Bekijk het origineel

Aanteekening op Johannes 11:1—32. (le Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekening op Johannes 11:1—32. (le Gedeelte.)

15 minuten leestijd

Vers 1. „ K r a n k . " Krankheid en dood volgen de zonde. Jesus tot zijnen Vriend te hebben, welk een troost in krankheid en tegen den dood! Alles, ook de krankheid, moet dengenen ten goede medewerken, die God liefhebben. En „wat troost schept gij uit het Artikel van het eeuwige leven?" Jes. 53: „Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen". — „ L a z a r u s " beteekent: die van hulp ontbloot is, — want zoo scheen het; zij zonden tot Jesus, maar Hij bleef uit. — „ V l ek v a n M a r i a " , d. i. waar Maria woonde. „ M a r i a " beteekent: hare wederspanniglieid; „ M a r t h a " : medestrijdster. Martha schijnt de oudste, Maria meer bekend geweest te zijn, Lazarus jonger dan de zusters. Dit vlek is hier, uit een historisch oogpunt beschouwd, van meer beteekenis dan Jerusalem.
Vers 2. „ G e z a l f d h e e f t . " Zij was getuige van den dood en de opstanding haars broeders; zij had den dood des Heeren voor oogen en zalfde Hem tot eene voorbereiding voor Zijne begrafenis. Van diepte tot diepte, van heerlijkheid tot heerlijkheid.
Vers 3. „ Z i j n e z u s t e r s dan z o n d e n tot Hem," Liefelijk beeld der zusterliefde. Tot eenen beteren kunnen wij ook niet zenden. — „ Z e g g e n d e " ; dat kunnen wij ook nu nog. — „ H e e r e " . Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde Ps. 103 : 3 en 4. — „ Z i e , d i e n Gij l i e f h e b t ." Daarmede willen zij den Heere prikkelen en drijven, om te komen, doch de Heere heeft allen lief, die de Vader Hem gegeven heeft, en heeft als Heiland geene bijzondere liefde voor iemand; Hij brengt slechts de liefde des Vaders in practijk en heeft ons lief, wijl de Vader ons liefheeft.— „ I s k r a n k . " Weinig wordt de gezondheid des lichaams op prijs gesteld, nog minder de welstand der ziel. Om de eerste roepen 99, als zij haar missen moeten.
Vers 4. „En J e s u s , dat h o o r e n d e , z e i d e " . . . Bij Jesus is steeds een beoogen van verlossing en van de verheerlijking Gods. Dat is ook bij ons, als wij den Geest des geloofs hebben; anders is er bij ons terstond wanhoop, als de nood aan den man komt. Jesus behoeft slechts zoo iets te hooren, om aanstonds genezing te gebieden of verlossing van den dood. — „ D e ze k r a n k h e i d is n i e t t o t d e n d o o d . " Hoe kon dat waar zjjn? Lazarus stierf toch immers? O, het werd waar door den dood, over den dood henen. Is niet nog elke krankheid van de heiligen des Heeren van gelijken aard ? Voorzeker is hunne krankheid geene krankheid tot den eeuwigen dood „Maar t er h e e r l i j k h e i d G o d s , o p d a t de Z o o n G o d s d o o r d e z e l ve v e r h e e r l i j k t w o r d e . " Wordt niet de Zoon Gods door al Zijne heiligen als Heiland geëerd, omdat Hij hen van zonde, krankheid en dood verlost? O, hoe lief heb ik Hem deswege met Zijnen Jesus-Naam, omdat Hij mij zooveel vergeven heeft! Eu heeft niet de verlossing uit allen jammer daartoe gediend, dat het de vreugde mijner ziele blijft, God te loven, Die ons alzoo liefgehad heeft, dat Hij ons Zijnen Zoon gegeven heeft? Mochten wij kinderen Gods het toch verstaan, dat ons vanwege het Verbond, dat wij met God hebben, geen tegenpartijder meer schaden kan, maar veeleer al wat tegeustaat tot den lof van God dienen moet, naardien het alles door Zijne groote barmhartigheid tot ons heil moet strekken.
Vers 5. „ J e s u s nu h a d M a r t h a en h a r e z u s t e r en L a z a r u s l i e f " Dat is het antwoord op het woord der zusters: „dien Gij liefhebt". W i j zouden geschreven hebben: Jeaus nu had Maria en Lazarus en zijne zuster lief. Maria wordt hier niet eenmaal met name genoemd, ofschoon van haar getuigd was: Zij heeft het beste deel gekozen. Jesus heeft •vrijwillig lief en heeft ons niet lief om voorrechten, die wij toch van Hem ontvangen hebben. Zoo doet zich het Woord des Geestes als waarheid Gods kennen.
Vers 6. „Als H i j dan g e h o o r d h a d , dat h i j k r a nk was, toen b l e e f H i j nog twee d a g e n in de p l a a t s, waar H i j was", ter plaatse namelijk, waar Johannes vroeger gedoopt had. Dat schijnt intusschen met zulk eene liefde niet in overeenstemming te zijn. Daar gaat het nu den lieven zusters naar Ps. 42 : 10 en 11. Wordt evenwel bij Habakuk niet van een vertoeven der profetie gesproken ? Het Woord zegt Ps. 27: „Wacht op den Heere, wees sterk, en Hij zal uw harte sterken; ja wacht op den Heere". Maar zie, Hij blijft uit; dat schijnt onbarmhartig. Het is, alsof Hem het zuchten en de smarten niet ter harte gaan. Maar Zijn doen is ter eere Gods. Bij Hem wacht Hij Zijnen tijd, Zijne ure af. Zoo moeten wij dan met Hem volharden; Hij zal niet achterblijven. Het gebed heeft Hij wel verhoord, maar wat het meest ter eere Gods zal zijn, dat gaat bij Hem voor. Wil dan liever berusten: Hij is wel mede in den strijd, al houdt Hij Zich verborgen.
Vers 7. „ D a a r n a zeide H i j verder tot de discipel e n : L a a t ons w e d e r om naar J u d e a g a a n . " Dat was voor Zijne discipelen, alsof Hij zeide: Laten wij eenen zekeren dood te gemoet gaan. De Heere brengt Zijn eigen heengaan tot den Vader in het schoonste verband met het doodsgevaar, waarin Lazarus zich bevond. Vers 8. „De d i s c i p e l e n z e i d e n tot Hem: R a b b i !' wat spreekt Gij daar toch voor vreemde dingen, „de J o d en hebben U nu o n l a n g s g e z o c h t t e s t e e n i g e n , e n g a at Gij wederom d e r w a a r t s ? " Is dat bij U niet een zichzelven den dood berokkenen, als men zich moedwillig in gevaar begeeft? Onlangs zijt Gij hun als door een wonder ontkomen; nu er weder heen te willen gaan, zou toch voorzeker ontijdig zijn. — Zoo heerschen wij over onzen Meester, en kunnen niet anders. Uit onze harten komt onverstand voort, en dat houien wij voor verstand. Gods wijsheid daarentegen houden wij van onszelven voor dwaasheid.
Vers 9, 10. „Jesus a n t w o o r d d e " . . . Ja, het was Jesus, 3e zachtmoedige Jesus, Die zoo antwoordde. Iedere andere meester sou wat anders ten antwoord gegeven hebben. — „ Z i j n er n i e t t w a a l f uren in den dag?" De dag is de roeping en het bevel Gods tot het volbrengen van Zijnen wil, waarbij Hij Zijn licht geeft, opdat wij zulk een bevel en wil erkennen; de twaalf uren zijn de door God bepaalde aanleidingen en gelegenheden om dezen wil te doen. — „ I n d i e n i e m a nd in den dag w a n d e l t " , als iemand den wil Gods doet, „zoo stoot hij zich niet", wordt hij in zijnen loop niet belemmerd en komt elk gevaar te boven, „ o v e r m i t s hij het l i c ht dezer wereld z i e t " , dat is de zon; de wereld heeft geen ander licht; zoo ziet hij God, in Wiens licht wij het licht zien; „ m a a r i n d i e n iemand in den nacht w a n d e l t ", indien iemand zonder de roeping en het bevel Gods handelt, indien hij naar het vleesch wandelt, naar zijnen eigen wil en naar het bedenken des vleesches, „zoo s t o o t h i j z i c h " aan elke hindernis, die op zijnen weg gevonden wordt, en valt er ook over, „ o v e r m i t s het l i c h t in hem niet is"; immers het willen van den raensch, het bedenken des vleesches, heeft God niet bij zich, zoo heeft het dan geen licht in zichzelf, maar het is alles enkel duisternis in het binnenste. — Door zulk eene gelijkenis onderwees de Heere de Zijnen om niet naar vleeschelijke overleggingen te handelen of te wandelen, waar het Gods tijd en ure is, dat Hij ons tot den strijd toerust. Het vleesch denkt echter aldus: Wanneer gij den menschen onomwonden de waarheid Gods zegt, dan maakt gij u vele vijanden, want waarheid wekt haat op; ontwijkt, verzwijgt gij echter de waarheid, zoo wint gij de genegenheid der inenschen. Het vleesch zegt: Geef hier wat toe en herroep, dan kunt gij later nog zooveel te nuttiger werkzaam zijn. Het vleesch wil zichzelf staande houden uit eigenliefde en ten koste der waarheid, en wil den Heere belijden en den wil Gods doen, als er geen gevaar is, onder de vrienden, niet onder de vijanden; want het vleesch heeft de menschen niet lief, maar heeft slechts zichzelf lief en zoekt eigen voordeel. Wie echter zijn leven behouden wil, die zal het verliezen, en wie een vriend der wereld zijn wil, die zal een vijand Gods gesteld worden.
Vers 11. D i t sprak H i j " , en gaf daarmede Zijne bereidwilligheid te verstaan om het werk te voleinden, dat de Vader Hem te doen gegeven had; Hij zou Zich niet stooten aan den steen der allerdiepste vernedering en van den smadelijksten dood des kruises. „En d a a r n a z e i d e H i j tot hen: L a z a r u s, onze v r i e n d " . . . Hij zegt niet: Mijn vriend, maar: onze vriend. Het is alles het mijne, wat het Uwe is, o mijn genadige Heere; Uwe vrienden zijn mijne vrienden. „ V r i e n d " , — toch de vriend des Heeren Jesus en van alle heiligen, ofschoon ik ontslapen beu en in het graf lig. — „Lazarus, onze vriend, s l a a p t " . De Heere Jesus hoort Zijne dooden slapen. — „Maar I k ga h e e n , om hem u i t den s l a a p op te w e k k e n . " Met welke gedachten gaat Hij Zijnen eigenen dood te gemoet, Die daar naar Judea gaat, om eenen doode op te wekken! Letten wij op Deut. 32:39: „Ziet nu, dat Ik, Ik Die ben, en geen God met Mij. Ik dood en maak levend, Ik versla en Ik heel". Vers 12. „ Z i j n e d i s c i p e l e n dan z e i d e n : Heere, i n d i e n h i j s l a a p t , zoo zal h i j g e z o n d w o r d e n . " In de discipelen zien wij ons beeld. Zij hadden het toch al meer beleefd, dat de Heere eenen doode opgewekt had, maar waar zij zichzelven in gevaar zien bij het gaan naar Judea, daar denken zij aan geene opwekking van dooden, daar is de macht des Heeren voor hunne oogen verborgen, als had Hij geene macht. Zij houden dat alles voor nutteloos, wat de Heere wil, ja voor dwaas ; slaapt Lazarus, dan zal hij vanzelf weder gezond, vanzelf weder wakker worden, dan behoeft Gij daarvoor niet naar Judea en behoeven wij er ook niet heen te gaan. Zoo spreken wij en stellen ons aan als een kind, als ons hart alleen bij onze wegen is, en daar heeft de verlossing onzer zielen voor ons geene waarde, of eene ondergeschikte waarde; onze begeerte is bij ons hoofdzaak, en daar meenen wij meer te weten en verstandiger te zijn dan de Heere.
Vers 13. „Doeh J e s u s had g e s p r o k e n van z i j n en dood; maar z i j m e e n d e n , dat H i j sprak v a n d e r u st des s l a a p s . " Bij ons is dood „dood"; voor den Heere echter is de dood der Zijnen niet anders dan een slapen. Wat beteekenen dan voor Hem al onze overige bezwaren, die wij onoverkomelijk achten? Ach, mochten wij toch meer op Hem zien. Die hemel en aarde gemaakt en alles hersteld, wedergebracht heeft.
Vers 14. „ T o e n z e i d e d a n J e s u s t o t h e n v r i j ui t " . . . Hij bestrafte hen niet, Hij ergerde Zich niet aan hunne eigenwijsheid O, mijn geduldige en lankmoedige Heiland en Meester, heb dank, dat Gij niet moede wordt mij te onderrichten. Waarom versta ik Uwe liefelijke beelden niet, die toch zoovol vertroosting zijn, en mij U leeren kennen als den Overwinnaar van dood en graf! - „ L a z a r u s is g e s t o r v e n . " Nu versta ik U eerst; zoo onbewimpeld moet Gij het uitspreken; maar gelukkig dat Gij hier nog meer bijvoegt, anders zou ik niets anders zien dan „dood", zou ik niets meer zien en hooren van U, Die de dood van mijnen en der mijnen dood zijt.
Vers 15. „En Ik ben b l i j d e om u w e n t w i l , d a t Ik d a a r n i e t g e w e e s t b e n , o p d a t g i j g e l o o v e n m o o g t ." Daarom dus heeft de Heere de zusters eenen tijd lang in angst en zorg gelaten, daarom Lazarus laten sterven, opdat ook Zijne jongeren gelooven zouden O mijn Heiland! zoo verheugt Gij U over iedere gelegenheid, die strekken kan, om mij te doen gelooven! Gij verblijdt U om al de Uwen, ook dan, wanneer het U niet tot blijdschap kan zijn, bij enkelen der Uwen in het bijzonder het water tot aan de lippen te doen komen. In alles hebt Gij aller geloof, aller gemeenschappelijke blijdschap op het oog, en slechts daarin stelt Gij Uwe vreugde. — „ L a a t o n s t o t h em g a a n " , d. i. tot den gestorvene.
Vers 16. „T h o m a s d a n , g e n a a m d D i d y m u s (tweeling), z e i d e " . . . . Ik beschouw mijzelven voor God als eenen tweeling, en zoo weet ik menigmaal niet, of ik, dan wel mijn broeder, van vader Adams zijde ongeloovige of twijfelaar heet. — „ T o t z i j n e m e d e d i s c i p e l e n " , — welke eene oproerige gezindheid! — „ L a a t ons ook g a a n , o p d a t w i j met H e m s t e r v e n " , — als Hij dan toch, doof voor al onze vermaningen, den dood in de kaken wil loopen. Het is dus mogelijk, dat Hij Lazarus kan opwekken, ja, dat Hij het doen zal, mijne ziel, maar meer kan Hij dan ook niet doen, en zoo zijn wij dan allen dood, als Hij dat gedaan heeft, — Hij dood en wij ook dood.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 juli 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Aanteekening op Johannes 11:1—32. (le Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 juli 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken