Bekijk het origineel

Leestafel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Leestafel

12 minuten leestijd

„ H e e f t de N e d e r l a n d s c h e H e r v o r m d e K e r k m et d e n n i e u w e n v o r m v a n b e s t u u r ( o r g a n i s a t i e ) , in h e t j a a r 1 8 1 6 , o p g e h o u d e n de v r o e g e r e Geref o r m e e r d e K e r k te z i j n ? Beantwoord door F. Oberm a n , Predikant bij de Nederd Herv. Gem te Leiden." 1
Onder dezen titel verscheen bij E. J. Brill te Leiden al overdruk uit het Leidseh Predikbeurtenblad een geschriftje, dat wij met onverdeelde instemming lazen en dat wij daarom in veler handen wensehen. De inhoud betreft, zooals men ziet, eene vraag, die allerbelangrijkst is voor allen, die het wel meenen met het welvaren der Kerk, door God in deze landen geplant En deze vraag wordt hier beantwoord op eene af- -doende wijze en in eenen eenvoudigen en bevattelijken vorm, •die klaarheid, zaakrijkheid en beknoptheid met elkander ver- •eenigt
De aanleiding tot het ontstaan van dit werkje wordt ons in het Voorbericht medegedeeld: „Op eene der vergaderingen Tan den Kerkeraad der Hervormde Gemeente alhier, ten vorigen jare, kwam eene missive ter tafel, waarbij eenige lidmaten der Gemeente bedankten voor hun lidmaatschap, met de uitdrukkelijke verklaring evenwel, dat zij niet gebroken hadden met de aloude Gereformeerde Kerk van Leiden". Dergelijke dingen gebeurden en gebeuren ook elders, zoodat de Schrijver velen, die den dwalenden gaarne een woord van „protest" en ^voorlichting" onder de oogen zouden brengen, zeker eenen goeden dienst heeft bewezen. Hij is er intusschen verre van, wat hij schrijft, alleen te bestemmen voor degenen, die de Vaderlandsche Kerk verlaten hebben of van zins zijn dit te doen; — de huidige toestand der Kerk predikt ons a l l en hoogst ernstige dingen, waarvan wij n i e t d a n t o t o n ze • e e u w i g e s c h a d e ons zouden afmaken met op onze naasten •te wijzen.
„Velen hooren", zoo luidt het in de Inleiding, „van de Organisatie van 1816 of van de Synodale Organisatie, zonder dat zij recht verstaan, wat zij is. Voor den een is zij eenvoudig de reden geweest om de Hervormde Kerk te verlaten, en hij veroorlooft zich jegens haar allerlei smalende uitdrukkingen; •een tweede meent, dat alleen de Organisatie de oorzaak is van al de troebelen, waaraan de Hervormde Kerk heeft blootgestaan en waarom de Kerk niet is, hetgeen zij behoort te zijn. Een derde, geene vrijheid vindende om de Hervormde Kerk te verlaten, weet toch niet recht, hoe het met de genoemde Organisatie gesteld is; deze en gene vraag zag hij gaarne beantwoord, bijv.: Is in 1816 een andere vorm van bestuur der Kerk ingevoerd, hoe werd dan vroeger de Kerk bestuurd? •waarom en hoe kwam daarin verandering, en wat was in 1816, en wat is thans dan eigenlijk hetgeen niet deugt en wat heeft de Kerk allereerst noodie ?"
Om in deze zaken licht te ontsteken en te gelijk het antwoord te geven op de vraag, in den titel van het boekje begrepen, splitst de Schrijver zijn onderwerp in vijf andere vragen :
1. W e l k e was de v o rm v a n b e s t u u r d e r K e rk v ó ó r h e t j a a r 1 8 1 6?
In het kort wordt ons medegedeeld, hoedanig de samenstelling en welke de bevoegdheid was van de vierderlei kerkelijke „ s a m e n k o m s t e n " , die men vóór 1816 had: Kerkeraad, Classicale Vergadering, Particuliere of Provinciale Synode en Algemeene of Nationale Synode. Er blijkt uit, dat de kerkorde „eene presbyteriale was, d. w. z.: er was gelijkmatige vertegenwoordiging", waarbij van een heerschen van meerdere over mindere vergaderingen geen sprake was. Wat vooral de aandacht trekt, is, dat in alle vier samenkomsten niet alleen predikanten maar ook ouderlingen zitting hadden ; dat de bevoegdheid der Classicale Vergadering eene zeer uitgebreide was, en dat voor het houden van eene Provinciale Synode telkens de gewestelijke Staten hunne toestemming moesten geven, terwijl tot het bijeenroepen van eene Nationale Synode de Overheid des lands vergunning moest verleenen.
2. W a t h a d in de j a r e n 1 7 9 5 — 1 8 1 6 t e n o p z i c h te v a n de H e r v o r m d e K e r k p l a a t s?
Hier wordt in korte, krachtige trekken, door historische bijzonderheden afgewisseld, aangetoond, dat ook de beste kerkvorm eene Kerk niet voor verval kan bewaren. Al spoedig gaven onze vaderen de eenvoudigheid des geloofs prijs en huldigden eene verderfelijke werkheiligheid. Eenmaal afgeraakt van het fundament der Apostelen en Profeten, bood de Kerk ook weinig of geenen weêrstand meer aan de ongeloofstheorieën, die van elders overwaaiden. Ja, de Kerk zelve zaaide het zaad der revolutie. Rechtvaardig was dan ook de straffe Gods, die haar deed maaien, wat zij gezaaid had. De Bataafsche Republiek, in 1795 na het uitwijken van Oranje gesticht, ontnam haar hare voorrechten. „In 1796 werd het beginsel van scheiding van Kerk en Staat uitgesproken", en de Hervormde Kerk hield op de bevoorrechte te zijn. Voortaan „leden hare dienaren groot gebrek ; onderscheidene predikantsplaatsen werden opgeheven; hare fondsen en goederen werden nationaal verklaard ; onderscheidene kerkgebouwen en pastorieën moest zij aan de Roomschen afstaan"; de predikanten moesten der nieuwe regeering trouw zweren en dank- en bededagen voor de verdrukkers houden.
„Onder Lodewijk Napoleon werd de Hervormde Kerk met alle kerkgenootschappen aan de regeering onderworpen, en verloor dus haar recht van zelfbestuur". Nog zwaarder werd de druk onder Keizer Napoleon.
Met den val van Napoleon en den terugkeer van Oranje lichtte weer een betere tijd aan. De Kerk was weêr vrij, althans uitwendig, doch — het hart des volks was niet tot God bekeerd.
3. W e l k e n v o r m van b e s t u u r o n t v i n g de K e rk i n h e t j a a r 1 8 1 6?
In het licht wordt gesteld, dat de afval van de reine leer des Evangelies aanhield en toenam. Door eenen hoogleeraar liet men ongestoord zelfs openlijk de leer der Heilige Schrift aanvallen. Nu ontnam God der Kerk de uitwendige vrijheid. Koning Willem I, gedreven door de begeerte om eenheid in het bestuur der Hervormde Kerk te brengen, — wat wel zeer noodig was, — benoemde buiten alle kerkelijke vergaderingen om elf predikanten, om met hem te beraadslagen over een „Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk", dat 7 Jan. 1816 werd bekrachtigd.
Hier is, zegt de Schrijver, „een gewichtig keerpunt in de geschiedenis onzer Kerk, want de geheele vorm van bestuur, met uitzondering van dien der Kerkeraden werd veranderd en dat niet in overeenstemming met het verleden en het recht der Kerk".
Behalve Kerkeraad en Classicale Vergadering, welke laatste van hare vroegere bevoegdheid bitter weinig behield, kreeg men nu een Classicaal Bestuur, een Provinciaal Kerkbestuur en eene Algemeene Synode. In elk der laatste drie colleges had maar één ouderling zitting. De benoemden hadden en I hebben zich niet naar eenen lastbrief te gedragen.
Alleen de classis van Amsterdam en eenige predikanten uit de classes van Leiden en Woerden protesteerden tegen de krenking van de rechten der Kerk, — wel een bewijs van de krankheid der Kerk, — doch het mocht niet baten.
„In 1852 en 1867 kwamen bepalingen in werking, die met het recht der Kerk meer in overeenstemming waren". De toestand vóór 1816 werd echter niet hersteld.
4 Is in h e t j a a r 1 8 1 6 de l e e r d e r H e r v o r m de K e r k t e r z i j d e g e s t e l d?
Was dus de kerkvorm van 1816 en zijne invoering eene krenking van de rechten der Kerk, thans dient de vraag beantwoord te worden, of door den nieuwen vorm van bestuur ook de l e e r d e r K e r k werd terzijde gesteld. De Schrijver vestigt onze aandacht op Art. 9 van het Algemeen Reglement, dat, zooals mede door Koning Willem I werd erkend, h a n d - h a v i n g van de l e e r der H e r v o r m d e K e r k beveelt. Waar de leer dus n i e t gehandhaafd wordt, geschiedt dit in strijd met genoemd Artikel (thans Art. 11) Pogingen om de uitdrukking „handhaving harer leer" te doen vallen of er eene valsche beteekenis aan te verbinden, mislukten. Ten onrechte beriep men zich op onderteekeningsformulieren, daar geene bepalingen iu strijd m o g e n zijn met Art 11 van het Algemeen Reglement. De slotsom, waartoe de Schrijver komt, is dan ook deze: „Met de o r g a n i s a t i e van h e t j a a r 1 8 1 6 k w am t o t a l l e n , die in o n d e r s c h e i d e n e b e t r e k k i n g en m e t het K e r k e l i j k b e s t u u r b e l a s t z i j n , de u i t - d r u k k e l i j k e l a s t v a n handhaving van de leer der Kerk,— e n d e z e l a s t is nog n i e t o p g e h e v e n . Z i j n in de H e r v o r m d e K e r k a l l e r l e i l e e r i n g e n in s t r i j d met h a r e B e l i j d e n i s , de O r g a n i s a t i e op z i c h z e l v e d r a a gt d a a r v a n de s c h u l d n i e t ".
Zoo komen wij dan als vanzelf op de volgende vraag: 5. W a a r a a n is de b e s t a a n d e t o e s t a n d toe te s c h r i j v e n , en wat is t o t v e r a n d e r i n g a l l e r e e r st n o o d i g?
Wij worden er vooreerst op gewezen, hoedanig de bestaande toestand is. Deze komt neêr op een los-zijn van de waarheid der Heilige Schrift. Daarmee is te gelijk de oorzaak van het verval der Kerk aangewezen De afwijking van het Woord des Heeren is echter niet aan de Organisatie van 1816 te wijten: de leertucht was reeds vóór genoemd jaar uit de Kerk verdwenen.
En in welk opzicht is tnen van de leer der Heilige Schrift afgeweken? Niet slechts op een driest loochenen van de onfeilbaarheid der Heilige Schrift valt te wijzen, maak ook op het streven om een ander fundament te leggen, dan hetgeen gelegd is, een ander dan dat der Apostelen en Profeten, waarvan Jesus Christus is de uiterste Hoeksteen. Zoo krenkt men dan den God des hemels en der aarde in het dierbaarste, waarin Ilij te krenken is — : in Zijnen geliefden Zoon Jesus Christus. Een losmaken van deze knoopen der ongerechtigheid, maar niet minder een belijden met hart en mond bij ons, die waarlijk des Heeren Woord kennen en verstaan, dat wij geene acht geven op dit Woord, dat wij altijd weêr van dit Woord af zijn, dat wjj er zoo onverschillig onder kunnen blijven, zulk eene verfoeilijke zatheid openbaren en liever op vleesch zien en op vleesch betrouwen, — een losmaken ook van deze knoopen der ongerechtigheid hebben wij vóór alles noodig. Zonder dat zal ons geene uitwendige vrijheid baten» j a veeleer ten verderve voeren.
Staan wij naar verlossing van deze i n w e n d i g e banden door Hem, Die er alleen van weet te verlossen, dan zullen wij geene paden der eigenwilligheid inslaan, door ons af te scheiden van de door God gestichte Kerk, en ons in dien weg ontslagen achten van Gods oordeel of van onze medeverantwoordelijkheid voor den huidigen toestand der Kerk, noch ons vroolijk maken over den treurigeu aanblik, dien deze biedt. Een en ander wordt op treffende wijze toegelicht met degeschiedenis van Dr. H. F. Kohlbrügge en aanhalingen uit diens schoone leerrede over Klaagl. 5: 21a.
Dit eenigszins uitvoerig overzicht moge voldoende zijn, om bij menigeen de begeerte naar nadere kennismaking op te wekken. Wij kunnen niet nalaten, nogmaals de lezing van het geschriftje ten zeerste aan te bevelen. De geringe prijs (zie Bijblad) voor een werkje van dezen omvang (64 bladz.) behoeft niemand af te schrikken. Moge het velen ten zegen zijnu

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 mei 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Leestafel

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 mei 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken