Bekijk het origineel

Betrachting over Spreuken 4:11—13 en 23,

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Spreuken 4:11—13 en 23,

20 minuten leestijd

„ l k onderwijs u in den weg der wijsheid, Ik doe u treden in de rechte sporen. In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen. Grijp de t u c h t aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven. — Behoed nw hart boveu al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens."

De ware wijsheid bestaat daarin, dat wij weten, welk eenen God wij hebben, en wat voor menschen wij zijn. — Vele Christenen bevinden zich op eenen vreeselijken dwaalweg, eenen weg, waarop men zich den „Hcere Jesus", zooals men hem noemt, echter niet d i e n Jesus, Dien de Apostelen gepredikt hebben, als zijn ideaal voorstelt, of liever zich hoofd en hart daarmee laat opvullen, en daarbij den levenden God vergeet. — Het verwondert mij dikwijls, dat er zoo vele Christenen kunnen zijn, die den Naam Jesus kennen en in den mond hebben, en die toch ontbloot zijn van alle waarachtige vreeze Gods in leven en wandel. Het is zeker, dat juist diegenen, die vóór anderen leeraars willen zijn, van noode zouden hebben, om wederom te beginnen met het spellen der eerste letters: „Die tot God komt, moet g e l o o v e n ', — gelooven, „dat H i j i s , en een Relooner is dergenen, die Hem zoeken".God kunnen wij eigenlijk niet beschrijven, wij kunnen niet zeggen, Wie en hoe Hij is; maar dit kunnen wij van Hem weten: wat Hij voor ons is, en dat Hij te vreezen is. Hij is het, Die den hemel en de aarde heeft gemaakt; Hij is het, Die ook ons heeft geschapen, en daar Hij ons geschapen heeft, zijn wij in Hem gehouden, Hem te eeren, Hem te vreezen, Hem te gehoorzamen, Hem lief te hebben van ganscher harte, van ganschen gemoede en met alle krachten. In Hem leven wij, in Hem bewegen wij ons en zijn wij. Wij zijn elk oogenblik met ons leven, met ons verstand, met onze gezondheid, met ons doorkomen door deze wereld geheel afhankelijk van Hem. Wil Hij, zoo breekt Hij den staf des broods; wil Hij, zoo slaat Hij u met krankheid; wil Hij, zoo zegt Hij: Keer weder, o mensch, tot het stof, waaruit gij genomen zijt.
Omdat deze God ons gemaakt heeft, omdat Hij onze Souverein en Koning is, heeft Hij het volste recht, van ons te eischen, dat wij Hem eeren, dat wy Hem vreezen, Hem gehoorzamen, Hem liet hebben; Hij heeft alle recht, van ons te verlangen, dat wij blijven in Zijn Woord, in Zijne wegen, dat wij verafschuwen en veroordeelen den weg der goddeloosheid en alle zonde. Wij moeten echter niet meenen, dat wij er den Heere God eenige gunst en liefde meê bewijzen, als wij in de vreeze Gods wandelen. Daarvan heeft de Algenoegzame geen voordeel. Hij is te groot, dan dat een mensch Hem eer zou kunnen brengen; dat kun geen engel Zijne Majesteit is hooger dan de hemelen. Zijt gij vroom, zoo zijt gij vroom voor uzelven, opdat het u welga. Zijt gij goddeloos, zoo verwacht de straf. Blijft gij in Gods wegen en geboden, gij doet het voor uw eigen best, gij hebt er zelf voordeel van. Verlaat gij Zijnen weg, gij zult daarvan ook de vruchten oogsten.
En deze God, Wiens Majesteit alles te boven gaat, is de Bron van alle goed, alle heil, alle leven. Wat voordeel heeft Hij er van, dat Hij u het leven gaf, het leven liet? dat Hij u de gezondheid gaf, de gezondheid liet ? dat Hij u gaf den wensch uws harten? Hij kent ons wel. Geschapen heeft Hij ons in Zijn beeld en naar Zijne gelijkenis, opdat wij Hem, onzen Schepper en Weldoener, zooals de Catechismus zegt, recht kennen en van harte liefhebben zouden. Geschapen heeft Hij ons, opdat wij in eeuwige zaligheid met Hem zouden leven; geschapen heeft Hij ons tot lof en prijs Zijns Naams, opdat wij eeuwig, eeuwig overvloedige blijdschap voor Zijn Aangezicht zouden hebben, en lieflijkheid aan Zijne Rechterhand. (Vr. 6.) Maar dat alles verhoogt Hem niet, het maakt den grooten God niet grooter, het maakt dezen oceaan van alle goed niet voller! En deze God, — wordt Hij gevreesd? wordt Hij gekend? heeft men Hem van harte lief? Wordt het doel, waartoe Hjj ons schiep, met dankbaarheid erkend: dat wij in eeuwige zaligheid met Hem zouden leven, om Hem te loven en te prijzen ? — O, God achtervolgt ons zoo met Zijne goedertierenheid, met Zijne wonderbare lankmoedigheid! Hij achtervolgt ons zoo, week aan week, met weldaden, met uitredding, met allerlei uitkomst, Zondag op Zondag met Zijn dierbaar Woord ! O mensch, kunt gij nu goed uit uwe oogen zien? Kijk eens goed naar de zon, en zie, of zij u niet spoedig zal verblinden! Zie uwen God eens aan, vóór alles, door uzelven te beschouwen, door na te gaan, welk eene wonderbare schepping Zijner macht en wijsheid gij zijt! Zie dezen God eens aan, door uzelven te beschouwen, door na te gaan, hoe God u heeft doen geboren worden, hoe God u als kind heeft verzorgd, hoe Hij u ouders heeft gegeven, die u Zijn Woord voorhielden, hoe Hij u op de catechisatie in de goede leer deed onderwijzen ; hoe Hij u werk of eenen werkkring gaf, u de gezondheid liet, u weder oprichtte, toen gij ziek en den dood nabij waart, hoe Hij tegen de koude het dak uwer woning met sneeuw bedekte, hoe Hij de zon eiken straf? achtervolgt Hij u niet ook met Zijne uitspraak: „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het Boek der Wet, om da t te doen" ? — Er is immers een geweten, dat den mensch bestraft en overtuigt Of men het geweten ook als met een brandijzer dichtschroeit, men kan het toch niet zoo op den mond slaan, dat het voor altijd zwijgt! Deze God zegt het u, wanneer uw geweten het u zegt: Ik zal uwe zonde en uwe ongehoorzaamheid straffen! Ja, Ik ben wel barmhartig, maar Ik zou onbarmhartig zijn, indien Ik niet alzóó rechtvaardig was, dat Ik de zonde, die gij tegen Mijne allerhoogste Majesteit hebt bedreven, 6trafte inet eeuwige straf aan lichaam en ziel, tenzij gij u bekeert!
Het ia het begin der wijsheid, wel te verstaan en ter harte te nemen, dat deze groote God, deze hooge Majesteit, niet liegt, niet veranderlijk is, dat men deze Majesteit met geene huichelarij kan bedriegen, dat men haar ook niet kan oinkoopen, dat men haar met geene geschenken en werken van eigene vroomheid kan bevredigen, maar dat hetgeen uit Gods mond is uitgegaan, komt, zoowel het loon als de straf; de straf moge eene wijle, j a eenen langen tijd uitblijven, zij komt ten laatste slechts te spoediger, slechts te schrikkelijker.morgen liet opgaan, — hoe God komt, u achtervolgt en Zich als het ware de voeten doorloopt, om u te bezweren, toch Zijne wijsheid hoog te achten! om u te verzekeren, dat gjj niet te schande zult worden, maar dat Hij u tot eere wil brengen, zoo gij Zijne wijsheid aanneemt! hoe God u bestendig nagaat en u toeroept: O kind, neem toch aan! neem toch aan wijsheid en verstand, en werp die slechte dingen weg!
Zult gij nu erkennen, dat God groot is? Deze God nu heeft gezegd : Ik heb u wel gekend, Ik heb geweten, dat gij van den buik aan een overtreder zoudt zijn! — wat Ik doe, dat doe Ik om Mjjns Naams wil. Dat is het begin der wijsheid: God te kennen in datgene, wat Hij voor ons is. En deze God, Die zoo lankmoedig is, dezelfde God, Die u zoo achtervolgt met Zijne goedertierenheid, — achtervolgt Hij u niet ook met Zijnen ernst? achtervolgt Hij u niet ook met de bedreiging Zijner
Waar deze kennis Gods niet is, daar spreke toch niemand van den Heere Jesus, want daar is deze Naam enkel ijdelheid en leugen; want Jesus is zulk Een, Die Koning is over het huis Jakobs, dat is: over degenen, die met God worstelen. En nu is d a t het begin der wijsheid, dat de mensch erkent, wat hij is, dat hij „mensch" is, dat wil zeggen: dat hij geneigd is tot alle kwaad, gelijk ons de Catechismus leert, dat wij ganschelijk onbekwaam zijn tot eenig goed, tenzij wij door den Geest Gods wedergeboren zijn. Daar gaat men evenwel licht over heen. Als men zoo eenige kennis van de waarheid bij elkaar geraapt heeft, houdt men zich terstond voor wedergeboren en bekeerd. Als men het geringste gevoel van zonde heeft gekregen, zich vervolgens zelf eenen troost gezocht en gevonden heeft, en ter kerk en aan het heilig Avondmaal gaat, dan houdt men dit voor kenteekenen van bekeering; maar kan men zijnen eigenen wil niet doorzetten en zijnen lust niet volgen, dan verlaat men Kerk en Gemeente, gaat zijnen eigenen weg, verlaat het goede Woord, en houdt zich toch voor bekeerd Dat men dat toch eens goed in zijn hart bewaarde: is de mensch wedergeboren en bekeerd, dan hangt bij hem alles eenig en alleen af van vrije genade en ontferming: doch dezelfde mensch ondervindt nu tot zijne smart des te schrikkelijker, dat hij uit zichzelven tot alle boosheid geneigd en tot alle goed onbekwaam is.
Het begin der wijsheid is dus, zichzelven recht te kennen, zoodat men het wel begrijpt en verstaat: als de genade mij een oogenblik loslaat, ben ik eene prooi des duivels. Dat een mensch dus zich niet verlate op zijnen weg, op zijn hart, op zijne goede gezindheid, op zijne bekwaamheid, en al wat liij is, heeft en doet, maar waarlijk wete en onthoude, wat hij is. — Het verontschuldigt ons niet, dat wij reeds in Adam door de verleiding des duivels en moedwillige ongehoorzaamheid zoo vergiftigd zijn, neen, dat is juist onze schuld. God heeft ons alzoo geschapen, dat wij konden doen, wat God in Zijne Wet van ons eischt; zoo is het dan bij ons moedwillige ongehoorzaamheid. Als wij ons nu onbekwaam hebben gemaakt, geldt dit niet voor God, maar rust juist daarom eene eeuwige schuld op ons.
En nu, o mensch! hoe vaak wordt het vernomen: „Wijk van mij! aan de kennis Uwer wegen heb ik geenen lust! blijf tehuis met Uw Woord en gebod! blijf tehuis met al wat Gij mij wilt leeren van mijnen waren plicht! ik wil doen, wat de duivel wil en mij ingeeft! ik wil doen, wat de wereld van mij verlangt!" En het arme, arme hart treedt het gebod der hoogste Majesteit met voeten en slaat den Heere God in het heilig Aangezicht — Of vanwaar al die werken des duivels ? of vanwaar al die verkeerdheid ? AVilt gij u misschien verontschuldigen met te zeggen: Ik ben nu eenmaal zoo ? Nu, ga er dan meê voort, totdat gij voor uwen Rechter zult verschenen zijn! Komt niet al uwe verkeerdheid en duivelarij daarvandaan, dat er geene vreeze Gods in het harte is? — Deze erkentenis zij der• halve bij ons: „Ach, geene vreeze Gods is bij mij, en toch is God mij zoo goed!" — dan zal de vreeze Gods wel komen, — „ach, daar heb ik mij weder, en weder, en weder er op betrapt, dat er geene vreeze Gods in mij is, en God is mij zoo trouwelijk nabij, en heeft mij zelfs verhinderd te zondigen, anders zou ik het toch hebben gedaan! Ach, geene vreeze Gods is in mij! ik heb mij door eigen schuld in den grootsten nood gestort, heb mij in dezen strik der goddeloosheid geworpen, mijn voet is daarin zoozeer verstrikt, en toch laat God mij nog niet sterven, Hij geeft mij nog, dat ik kan roepen, Hij strekt Zijne hand uit over den afgrond en verlost mij!"
Eerst de geboden! nog eens: eerst de geboden! nogmaals: eerst de geboden —: „God sprak al deze woorden". Zijt gij daaronder verbrijzeld, in waarheid verbrijzeld, zoodat gij uwe huichelarij, uwen waan van eigene gerechtigheid en eigene heiligheid, het lasteren des naasten bij uzelven veroordeelt en komt als een, die schuldig staat aan al deze geboden Gods, dan willen wij spreken over den Heere Jesus en van hetgeen in Hem is Den Heere Jesus wil men echter wel, maar niet Gods geboden, en daar maakt inen zich dan in het zoogenaamde Christendom, waarbij men van God niets weet, allerlei geboden, volbrengt deze geboden tot op zekere hoogte, maar naar Gods gebod wordt niet gevraagd. Evenwel moet eerst Gods gebod in het hart wonen, in het hart van kinderen en in het hart van volwassenen, opdat men beginne te vreezen voor de Majesteit van den allerhoogsten God Dan. dan krimpt het hart ineen van schrik, zoo vaak men zich bevindt op den weg der dwaasheid; dan krimpt het hart ineen van schrik, zoo vaak de weg der wijsheid is verlaten en men den weg der dwaasheid weder heeft ingeslagen.
Waar dan nu de mensch zoo verloren ternederligt en zoo blind is geworden, dat hij geenen uitweg meer weet, daar komt God in Zijne barmhartigheid en genade met Zijnen lieven Zoon Christus en zegt bijv. wat wij Spr. 4 : 1 1 — 13 en 23 lezen, waarvan wij allereerst deze woorden overwegen: „I k o n d e r w i j s u in den weg der w i j s h e i d , Ik d o eu t r e d e n in de r e c h t e s p o r e n !"
Er zijn dus twee wegen: een weg der dwaasheid en een weg der wijsheid; er zijn dus tweeërlei sporen: verkeerde sporen en rechte sporen. Den weg der wijsheid betreedt gij uit uzelven nooit of nimmer; dezen weg schuwt gij en houdt gij voor dwaasheid. Al bezat gij ook de wijsheid van Salomo, zoo zoudt gjj toch dezen weg voor dwaasheid houdenik ben blind! leid Gij mij! opdat ik op den weg der wijsheid kom en behouden blijf! — Wat is de weg der wijsheid ? Ik kan de wijsheid dikwijls niet onderscheiden. Wat zijn de rechte sporen? Ik zie het rechte daarvan dikwijls niet! Dat ik toch mijne kennis van goed en kwaad mocht prijsgeven, en ik geleid werd aan de hand der hoogste Majesteit, aan de hand van den God, Die hemel en aarde gemaakt heeft.Hebt gij echter uzelven leeren kennen en de Majesteit Gods, dan zult gij u voor Hem in het stof buigen en zeggen: O God, ik ben blind! leid Gij mij! opdat ik op den weg der wijsheid kom en behouden blijf! — Wat is de weg der wijsheid ? Ik kan de wijsheid dikwijls niet onderscheiden. Wat zijn de rechte sporen? Ik zie het rechte daarvan dikwijls niet! Dat ik toch mijne kennis van goed en kwaad mocht prijsgeven, en ik geleid werd aan de hand der hoogste Majesteit, aan de hand van den God, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
Wat is wijsheid ? Dat is wijsheid, dat alles zoo geschiede en gedaan worde, dat het einde goed zij, dat begin en midden zoo zij, dat men tot het doel komt, waartoe men gaarne zou komen, dat een mensch in waarheid behouden worde, naar lichaam en ziel, dat het hem in waarheid welga, dat hij een goed geweten hebbe voor God en menschen, dat hij in waarheid eerlijk — want dat duurt het langst, — voor God en menschen wandele, dus God vreeze en bij Zijne geboden blijve.
Dezen weg loopen wij niet Wij kunnen hem niet inslaan, want wij houden hem zoo lang voor eenen verkeerden, tot wij erkennen, dat wij verkeerd zijn, en niet de weg! tot wij erkennen: „Mijn God, in welk een ongeluk zou ik mij op mijnen eigen weg gestort hebben! in welk eenen nood, in welk eenen afgrond zou ik geraakt zijn! Dan komt het tot het gebed: „Onderwijs Gij mij, leid Gij mij, opdat ik den weg der wijsheid, den weg üwer geboden kenne! opdat ik in Christus moge gevonden worden!" En daar komt dan God en zegt: „Ik onderwijs u in den weg der wijsheid, Ik doe u treden in de rechte sporen".
Aan dit „doen treden" is eene wonderbare, liefelijke belofte verbonden: „In uw gaan zal uw tred n i e t b e n a u wd w o r d e n " . Ga den weg der dwaasheid, den verkeerden weg, zoo zal uw tred zekerlijk benauwd worden en gij zult struikelen op den weg der verkeerdheid. Daarentegen, waar God in den weg der wijsheid onderwijst en in de rechte sporen doet treden, daar gaat het ongetwijfeld goed. God legt u wel is waar eenen last op, maar Hij helpt u ook. Bekeerd, of onbekeerd, — de weg gaat door de ellende, door duizendvoudige ellende heen. Alle goddeloozen mogen den tijd verdartelen en zich van het eene genoegen in het andere storten, benauwd is en blijft hun tred; en zoo moet ook uw tred steeds benauwd zijn, tenzij er vreeze Gods zij. — Een doornig pad is de weg, een weg vol moeite, — dat is het lot aller menschen; maar benauwd kan uw tred toch niet worden, dat belooft God; want Hij geeft verkwikkingen meê op den weg, Hjj geeft psalmen in den nacht, Hij maakt, dat uw hart omgord wordt met geloof, dat uw hart licht wordt door Zijnen almachtigen troost, waarmee Hij troost in Christus Jesus. Waar dus de Heere u onderwijst en uwe schreden leidt, kan uw tred niet benauwd worden.
Doch op dezen weg des levens verstaat gij niet altijd het woord: „Wie gelooft, die zal niet haasten", maar doet gij altijd verkeerd: waar gij moest loopen, talmt gij; waar gij daarentegen wachten moest, gaat gij loopen! Ieder oogenblik rukt gij u los van de hand des Vaders, en steeds zit de helhond u op de hielen! Arm kind! gij verstaat het niet, te loopen, en toch wilt gij gaan! God ontferme Zich over u! Als Hij Zich uwer ontfermt, dan moge uw weg dikwijls als toegemuurd zijn en er duizend steenen des aanstoots op liggen, toch zult gij er niet over vallen en armen en beenen breken. Neen, voorzeker niet! wanneer God almachtig u onderwijst en uwe schreden leidt, dan moogt gij al onvoorzichtig loopen, — Hij zal met 251 Zijne genade en barmhartigheid over u waken, zoodat gij als door een wonder over de steenen des aanstoots heen komt, zonder te vallen, ja zonder te struikelen — : „ I n d i e n g i j l o o p t, g i j z u l t n i e t s t r u i k e l e n ".
Dat is dus de schoone vrucht, wanneer gij u tot God bekeert en voor Zijne Majesteit belijdt: „God, ik weet den weg niet! ik ga op verkeerde wegen! ontferm U mijner en leid mij!" En waar men dan de goede keuze doet en het besluit neemt: „Welaan, duivel, daar hebt gij mijne dwaasheid! ik wil de wijsheid en het verstand als mijn hoogste goed en heil en als mjjn eenig verlangen aangrijpen", — waar iemand zoo de tucht aangrijpt en er niet van aflaat, maar ze bewaart, die bewaart daarin zijn eigen leven, want zoo lezen wij hier: „ G r i j p de t u c h t aan, l a a t n i e t af; b e w a a r ze, want z i j is uw leven" . Op den weg Gods is de dood niet, maar daar is uw leven, daar is de gezondheid, daar is uw goede naam, daar is een eerlijk doorkomen, daar is het „van God gezegend zijn", zoodat men eene goede, brave huisvrouw en deugdzame kinderen krijgt, dat het huis gebouwd wordt, al zijn ook alle duivelen er op uit, het te verwoesten; dat men rust heeft in de ziel trots alle onrust, dat men vrede gevonden heeft in de gerechtigheid des geloofs in Christus; dat men God tot zijne toevlucht heeft; en, wanneer men oud en krank geworden is, dat men den Psalm der jeugd niet vergeet en eindelijk de voeten uitstrekt en zegt: „Op Uwe Zaligheid wacht ik, Heere!" en in vrede van hier gaat.
Dit leven is in de tucht Gods. Deze tucht hebt gij niet in uwe hand of macht. Maar wilt gij goede dagen zien, zal het u bij al uw lijden nochtans welgaan, wilt gij ervaren, dat God alles wonderbaar geeft en u ten laatste zalig maakt, zoo heb de tucht aangegrepen en bewaar ze, heb ze geleerd in uwe jonge jaren! Ach, zoo schrikkelijk veel, dat over eenen mensch komt, van waar komt het, zoo niet daarvan, dat men de tucht niet aangegrepen heeft, toen men jong was, maar den duivel geloofd heeft, dat men de tucht niet bewaard heeft, maar ze heeft prijsgegeven voor zijne begeerte! — GodsWoord echter staat vast, en wie de tucht aangegrepen heeft en ze bewaart, zal midden in zijne ellende nochtans goede dagen zien, en het ervaren, dat God de Heere het huis der goddeloozen gewisselijk doet instorten, maar het huis der rechtvaardigen, al ware het nog zoo klein, in eere houdt en het zegent met eenen zegen, dien paleizen niet kennen.
Daarom: „Behoed uw h a r t boven al wat te bewaren is, want d a a r u i t z i j n de u i t g a n g e n des l e v e n s " (Vs. 23). Uit het hart komt allerlei verkeerdheid en goddeloosheid voort, het iB een poel van ongerechtigheid, en komt de zonde ook maar even naderbijsluipen, — uw hart is nog veel zondiger dan de zonde, om fluks toe te tasten, te proeven en zich door de zonde te laten ontsteken. En dit hart, behoed het, zegt God, d. w. z. : roep den Heere aan, dat Zijne genade eene wacht voor dit hart zij; zeg tot Hem: „Heere God, ik deug tot niets, help Gij!" dan zullen alle duivelen in hunnen kuil moeten blijven en er niet uitkomen mogen. Behoed zoo uw hart boven al wat te bewaren is. En ditzelfde hart wederom is iets, waarin God iets anders kan leggen. Uit dit hart zijn wel is waar de uitgangen des doods, maar wederom, als gij uw hart behoedt met de koningin Genade en haar bidt de wacht te houden, zal zij zeer wonderbare dingen scheppen, zoodat uit uw hart, hoe verdraaid het ook zij en wat al duivelsche dingen er uit voortkomen, nochtans de lof Gods zal opstijgen. Verwacht het niet van den hemel, verwacht het niet als het ware door een wonder, maar geef acht op het hart in uwen boezem, dat de koningin Genade daar haren troon opgericht hebbe! dan is Gods gebod er in, dan is de vreeze Gods er in, en alle heil en alle leven komt voor u daaruit voort.

29 Juli 1860.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Betrachting over Spreuken 4:11—13 en 23,

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken