Bekijk het origineel

Het getuigenis van den Heere Jesus aangaande Johannes den Dooper en de gezindheid des vleesches ten aanzien van het Koninkrijk der hemeleD, (Mattheüs 11 : 11 en 12.) (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het getuigenis van den Heere Jesus aangaande Johannes den Dooper en de gezindheid des vleesches ten aanzien van het Koninkrijk der hemeleD, (Mattheüs 11 : 11 en 12.) (Slot.)

11 minuten leestijd

„Voorwaar zeg Ik u: Onder degenen, die van vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Dooper; doch die de minste ia in het Koninkrijk der hemelen, ia meerder dan hij. En van de dagen van Johannes den Dooper tot nu toe wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen het met geweld."

„En van de d a g e n van J o h a n n e s den D o o p er t o t nu toe w o r d t het K o n i n k r i j k der h e m e l en g e w e l d a a n g e d a a n , en de g e w e l d i g e r s n e m e n hetz e l v e met g e w e l d " (Ys. 12).
Laat ons, deze uitspraak des Heeren Jesus overwegende, acht slaan op de g e z i n d h e i d , zooals deze in het algemeen t o e u was, en zooals zij h e d e n zich openbaart t e n aanz i e n v a n h e t K o n i n k r i j k der h e m e l e n.
Hoe was zij i n de d a g e n v a n de p r e d i k i n g van J o h a n n e s , als hij vermaande tot berouw over de zonden, tot bekeering en geloof? Hoe was zij, als de Christus Zelf onder het volk optrad als de Leeraar der gerechtigheid, de wijsheid en de kracht Gods? O, waarlijk geene gunstige en welwillende. Het Koninkrijk der hemelen werd geweld aangedaan Dat is toch geene gunstige ontvangst, als het Koninkrijk der hemelen geweld geschiedt! Vele uitleggers hebben onder de geweldigers, die het met geweld nemen, willen verstaan, dat het diegenen waren, die in worstelingen der ziel, in ijverig gebed en smeekingen streden om het bezit van het Koninkrijk der hemelen, en zij hebben dat „geweld aandoen" vergeleken bij het worstelen van den aartsvader Jakob en zijn zeggen: „Heere, ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent!" Maar deze verklaring is zóó in strijd met de beteekenis der woorden en met hetgeen de Heere Jesus verder zegt, dat zij onmogelijk juist kan wezen. Ook de aard des gebeds en het zoeken van het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid is geheel in tegenspraak met een geweld oefenen. De woorden zelve duiden veeleer heen op dieven en moordenaars, die met geweld inbreken, die niet ingaan door de deur, maar van elders in klimmen; en het vervolg van 'a Heeren spreken, dat eene bestraffing is van de gezindheid van het toen levend geslacht, dat èn Johannes den Dooper èn den Heere Jesus Zeiven smaadde en lasterde, geelt duidelijk te kennen, dat hier geen sprake is van welwillende begroeting van het Koninkrijk der hemelen. Yoorts, het gebed, — zij het ook, zooals de Apostel Jakobus schrijft, een krachtig gebed des rechtvaardigen, dat veel vermag, gelijk dit van den Profeet Elia getuigd wordt, — draagt toch nooit een aanmatigend, indringend karakter, integendeel, de kracht des gebeds is deze: dat wij in onze machteloosheid aangrijpen de sterkte Gods, dat wij roepen en schreien uit diepen, diepen nood. Bovendien, het staat volgens de Heilige Schrift — ook naar Jesus' getuigenis in Yers 25 en 26 — vast, dat het binnenkomen in het Koninkrijk der hemelen niet eenigerwijze afhangt van ons willen en loopen, maar uitsluitend van de ontferming Gods. Neen, met werken, gebeden, tranen, af wat ook van ons, bereiden wij ons den ingang niet. Het is en blijft een vrij geschenk der eeuwige liefde Gods. Van ons zalig worden zal alleen de Heere Heere de eer en den roem hebben. Daarvan zal alleen dit woord gelden: „Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme" (Ef. 2).
Als dus de Heere Jesus hier spreekt van geweld oefenen, zoo hebben wij dit te verstaan van de aanmatiging der eigengerechtigheid, waarmede de Schriftgeleerden en Farizeën zich verhieven tegen de eeuwige waarheid en gerechtigheid Gods en zich opmaakten tegen den Heere en Zijnen Gezalfde. Doordat Johannes de Dooper vervolgd en de Heere Jesus verworpen, werd, werd het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan.
Do geweldigen dus, die dit Koninkrijk met geweld namen, waren do Schriftgeleerden en Farizeën. En wij zien ons dit hun doen door den Heere voorgesteld in de gelijkenis van de laudlieden in den wijngaard, die, nadat zij de dienstknechten van hunnen heer geslagen en gedood hadden, ook den erfgenaam buiten den wijngaard wierpen en doodden, en zeiden: „Nu is de wijngaard ons". Hun geweld oefenen bestond dus daarin, dat zij zich als do wettige bezitters en burgers van het Koninkrijk der hemelen aanzagen, terwijl zij evenwel den raad Gods tot hunne zaligheid verwierpen. Zij beroemden zich wel Abrahams zaad te zijn, maar wandelden niet in zijne voetstappen; meenende rechtvaardig te zijn en heilig, geloofden zij noch het getuigenis van Johannes den Dooper, noch van Christus; zij hadden geene genade noodig; zij hielden zich voor veel beter dan de tollenaars en zondaars Zij wilden zonder waarachtige bekeering ten leven ingaan ; zij wilden ingaan op den breeden weg en door de wijde poort der eigengerechtigheid en goddeloosheid. Zij matigden zich het burgerschap des Hemelrijks aan, zonder God de eere te geven, dat Hij het alléén is, Die zalig maakt, wien Hij wil, uit louter genade, zonder 's menschen werk of verdienste. Ja, zij beriepen zich op de Wet, maar zij gingen naar willekeur met haar om; zij lieten het zwaarste der Wet, nml het oordeel, de barmhartigheid en het geloof, na; en toch moest hunne gerechtigheid gelden, hunne vroomheid geëerd worden. Naar hunne meening kwam hun de eerste plaats in het Koninkrijk der hemelen toe. En zoo droegen zij de borst hoog en waren de wijze leidslieden des volks, die boven allen geacht en geëerd moesten worden. Intusschen waren zij blinde leidslieden, die zeiven het Koninkrijk Gods niet ingingen en anderen verhinderden om in te gaan. Werd dus hun handel en wandel niet met recht een aanmatigend doen, een met geweld nemen van het Koninkrijk der hemelen genoemd? — Derhalve toen, in die dagen, was de gezindheid ten opzichte van het Koninkrijk Gods eene afkeerige, in welke openbaar werd de v i j a n d - s c h a p en h a a t des v l e e s c h e s j e g e n s de w a a r h e id e n g e r e c h t i g h e i d Gods.
En nu h e d e n t e n d a g e , hoe is de gezindheid van de tegenwoordige eeuw ten aanzien van het Koninkrijk der hemelen? De met Vers 12 gelijkluidende plaats in het Evangelie van Lukas (16: 16): „De Wet en de Profeten zijn tot op Johannes; van dien tijd af wordt het Koninkrijk Gods verkondigd, en e e n i e g e l i j k doet geweld op hetzelve", predikt ons, dat het farizeïsme van nature aller menschen gezindheid is. Ook heden openbaart zich evenzeer de aanmatiging der eigengerechtigheid, zoowel als de wandel der ongerechtigheid. De farizeër zit in ons aller hart. Van nature wil niemand het Koninkrijk der hemelen om niet ingaan en alzoo uit louter genade, alléén om de verdiensten van Christus, zalig worden. Daartegen druischt ons hoogmoedig bestaan geheel en al in. Den hemel bestormen door eigene kracht, zich eene plaats in het Godsrijk verwerven door eigene wijsheid en gerechtigheid, dat is het doen van alle vleesch. Gods Woord aan ons oordeel onderwerpen, naar ons inzicht uitleggen, wet eu genade met elkander vermengen, naar ons zedenbegrip zelf het goede en kwade bepalen, dat is naar de leering van de wijsheid der wereld In plaats van te bidden en te volharden in het gebed: „Uw Koninklijk kome!" is er een ijveren en werken, een zwoegen en slaven der eigene kracht, om voor zichzelven en anderen het Rijk Gods in te nemen en te overwinnen ter eigene eere. Werken en nogmaals werken voor het Koninkrijk Gods, dat is de leuze van de groote menigte der Christenen onzer eeuw, en die het meeste gearbeid of het meeste geld geofferd heefr, die is de grootste. En wie niet meedoet, moet een achterblijver, een bekrompen of lijdelijk Christen heeten. Intusschen, van dezen zuurdeeaem zijn wij allen doortrokken, want geheel en alléén door genade behouden en gezaligd te worden, te gelooven, dat het Koninkrijk Gods zonder ons, ja tegen ons komt, — dat wil het vleesch, dat wil de wereld niet; dat kunnen wij, als wij het ook al geleerd hebben, nochtans moeielijk vasthouden. Door de poorten onzer sterkte en wijsheid, langs de wegen van onze heiligheid en vroomheid willen wij den hemel binnengaan, en niet door de enge poort en den nauwen weg, welke is: C h r i s t u s a l l e e n en g e h e e l , door het geloof aangenomen.
Wèl ons, zoo wij dit erkennen en met een verbroken hart voor God belijden. Wèl ons, als wij het den Heere klagen : „Die farizeesche gezindheid is de mijne, die goddelooze, eigengerechtige ben ik". In dien weg zullen wij er toe gekomen zijn, onze aanmatiging, onzen hoogmoed der eigengerechtigheid af te leggen, en wij zullen bekennen, dat wij goddeloozen zijn voor God, geheel onwaardigen en vloekwaardigen, die niet de minste aanspraak hebben op Zijn Koninkrijk. In dien weg zullen wij bedelaars worden aan den troon der genade, die uit de diepste armoede klagen en vragen om een kruimken van het brood des hemels. Dan is er een roepen uit den nood der verlorenheid tot den almachtigen Heiland en Behouder onzer zielen, zoo voor onszelven als voor degenen, met wie de Heere ons te zamen brengt. En dan leeft de bede: „Heere! Uw Koninkrijk kome!" in het hart, zoo voor land en volk als voor onszelven en voor onze kin'deren. En bij het lezen van zoo ernstige en bestraffende woorden, als de Heere Jesus op deze plaats spreekt, is dit de toepassing op onszelven. Er is een klein-zijn, verbrokenheid des harten, zwakheid en machteloosheid, zelfveroordeeling en hartgrondige verootmoediging door den Heiligen Geest; en zóó juist wordt in de harten van arme zondaars de weg gebaand voor den intocht van den Heere Jesus Christus, den Koning van het Rijk Gods. Ja, zóó wordt Hij verheerlijkt en de Yader, Die Hem gezonden heeft.
Zie, daar ligt een mensch terneder, afgemat en afgesloofd door al het eigen werken ter zaligheid; hjj kan niet meer voort, hij is met al zijne wijsheid en eigene gerechtigheid te schande geworden; radeloos en reddeloos zucht hij: Ach! het is met mij verloren. Neen, hij vindt geenen troost, geene hulp noch raad bij de harde en hooge Farizeën en Schriftgeleerden. Yan waar zal hem heil komen ? . . . . Daar hoort hij eene stem, eene liefelijke, bemoedigende, machtige en heerlijke stem! Het is de Heere Jesus Christus, Die roept en vriendelijk noodigt: „Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belatt zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uwe zielen. Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht".
Wie dan aldus vermoeid en belast is, afgetobd door al het zelf werken, beladen met zonde en schuld, die geve acht op die noodiging des Heeren Jesus Christus; die mag ophouden met al zijn werk, en rusten in en bij Hem, Die ons het Koninkrijk der hemelen ontsloten beeft door Zijn werk. Hij kwam op aarde, om alle gerechtigheid te vervullen, ora het werk Zijns Vaders, het teweegbrengen van de zaligheid van verlorenen, te volvoeren. „Het is volbracht!" zoo riep Hij aan Zijn kruis op Golgotha uit. Hij is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. En Hij leeft in alle eeuwigheid, en heeft Zijnen Heiligen Geest in de Gemeente gezonden. Die ons op Zijn „het is v o l b r a c h t h e t „amen" des geloofs leert uitspreken, en Hem, onzen God en Zaligmaker, te prijzen en te loven, zeggende: „Hem is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in alle eeuwigheid".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 augustus 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Het getuigenis van den Heere Jesus aangaande Johannes den Dooper en de gezindheid des vleesches ten aanzien van het Koninkrijk der hemeleD, (Mattheüs 11 : 11 en 12.) (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 augustus 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken