijn volk, God geeft het aan de wereld, God geeft het aan u. Zoo is dan al de schande en smaad, al het lijden, al de smarten, die over den Heere Jesus gekomen zijn, Goddelijk; Hij heeft ze op Zich laten komen, als op den Zone Gods, opdat wij aan Zijnen Vader eenen Vader zouden hebben, eenen genadigen en verzoenden Vader, opdat wij, die van onszelveu slaven des duivels en kinderen der hel zijn, het „Abba" leeren roepen, opdat wij aan dit Lam eenen Broeder zouden hebben, opdat wij zouden worden erfgenamen Gods, erfgenamen des eeuwigen levens, medeërfgenamen van Christus. Ook Zijne schrikkelijke benauwdheid des nachts in Gethsémané was Goddeljjk. Zijne verlatenheid, toen de zon haren glans verloor, was Goddelijk. Goddelijk was Zijn roepen: „Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?" Heeft dan God de Vader Zijnen Zoon zoo laten lijden ? Ik zeg nog eens: al hebben alle duivelen het ook gedaan, de duivel heeft het toch niet gedaan, de menschen hebben het niet gedaan; het kruis heeft het niet gedaan, maar God heeft het gedaan. Als Hij klaagt: „Mijne tong kleeft aan Mijn gehemelte; al Mijne beenderen zou Ik kunnen tellen, en Gij legt Mij in het stof des doods", — dan heeft God dit gedaan. Maar hoe is het Goddelijk ? O mensch, denk aan de Wet Gods. Iedere zonde sleept de eeuwige verdoemenis na zich. De zonde sleept de lichamelijke verwoesting na zich, den dood, de verrotting, een heirleiger van ziekten en allerlei lijden, dat zelfs ook jonge kinderen moeten dragen in hunne ziekten. De Wet des eeuwigen Gods, Die spreekt: „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het Boek der Wet, om dat te doen", — deze Wet kan niet worden opgeheven. De zonde is eene verloochening van God, eene verloochening van Zijne waarheid en Zijne heiligheid, de vreeselijkste ontkenning, die men zich denken kan. Maar de Wet des eeuwigen Gods is eeuwig en blijft eeuwig staan, haar vloek is eeuwig. Wie kan, — o, eeuwig is zoo lang! — wie kan de eeuwige straf opheffen ? God moet Zijne Wet handhaven, God moet toornen en toornt schrikkelijk. Menigeen ondervindt het wel aan zijn lichaam, hoe de zonde het lichaam verwoest. En dan denken wij nog niet eens aan het sterven. Het gaat er hier om, den eeuwigen en den geestelijken dood te ontvlieden, opdat de tijdelijke dood niet een eeuwige dood zij. Het gaat er om, dat God Zijn recht hebbe, dat aan Zijne gerechtigheid worde voldaan. Dat kan geen mensch tot stand brengen. Geen mensch kan hier betalen; hij maakt integendeel zijne schnld nog dagelijks grooter, ja zóó groot, dat zij tot aan den hemel reikt. Maar hier treedt een Borg op. De Borg komt niet van Zichzelven, maar God verwekt den Borg, eenen geheel vrijwilligen Borg. God neemt Zijnen Zoon en bekleedt Hem met ons verdorven,stinkend vleesch en bloed, doch zonder zonde, en zoo draagt Hij den toorn. Dat is Goddelijk. Zoo kan alleen God liefhebben. Dat Hij, de Zoon, als Borg voor het Hem van God gegeven volk optreedt en het losgeld betaalt, dat doet Hij vrijwillig, dat doet Hij met blijdschap, omdat de Yader het zoo wil. Alleen Hij, de Zoon, kon deze eeuwige gehoorzaamheid brengen, Hij alleen kon ingaan in de uiterste verlatenheid, tot den dood aan het vervloekte hout des kruises. Zoo kwam dus alles, wat wij lezen van -het lijden van Je9us Christus, voort uit den bepaalden raad en de voorkennis Gods, zooals ook de Apostel Petrus op den eersten Pinksterdag betuigde, dat God Zijnen Zoon had overgegeven naar Zijnen bepaalden raad en voorkennis.
Naar ons zeggen zijn wij allen zondaars; met den mond belijden wij allen, dat wij groote, doemwaardige zondaars zjjn, en daarbij kunnen wij toeh leven zonder God en zonder den Ileere Jesus Christus; wij zoeken het hierbeneden goed te hebben, en komen wij in nood, dan moet God helpen, anders zijn wij Hem niet noodig. Het kind spreekt van de zonde, de knaap, het meisje spreekt van de zonde, maar knaap en meisje weten dikwijls niet, wat zij in het verborgen doen, en begrijpen niet, dat zij het lichaam verderven en verwoesten door hunne onkuischheid. Zoo hoort de jongeling, de jongedochter van zonde, en maakt zich in 't verborgen schuldig aan de zonde der zelfbevlekking, bekeert zich niet tot den Heere, maar houdt zichzelf voor vroom. Daarvan komt het, dat wij het lijden van den Heere Jesus Christus niet naar waarde schatten. Als wij spreken van zonden, en daarbij denken aan het woord : „Het bloed van Jesus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden", zoo hebben wij wel te bedenken, wat dan eigenlijk onze zonden zijn. Vooreerst hebben wij ons in en met Adam tot alle goed onbekwaam gemaakt, wij hebben ons gestort in den dood; eene groote schuld opgestapeld. Verstand, wil en hart zijn alle te zamen verkeerd bij den mensch. Laat ons toch niet denken aan booswichten, aan lichtzinnige menschen, aan degenen, die buiten staan, maar wat zegt de Heere Jesus van het hart des menschen? Wij lezen Mark. 7 : 21 : „Want van binnen uit het hart des menschen. . . .", ieder steke zijne hand in den boezem, en geve wèl aeht, als God de Heere door de omstandigheden, of in den nacht, of in den droom hem een weinig er van doet zien, wat er uit het hart des menschen voortkomt, — „uit het hart des menschen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hoovaardij, onverstand." Komt er nu in het dagelijksch leven iets daarvan aan het licht, dan zegt men: „Dat hadden wij toch niet van hem gedacht!'' en wij denken van onszelven, dat wij toch zulke menschen niet zijn, maar (wat ook de zonen van Jakob zeiden) vrome lieden, zonen van een eerlijk man! — totdat God komt en ons eens doet zien, wat wij dan eigenlijk wel zijn. Dan ziet men eerst, wat er uit het hart des menschen voortkomt, en de vreeselijke woorden van den Apostel Paulus worden bevestigd: „Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, daarom heeft hen God ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hunne lichamen onder elkander te onteeren". De Heere ontdekt, wat in het verborgen is.
Hooren wij, met welke verschillende benamingen God in Zijn Woord de z o n d e Zijns volks noemt. Tn 't algemeen heet Hij z o n d e alles, waarvan Hij zegt: Dat deugt niet, het deugt altemaal niet, het is alles verkeerd. Voorts is z o n de oproer tegen God, de rebellie om het juk des Heeren, de Wet van zich te werpen Ter anderer plaatse spreekt God van z o n d e , om aan te wijzen, hoe alles verdraaid en krom, niets goed en recht is. Wederom bij eene andere openbaring van zonde zegt God: die z o n d e is miskenning van Mijnen Naam, Mijne macht, Mijn doen, Mijne trouw. En wederom teekent God de z o n d e van Zijn volk als trouweloosheid; H i j houdt Zijnen eed, maar z i j vertrappen en breken het bezworen Verbond zoo dikwijls. Elders wordt z o n d e genoemd het met opgeheven hand tegen beter weten in doen van wat niet betaamt, in toorn, in ontucht, in ongerechtigheid. Ook heet z o n d e, dat men God het Zijne niet geeft en den naaste niet, maar in zelfzucht alles naar zich toehaalt. Zonde is, waar niets is dan overtreding, een afwijken van hetgeen God geboden heeft. En nogmaals wordt z o n d e door Hem genoemd de boosheid, waarin men alles van zich werpt. Nu dan, waar gij zoo uwe zonde en schuld, uwe gansche ellende, uwen grooten dood voor u hebt, — kunt gij het weder goedmaken? kunt gij het kromme recht maken? Kunt gij voor uwe schuld betalen? Zoo niet, sla dan de handen ineen en zeg: Zóó kent mij de Heere Jesus! Ja, zóó kent Hij Zijn volk; zóó kent God de Vader Zijne kinderen in Zijn huis, eene overmaat van ongerechtigheid vindt Hij bij hen, en Hij stelt Zichzelven als het hoogste Goed des zondaars. Hij verzoent de wereld met Zichzelven, en nadat Hij dat heeft gedaan, zendt Hij Zijne boodschappers, en deze boodschappers moeten prediken, prediken de verzoening: Alles is weg, een nieuwe mensch is daar in Christus Jesus! Waar verzoening is, daar is geen toorn, maar de zonden zijn geworpen achter Gods rug. Zoo heeft God in Christus de wereld met Zichzelven verzoend, en zoo wil Hij den volke gepredikt worden, en Hij vermaant nu en bidt, en bidt ook door mij: Grijp deze sterkte Gods aan! maak vrede met God, dan is er vrede te midden van strijd.

2 Maart 1873.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Betrachting over Mattheüs 26 : 1 en 2.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken