Bekijk het origineel

II. Het Gerechtshof en zijne handelingen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

II. Het Gerechtshof en zijne handelingen.

De slachtoffers van het „Delegatum judicium extraordinarium Posoniense" ten jare 1674.

9 minuten leestijd

3. De tweede indaging (25 September 1673).
Nadat het door do eerste indaging gelukt was, al de Evangelische predikanten uit Pressburg te verwijderen en aanzienlijke burgers in gevangenschap te houden, werd het bloedgericht, dat nu naar P r e s s b u r g werd overgebracht, nóg stoutmoediger en ging over tot eene tweede indaging, den 25!te" September 1673 te Pressburg. Thans omvatte het uitgeworpen net eenen grooteren kring. Bij deze gelegenheid werden 33 predikanten van de Augsburgsche Confessie en 2 van de Helvetische (waaronder verscheidene superintendenten en senioren) gedagvaard, die, met uitzondering van een elftal, op den vastgestelden tijd dan ook allen verschenen. Volgens de verdichte punten van beschuldiging hadden zij „het volk tegen den koning opgezet, koninklijke mannen en domheeren afgewezen en geslagen, rechters en raadsheeren afgezet, gevangengenomen opstandelingen aan de handen der keizerlijke soldaten ontrukt, aan Katholieke kinderen „den drek van Evangelische predikers te vreten gegeven", over het vermoorden van keizerlijke ministers onderhandeld, met de Turken briefwisseling gehouden, naar buitenlandsche mogendheden gezanten afgezonden, met de wapenen in do hand zich bij de rebellen aangesloten, Katholieke priesters aan de Turken en de rebellen verkocht, negen Katholieke priesters gruwzaam mishandeld, den Turken de vesting Tülek in handen gespeeld, en te Szenitz, Tura-Luka en Miava opstand verwekt" !). Voorts hadden zij zich niet geschaamd, „den ganschen Staat des Rijks, de Roomsch-Katholieken, ja ook den Apostolischen koning zeiven, afgodisch te noemen; tegen de heilige maagd Maria en do afgestorvene heiligen in hunne prediking uit te varen; het hoogwaardige sacrament des altaars met voeten te treden; aan de rebellen, vijanden van Zijne Majesteit, geld en leeftocht te verstrekken, en zich over hunne komst te verblijden, en eindelijk aan de Turken den weg te hebben willen openen om Hongarije te veroveren" 2).
Deze punten van beschuldiging werden slechts voorgelezen; en hoewel de wet eischte, dat zij den beschuldigden ook schriftelijk zouden medegedeeld worden, had men aan die wettelijke bepaling eenvoudig geen gevolg gegeven. Eerst den 2de" Oetober werd hun de bijstand van twee advocaten, Röszl e r en H e i s z i e r geheeten, toegestaan, die van al het voorgelezene slechts eenige vluchtige aanteekeningen hadden kunnen maken. Het recht van bespreking ten behoeve hunner zelfverdediging werd den aangeklaagden ten eenenmale onthouden. Evenals bij de eerste indaging, werden ook bij de tweede de wettelijke formaliteiten niet in acht genomen. Bij de rechters, die nu allen Katholieken waren, doordien, zooals wij vroeger zagen, de éénige Protestant onder hen zijn ontslag had genomen, was de ondergang der predikanten eene vastbesloten zaak. Den 5dc" Oetober zouden de aangeklaagden hun vonnis vernemen; dit geschiedde echter niet, maar men legde hun den eisch voor: „dat de Evangelische predikanten van beide Belijdenissen (bij de derde dagvaarding ook: Scholarum rectores, cantores, studiosi et aeditui) óf (I) ter vermijding van de rechterlijke vonnissen, die hun wegens beschuldiging van rebellie boven het hoofd hingen, door eigenhandige onderteekening, bekrachtigd door verzegeling, zouden verklaren, voor altijd alle bediening zoowel van kerken als scholen op te geven, verder af te zien van het vormen van eenige partij, heimelijk of openlijk, en overigens als getrouwe onderdanen des konings een rustig en vreedzaam leven te leiden binnen het Rijk; terwijl de doodstraf werd aangekondigd aan hen, die ook maar in het minst onrustig waren; óf (II) vrijwillig, als des doods schuldigen, in ballingschap zouden gaan, na in een eigenhandig onderteekend, verzegeld stuk do belofte te hebben afgelegd, dat zij nooit in hun vaderland zouden terugkeeren en zich evenmin naar de erflanden des konings of naar het keizerlijk, als ware het vijandig, gebied begeven; óf (III), wat den rechter bovenal aangenaam en welgevallig zou zijn, den Roomsch-Katholieken godsdienst zouden omhelzen" •). De laatsten moesten verklaren in te stemmen niet „de Belijdenis van de Nieuw-Katholieken in Hongarije volgens het exemplaar, in Frankfort en andere plaatsen gedrukt" -').
Na lang tegenstribbelen en het twisteu moede, onderteekenden zij allen het eene of andere punt van dit „libellum praescriptum" (voorgeschreven verklaring, revers). Twaalf predikanten besloten, het tweede punt, namelijk de verklaring voor het verlaten van het land, te onderteekenen ; de anderen kan men als a f v a l l i g e n beschouwen. De bannelingen verstrooiden zich naar verschillende kanten, voornamelijk naar Duitschland, en mot uitzondering van drie, die later weêr in hun vaderland konden terugkeeren, stierven zij ook in den vreemde.


1) Merle d'Aubigné, „Geschiedenis der Evangelische Kerk in Hong a r i j e " , bladz. 247; Karl Räcz, „ M a r t e l a a r s , " bladz. 29.
2) J. P. Sprenger van Eijk, „De M a r t o l a a r s " enz., bladz. 10.


4. De derde of algemeene indaging (5 Maart 1674). (1ste Gedeelte.)
Het jaar 1674 begon nog treuriger, onheilspellender en donkerder voor de Hongaarsche Protestanten, dan de vorige jaren. Ja, eene algeheele uitroeiing en verdelging bedreigde de zwaarbeproefde belijders de3 Evangelies, doordien er thans niet maar eene vervolging tegen enkelen, maar eene al gein e e n e v e r v o l g i n g uitbrak. De twee voorafgegane indagingen, in de jaren 1672 en 1673, benevens de met zooveel ijver uitgevoerde overrompeling van kerken en verdrijving van predikanten en onderwijzers, waren slechts een voorspel vaii het bloedige drama, dat het „Delegatum judicium extraordinarium" ten jare 1674 op het wereldtooneel te aanschouwen gaf en dat in de wereldgeschiedenis vruchteloos zijne wedergade zoekt. Op snoevenden toon betuigde Georg Szelepcsényi, de voorzitter der rechtbank, destijds: „Wij hebben eenen strop voor de Evangelische Hongaren gedraaid, en kuunen wij hun dien om den hals krijgen, dan zal hun godsdienst nooit meer op de been komen!"
Na de bovenvermelde gebeurtenissen en onder zulke omstandigheden zette de geestelijkheid haar afschuwelijk werk voort. Want het was nu eenmaal uit de feiten gebleken, dat superintendenten en senioren, dus mannen, die aan de spits van de belijders des Evangelies stonden, zoowel aan de zijde der Gereformeerden, als aan die der Lutherschen, zeer gemakkelijk tot wijken te brengen waren; verscheidenen onder hen hadden immers hunne ambtsplichten ten eenenmale verzaakt, om in het land te kunnen blijven; een gedeelte was immers vrijwillig in ballingschap gegaan, terwijl anderen zelfs afvalligen wareu geworden. Allen om dezelfde reden: om hun leven te redden en hun ellendig bestaan ook verder te kunnen voortsleepen. Waar was bij hen allen de vastberaden belijdenis en de geloofsmoed hunner beroemde voorvaderen uit de 16Je eeuw gebleven ? — Wat was er dus nu te vreezen? De koning en de Katholieke magnaten waren immers op de hand der geestelijkheid ? Zoo werd dan den 6de" Januari 1674 het koninklijk edict uitgevaardigd, dat de dagvaarding der predikanten, professoren en onderwijzers gelastte. Ten gevolge van dit edict werden tegen eenen vastgestelden tijd — 5 Maart 1674 — 735 Protestanten, die op kerkelijk gebied werkzaam waren, voor het Pressburgsche gericht gedaagd. De dagvaarding strekte zich niet alleen uit tot de eigenlijke onderdanen van den koning van Hongarije, maar ook tot die inwoners, die op het aan de Turken behoorende Hongaarsche grondgebied en in enkele bij Zevenburgen behooreude Hongaarsche gewesten metterwoon gevestigd waren. Uit Oedenburg werden zelfs, behalve de predikanten, ook de burgers, de studenten en al die scholieren ingedaagd, die hun twaalfde levensjaar volbracht hadden. Bovendien liet men ook die predikanten oproepen, die bij de tweede indaging niet aanwezig waren. Daarom wordt deze derde dagvaarding eene a l g e m e e n e genoemd; zij omvatte 33 graafschappen en de distrieten der Kuuen en Jaszgers. Onder de gedagvaarde manneu verschenen te Preosburg in het besef hunner onschuld — en uit eerbied en gehoorzaamheid aan het koninklijk bevel — 336 geordende predikanten en hulppredikers, professoren, onderwijzers en ook een koster. Er waren 256 Lutherschen en 80 Gereformeerden!). Zij verlieten de kudde, die hun toebetrouwd was; zij verlieten den familiekring, waar zij, na de zorgen en bezwaren van hun ambt, verkwikking hadden gevonden ; zij verlieten hun geliefd vaderland; zij verlieten alles, en na onbeschrijfelijke smarten en beproevingen, eerst na verloop van jaren, konden zij weder terugkeeren, velen hunner om weldra te sterven. Anderen echter keerden nooit meer terug; zij bezweken na bittere wederwaardigheden, ontberingen en wreedaardige martelingen verre van het land hunner vaderen, in een vreemd land, waar zij niet waren geboren en opgevoed, — ja, zij zagen met hunne lichamelijke oogen hunne geliefden niet meer terug, aan wier armen zij ontrukt waren, zij zagen hun vaderland niet weder terug, waar zij eens met de hunnen gezongen hadden:
'k Heb Hongarije steeds verkoren,
'k Wil niet naar vreemde zangen hooren.,
Want nergens is 't zoo goed als hier!
Waarlijk, in dien treurigen tijd was de Hongaarsche Protestant6che Kerk gelijk aan de door sperwers en haviken achterjaagde duif, en met recht kan men op hunnen toestand deze woorden uit de Openbaring van Johannes toepassen: „Entoen het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis, die zij hadden. En zij riepen met grootestem,zeggende: Hoe lang, o heilige en waarachtige Heerscher! oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen ? Eu aan een iegelijk werden lange witte kleederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog eenen kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hunne mededienstknechten eu hunne broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij". (Hoofdst. 6:9—11.)


1) „Ut Ministri Evangelici utriusque Confessionis (I) aut minister i um omne sive ecclesiusticum, sive sckolasticum, ad evitandum sententias judiciales, sibi propter objectum rebellionis crimen imminentes, propria subscriptiono sigillo munita penitus abdicent, neque partem ullam sive clam sive palam excercere amplius sustineant, ac de coetoro ceu fideles Regis subditi vitam quietam pacificamque in Regno transfigant, capitis supplicio t u r b a n t i b u s vel levissime, indicto; (II) aut spontaneum exilium, ceu rei mortis, suscipiant, obtigata libello propria manu subscripto, sigil- Ioque munito, fide, quod nunquam in p a t r i am reversuri neque etiam vel haereditarias Regis Provincias, vel Imperiales, nedum hostiles ditiones adituri sint; (III) aut, quod prae coeteris g r a t um sibi acceptumque fut u r um sit, Religionem Romanam Catholicam ampleetantur." (Hist. Papatus, pag. 489.)
2) „Confessio Novorum Catholicorum in Hungaria, juxta exemplar F r a n k f u r t i et alibi impressum" (Sprenger van Eyk, bijlage B).


1) Zie K. Racz, „Martelaars" enz.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

II. Het Gerechtshof en zijne handelingen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken