Bekijk het origineel

Overdenking van Markus 10 : 13—16. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Markus 10 : 13—16. (Slot.)

13 minuten leestijd

„En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zoo; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten. Maar Jesus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods. Voorwaar zeg Ik u: zoo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan. En Hij omving ze met Zijne armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve "

Als Gods gebod gedaan moet worden, dan komt vleesch en bloed daartegen altijd op. Alle zoogenaamde goede werken kan en zal de mensch doen en volbrengen, maar wat God gezegd en geboden heeft, — de vijand van binnen en van buiten legt allerlei hinderpalen in den weg, opdat juist dat, wat God wil, toch niet gedaan worde. Zoo gaat het ook, als de kinderen tot den Heere Jesus zullen gebracht worden, als zij in Gods Woord zullen onderwezen worden en opgevoed in de leering en vermaning des Heeren. En dat kan soms komen van eene zijde, waarvan men het niet zou verwacht hebben. Zoo zijn het hier de d i s c i p e l e n , die degenen, die de kinderkens tot Jesus brachten, b e s t r a f t e n . De discipelen dachten: „Wat zullen die kleine kinderen bij den Heere Jesus doen? Die verstaan immers nog niets van hetgeen Hij spreekt. Wij zeiven, die toch afgezonderd zijn tot Apostelen, die al zooveel hebben ondervonden en doorgemaakt, die al zoo langen tijd Zijn onderwijs hebben genoten, — wij zeiven verstaan en begrijpen niet altijd, wat Hij bedoelt, wij zeiven kunnen niet altijd den diepen zin Zijner woorden vatten, — hoe zouden deze kinderkens het dan kunnen?" „De Heere Jesus is nu vermoeid", zeiden zij, „laat Hem toch met rust; of indien er zijn, die tot Hem willen komen, laat dan die komen, die groot en volwassen, die bekeerd en wedergeboren zijn, die Hem dus kunnen verstaan." In den grond der zaak was het de baptistisohe geest, die uit deze of dergelijke woorden sprak, de baptistische geest, die ook in ons is, en die als vleesehelijke gezindheid vijandschap is tegen God en Zijne genade. Immers niet dat is de eerste vraag: Wat zullen de kinderen bij den Heere Jesus doen? maar dit: Wat wil en zal de Heere Jesus met hen doen? Want wat is het eerste: de genade Gods, of ons geloof en onze bekeering? Is God ons genadig, omdat wij ons bekeerd hebben, of zullen wij ons bekeeren, omdat God ons genadig is? Immers het laatste. Uit de genade Gods komt alles voort. Zij is de fontein des heils, zij is de eerste. Of zullen de kinderkens eerst dan aan de moederborst gelegd worden, als zij er iets van begrepen hebben of begrijpen kunnen, wat de moedermelk is? Maar zoo is de baptistische geest, — die wil den Heere God voorschrijven, waar en wanneer Hij Zijn werk in een menschenkind mag beginnen En zulke gedachten kunnen eenen mensch toch wel eens dermate aanvechten, dat hij er door in grooten nood komt. In het hart zetten zich zoo licht gedachten vast als deze: Wat zullen de kinderen met GodsWoord? — zij verstaan er immers nog niets van, zij zijn ook nog zoo dood, er is geen leven in! wat zullen onze kinderen het „Onze Vader" bidden? zij zijn nog onbekeerd, nog niet tot kinderen aangenomen ! En zoo kan iemand dan wel eens schijnbaar zeer geestelijk redeneeren, zoodat men niet weet, wat er op te antwoorden. Het was voor de moeders hard, door de discipelen, door zulke geleerde, heilige mannen, tegen wie zij met den grootsten eerbied opzagen, bestraft en afgewezen te worden. Die moesten het immers weten! Zoo komt er allerlei tegen op, als men de kinderen tot den Heere Jesus wil brengen. Wil de man het nog doen, dan wil de vrouw het niet; of omgekeerd, als de vrouw het wil doen, dan is de man er tegen, er ontstaat twist en tweedracht, — en zoo laat men dan het kind liever loopen, dan het tot den Heere te brengen, en van Hem af te smeeken, dat ook daarin Gods wil gedaan worde. Ook komt er traagheid bij. Het is den meesten veel te veel moeite, zich om deze dingen te bekommeren, en er werk van te maken ; daarom verontschuldigt men zich zoo gaarne met te denken of te zeggen : Zij verstaan het toch nog niet; dat zal later vanzelf wel komen. Men denkt: de boomen groeien ook vanzelf naar boven, naar den hemel, ik kan er niets aan doen! — Ja maar, ik zou u, die zoo spreekt, toch wel eens willen vragen: Als gij een jong en teer vruchtboompje geplant hebt, zult gij het dan niet aan eenen sterken stok vastbinden, opdat het door den stormwind niet te zeer bewogen en zoo heelemaal krom gebogen worde ? Of zult gij dan ook zeggen: Ik kan er niets aan doen? Binden wij dan onze kinderen door gebed en vermaning vast aan Gods "VVoord en waarheid, opdat zij allengskens opwassen en niet door allerlei wind van leer, door allerlei stormen der wereld en inblazingen des duivels heen en weer geslingerd worden. Dat wil God volbrengen door de ouders, en niemand late zich hier afschrikken door hetgeen menschen, of zijne eigene wijsheid, of zijne traagheid en onverschilligheid hem voorhouden, — ook niet daardoor, dat hij bij zijne kinderen geene medewerking vindt en alles vergeefsch schijnt te zijn, aangezien de kinderen naar zijn oordeel dood zijn en dood blijven, en hij niets dan tegenstreven van hen ondervindt Niemand zegge ook: „Och, wat zou ik mijne kinderen kunnen onderwijzen, ik heb zelf niets, ik weet en versta er niets van, zit zelf zoo dood voor het Woord; wat zou ik aan mijue kinderen kunnen vertellen! wie iets wil geven, moet eerst zelf iets bezitten!" — Spreek niet al zoo! Want wat moeder zou, indien hare kinderen honger hadden, niet het laatste stukje brood, als was het nog zoo klein in hare oogen, met hare kinderen deelen ? Zij zou stellig niet zeggen: I k heb zelf niets. Dus zeg niet in uw hart: Ik weet niets, ik versta er niets van. Neem het weiuigje, dat gij bij u vindt uit Gods Woord, en deel het aan uwe kinderen mee, als eene arme moeder, uit uwe armoede, al is het ook niets anders dan: dat de Ileere Jesus de kinderen liefheeft, dat Hij gezegd heeft: „Laat de kinderkens tot Mij komen", dat Hij ze in Zijne armen genomen en gezegend heeft.
Zóó toch lezen wij hier: „Maar J e s u s , dat z i e n d e, n am het zeer k w a l i j k " . Neen, Hij is niet onverschillig, dat moeten wij niet denken. Als vleesch aan Zijne genade hinderpalen in den weg wil leggen, als het dwaze verstand Hem wil voorschrijven, waar Hij Zijne liefde en barmhartigheid zal laten regeeren, en waar niet, dan ontbrandt Zijn toorn, want dat neemt Hij zeer kwalijk Zijn Naam is Jesus, Zaligmaker van zonden, ook voor kinderen. Daarom is Hij immers Zelf een Kindeken geworden, daarom heeft Hij den ganschen kinderlijken leeftijd doorgemaakt, heeft willen liggen onder het moederhart, heeft willen worden een kind van een jaar, enz., zooals wij van Hem lezen: „Hij nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de menschen". Zoo heeft Hij het kinderlijk leven aangenomen en doorgemaakt, omdat Hij ook der kinderen Heiland of Zaligmaker wil zijn, — waarom Hij dan ook zegt: „ L a a t de k i n d e r k e n s tot Mij k o m e n , en v e r h i n d e r t ze n i e t , w a n t d e r z u l k e n is het K o n i n k - r i j k Gods", — derzulken, die zich niets aanmatigen, derzulken, die geene werken hebben en Gode niets kunnen brengen, niets dan zichzelven, zooals zij zijn: in zonden ontvangen en geboren. Zoo brengt de Heere, Hij, Wiens Naam „Jesus" is, terecht, wat de mensch in zijne dwaasheid en verdraaidheid bederven wil of bedorven heeft. En nadat de Heere dit gezegd had, en met deze Zijne woorden Zijne discipelen had weerhouden en de moeders met de kinderen tot Zich getrokken, „ o m v i n g H i j ze", zoo lezen wij, „met Z i j n e armen, en de h a n d e n op hen g e l e g d h e b b e n d e , z e g e n d e H ij d e z e l v e " . Wat ligt er niet al in die eenvoudige woorden: „Hij omving ze met Zijne armen!" De discipelen wilden de kinderkens verre van Hem houden; maar Jesus omving ze met Zijne armen en legde ze zoo aan Zijn hart. Hij heeft dus aan en met hen gedaan, wat geschreven staat in de profetieën van Jesaia: „IIij zal de lammeren in Zijne armen vergaderen", — en wat in het Hooglied wordt gebeden: „Zet mij als eenen zegel op Uw hart, als eenen zegel op Uwen arm". — En ook heeft de Heere Zijne handen op hen gelegd. O, als de zondaar naar Gods bevel zijne handen legt op het lam, of wat voor offerdier het dan ook is, dan legt hij daarmeê al zijne zonde en schuld, al wat zijn is, op dat dier; maar als de Heere Jesus Zijne handen op iemand legt, dan legt Hij daarmeê op dien mensch ook al wat Zijn is, te weten: Zijne gerechtigheid, den vrede met God, het eeuwige leven. En zóó heeft Hij de kinderkens ook gezegend. — Wat wil dat nu zeggen: „Hij zegende hen"? — want wij mogen over zulke woorden niet oppervlakkig of gedachteloos heengaan.
Het woord „zegenen" beteekent in de Grieksche taal, d. i. in de taal, waarin het Nieuwe Testament oorspronkelijk geschreven is: iets goed heeten, goed noemen, hoewel het eigenlijk in zichzelf niet goed is; bijv.: er is een kind ongehoorzaam geweest, het heeft gedaan, wat het niet mocht doen, wat hem verboden was, en nu is het zeer treurig, omdat het vader en moeder door zijne ongehoorzaamheid bedroefd heeft, het belijdt zijne schuld en is niet te troosten; dan zullen de ouders, zijn berouw ziende, tot hem zeggen: „Kom maar hier, gij zijt mijn lieve, beste kind"; zij zullen het dus goed noemen, hoewel het kind heel goed weet, dat het eigenlijk niet goed is.
Een dergelijk geval is het volgende. Een kind van bijv. zes jaren heeft van zijne oudere broeders en zusters afgekeken, hoe men letters maakt, en schrijft nu op een stuk papier: „Lieve papa" met heel kromme letters, ware hanepooten. Laat men dat nu aan den schoolmeester zien, om zoo te zeggen met den maatstaf der wet gemeten te worden, dan zal die zeggen: „Dat is slecht geschreven, dat gaat zoo niet", en er eene streep doorhalen. Maar komt het kind met zijn schrift bij zijnen vader, dan zal deze het met een ander oog bezien dan de schoolmeester en zeggen: „Dat is goed, dat hebt ge werkelijk mooi gedaan", en zal zoo dat leelijke gekrabbel goed noemen. Dat is „zegenen". En dat doet de Heere Jesus nu ook met die kinderkens, die Hij hier met Zijne armen omvangen heeft. En nog meer: dat doet de Heere Jesus ook thans nog aan die kinderen, die door hunne ouders tot den Heiligen Doop worden gebracht, en die de Heere, zij het ook onzichtbaar, nochtans waarachtig met Zijne armen omvangt en aan Zijn Jesus-hart legt; Hij zegent hen, d. i. IIij noemt hen goed Hoewel zij in zonden ontvangen en geboren en van nature kinderen des toorns zijn, beschouwt de Heere hen als goed, als Zijne kinderen, en Zijn oog rust op hen met alle liefde en welgevallen.
In de Hebreeuwsche taal, de taal, waarin het Oude Testament geschreven is, en waarin dus Abraham, Mozes en David, de patriarchen en Profeten gesproken hebben, ligt aan het woord „zegenen" de beteekenis ten grondslag van : met goederen overladen. Eigenlijk hebben wij hier te denken aan eenen kemel, die zich op de knieën nederlaat, en nu met de koopwaren, met allerlei goe leren beladen worlt, mee allerlei schatten, zooals wij van den Heere zingen in Ps 68:
Hij overlaadt ons dag aan dag
Met Zyne gunstbewijzen.
Dat nu heeft de Heere ook gedaan aan deze kinderen, die tot Hem gebracht werden, en dat doet Hij ook aan de kinderkens, die in den Heiligen Doop tot Hem gebracht worden: hen zegenende, noemt Hij ze niet alleen goed, maar Hjj legt ook al Zijne goederen en schatten op hen, overlaadt hen daarmee, schenkt hun Zijne gerechtigheid, Zijne verzoening, den vrede met God, dien Hij aan het kruis heeft verworven, het eeuwige leven, — alle geestelijke zegeningen in den hemel (Ef. 1 : 3), eene onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die voor hen in de hemelen bewaard wordt.
En 's Heeren zegen is een blijvende zegen. Laat ons niet traag zijn, Hem dien gedurig voor te houden voor onszelven en voor onze kinderen. Maar zal des Heeren zegen werkelijk komen, dan wordt ondervonden, dat deze is uitgesproken tegen eenen vloek, die om onze zonden te voren over ons is uitgesproken. Zullen de beloften des Heeren vervuld worden, dan gaat het dus door angst en nood en strijd, — door eenen strijd zooals bij Jakob, die aanhield met het gebed: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent". Brengen wij dus onze kinderen tot den Heere Jesus, in den Doop en het geheele leven door, hetzij door ons vermanen, hetzij door ons gebed, maar gaan wij ook zei ven meê tot den Heere, zooals wij gezien hebben, dat de ouders deden, die de kinderen tot Jesus brachten. En dat zij, die geene kinderen hebben, voor zichzelven tot den Heere gaan, opdat voor allen de belofte vervuld worde: „Mijn Geest, Die op u is, en Mijne woorden, die Ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet wijken, noch van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toe" (Jes. 59 : 21).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 mei 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Overdenking van Markus 10 : 13—16. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 mei 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken