Bekijk het origineel

Betrachting over Mattheus 9 : 1—8, vergeleken met Lukas 5 : 17—26.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Mattheus 9 : 1—8, vergeleken met Lukas 5 : 17—26.

15 minuten leestijd

In dit Evangelie wordt ons voorgehouden een voorbeeld van geloof en liefde, — ware liefde tot den naaste, — van de „vrome" liefdelooze eigenliefde, van der Farizeën groote minachting van den Heere Jesus, en eindelijk van des Heeren Jesus genade en barmhartigheid, hoe Hij onvermoeid is, om wel te doen, en hoe Hij niet alleen zonde vergeeft, maar ook, waar Hij tegenstand ondervindt, nog bovendien een Heiland is, Die van de gevolgen der zonde weet te genezen.
Wij hebben hier dan in de eerste plaats een voorbeeld van het geloof en van de ware liefde tot den naaste vóór ons, gelijk die steeds voortkomt uit het geloof. Eenen geraakte of verlamde hebben wij hier vóór ons, dien menschelijke kunst of geneesmiddelen naar het schijnt niet hadden kunnen genezen. Eene hoogere kracht was daartoe noodig. Door welke oorzaak was toch deze mensch verlamd geworden? Naar ik bij anderen heb kunnen nagaan en uit hunne geschiedenis heb gezien, is verlamming meestal het gevolg van een buitensporig leven, van de overtreding van het zevende gebod: Gij zult geen overspel doen! Het was dus voor het zedelijk gevoel van een braaf man een verachtelijk sujet. De Farizeën zouden zulk eenen mensch zoo te zeggen als eenen hond op de straat hebben laten liggen; want al waren zij allen van den jongste tot den oudste overtreders van het zevende gebod, zij gingen zóó sierlijk gekleed en blankett'en zich zóó mooi, dat men hen wel voor heilige vaders rnoest houden, die met hunne gebeden andere menschen in den hemel konden brengen.
De Heere Jesus bevindt Zich dan nu in Zijne stad, en stel u voor, daar zitten om Hem heen zeer veel Farizeën en Schriftgeleerden; zij zijn van alle vlekken in Galilea en Judea en van Jerusalem saamgekomen, en wenschen van Hem onderwezen te worden. In Zijne Schriftuitlegging toonde Hij eene kennis te bezitten, zooals zij nog nooit hadden gevonden, en het prikkelde hunne nieuwsgierigheid zeer, dat hun zoo maar op eens theologische vragen werden beantwoord, waarop zij op hunne hoogescholen tevergeefs het antwoord zochten.
Terwijl Jesus nu het volk zoo leerde, ging er kracht van Hem uit. Yan God den Vader ging er kracht uit in den Heere Jesus, en deze kracht ging van den Heere Jesus uit, om allen te genezen van de meest verschillende ziekten. Nu waren er eenige mannen, vrienden van den geraakte, die dachten: Gaat er kracht van Hem uit, om iedereen te genezen, dan kan en zal Hij ook dezen geraakte genezen! Och, dachten zij, als wij hem maar eerst voor des Heeren Jesus voeten hebben, want na alles wat wij van Hem gehoord en gezien hebben, mogen wij zeggen, dat onze vriend dan genezen is, Hij zal hem niet afwijzen, want zooveel weten wij van Hem: al wat in Hem is, is ontferming. Maar, denken zij weèr, — zou het waar zijn ? zal Hij ook onzen geraakte genezen? het is immers te erg! De dokters hebben hem opgegeven en gezegd: Wij vermogen niets meer! En dan de toorn Gods, die hem zoo vreeselijk heeft bezocht! — Denk eens; welk een toestand! Ik ga hier dikwijls een huis voorbij, daar kende ik vnor dertig, veertig jaren eenen mensch, wiens voeten geheel waren samengetrokken, evenzoo de handen en ellebogen, zoodat zij niet uit elkander getrokken konden worden ; daarbij was hij blind, en zijne tanden stonden als ijzers op elkaar, en konden niet van elkaar verwijderd worden. — en zoo lag de man tien jaren op zijn bed. Hij was verlamd. Doch één ding had de man, en dat hield hem staande: hij had vergeving van zonden; maar, och j a ! dat kunt gij wel denken, hij zag ook nog naar genezing uit.
Maar hoe komen nu deze vrienden met den geraakte bij den Heere Jesus ? Het geheele huis is vol Honderden staan er voor de deur, zij kunnen er niet in. Gaan zij nu misschien met hem terug, denkende: Het baat toch alles niets, God wil het niet, God geefc geene ruimte voor dezen kranke, daaraan ie het immers wel te zien, dat God hem niet genegen is! ? Neen. zoo doet de liefde niet, de ware liefde, die uit het geloof ontspruit, maar zij heeft rust noch duur, eer zij den naaste, den vriend, den hulpelooze, den vreeselijk bezochte en verlorene, voor de voeten van den Heere Jesus heeft gebracht. Wat deden zij dus? Zij dragen den geraakte, die niet loopen, zich niet opheffen noch bewegen kan, met de grootste moeite naar boven op het dak van het huis. Het was een zware last voor i deze menschen, maar in hun hart lag dit: wij moeten hem vóór den Heere Jesus hebben, daar helpt niets aan. — Stel u nu voor eene open plaats, aan welke de kamers of kamertjes van het huis grenzen. Deze open plaats was met zeildoek overdekt tegen de hitte der zon, en dit zeildoek was bevestigd aan de goten en het latwerk boven de kamertjes. Wij moeten ons dus geene verkeerde voorstelling er van maken, alsof zij de tichelen van het dak zouden hebben weggebroken; dat ligt aan de vertaling, het laat zich in het Hollandsch niet anders weêrgeven. Op de plaats, waar Jesus stond, hebben zij het zeildoek van het latwerk losgemaakt en zoo den geraakte neergelaten aan de voeten van Jesus.
Wij hebben hier voorts een voorbeeld van hetgeen de Heere Jesus kan en wil doen; want al is Hij ook niet naar het zichtbare, naar het lichaam, hierbeneden op aarde, zoo is Hij nochtans in ons midden, gelijk Hij gezegd heeft: „Ziet, Ik ben met ulieden ai de dagen tot de voleinding der wereld". Wij ; moeten Hem dus hebben en wij kunnen Hem hebben niet ulleeu als Dengene, Die zonden vergeeft, maar ook als den Heelmeester der onzen en als onzen Heelmeester. Want, heeft Hij ons gekocht met lichaam en ziel door Zijn dierbaar bloed, dan kan Hij ook het lichaam behouden en ons genezen van allerlei krankheid en zwakte, en kan ook de onzen wel genezen. Maar daartoe is geloof noodig! Welk geloof? Wat, is u barmhartigheid geschied, zuodat gij gelooft, dat de Heere barmhartig is? wat, kent gij Zijne ontferming, en belijdt gij van uzelven: Ik ben niet anders waard, dan dat de aarde zich opent en mij verslindt? —dan weet gij, dat Hij ook barmhartigheid heeft voor de uwen, voor de hulpeloosten, voor hem, die lichamelijk zoo krank is, dat de dokters hem hebben opgegeven. — J a maar, zal Hij altijd helpen? Daarnaar kan ik niet vragen. Eén ding weet ik : dat er nóg kracht van Hem uitgaat, om den hulpelooze, den ellendige, den verlorene te helpen. — Ik ontmoet echter tegenstand. Deze tegenstand ligt ten eerste in de reddeloosheid van hem, dien ik voor mij heb, ten tweede daarin, dat ik niet tot den Heere Jesus kan komen, er is geene opening, waar ik door kan, en ach, als ik naar boven wil, zijn mij de menschen en is mij het dak in den weg! Ja, zoo kunnen alle duivelen komen, en den mensch alles in den wee; leggen. Daar komt dan de arme mensch, neeint zijnen thermometer, en wil zien, hoeveel graden hij rijst of daalt; dan zoekt men zijnen troost in hetgeen de dokter zegt, die toch niet meer helpen kan. Maar zie, wat de naastenliefde doet: zij breekt door, zij brengt wat reddeloos verloren is, aan Jesus'voeten, en zoo door allen tegenstand heenbrekende, ervaart zij, dat de Heere geneest.
De Heere Jesus, lezen wij, zag h u n geloof. Had dan de g e r a a k t e geen geloof? Ik weet het niet. Het staat niet vermeld. De geraakte kan geheel lijdelijk geweest zijn, toen hij zoo naar boven gebracht en neergelaten werd. Kan ik dan met mijn geloof anderen helpen? Ik meen van wel Draag gij maar den naaste op uw hart, draag hem naar boven, breek door allen tegenstand heen, en leg hem aan de voeten van den Heere Jesus. —Maar hij, die geholpen wordt, zal hij zonder geloof blijven? Dat is de zaak van den Heere Jesus; Hij doet, wat Hij doet. Hij ziet het geloof dezer menschen. Zij houden Jesus voor zoo n groot Outfermer en Heiland, dat zij gelooven, dat Hij dezen man niet met de voeten van Zich zal stooten, maar Zich voorzeker over hem zal ontfermen, als zij hem voor Zijne voeten neerleggen, — Nu worden zij echter door den Heere Jesus verrast. Het eerste, dat zij van Hem hooren, was voorzeker voor deze mannen het beste, want waar zulk een geloof en zulk eene liefde is, daar is het niet genoeg, dat de mensch voor het uitwendige geholpen is, maar daar moet ook de ziel gered zijn. Zij hooren uit den mond van den Heere Jesus het woord: „Zoon, uwe zonden zijn u vergeven". — Waarom hebben deze menschen geene plaats zien te krijgen binnen in het huis, om de prediking des Heeren Jesus te hooren, en voor hunne eigene ziel te zorgen? Ja, zoo doet de „vrome" liefdelooze eigenliefde. Die zorgt alleen voor zichzelf en denkt: Als ik het maar heb, als ik het maar hoor, als ik het maar krijg ! en begrijpt en verstaat niet, dat geen kind uit de waarheid geboren wordt, hetwelk niet, zoodra het zelf gered is, het verlorene ziet en zoekt te behouden, door het voor de voeten van den Heere Jesus te brengen.
Zij kwamen dus — want het was alom bekend, dat Jesus daar was, — met het bed en den geraakte er op bij de deur, en begonnen luid te roepen: Ruimte! ruimte! Alles is er vol van, dat er zoo velen genezen werden, maar ruimte maken, — neen, dat doen wij niet; want dan hooren wij zeiven niets. Allen blijven dus als blokken staan, in plaats van te roepen: Lieve mannen, komt er eens uit, daar is iemand, die ongeneeslijk is, laat ons dien aan de voeten van den Rabbi brengen! Alles blijft staan, onbeweeglijk, en kijkt toe. Zoo zien wij hier in een voorbeeld, wat de eigenliefde werkt. Zij zoekt alleen zichzelf, zij zoekt den hemel alleen voor zichzelf, en kan daarom, terwijl zij den hemel binnenkïautert en schoone woorden als paarlen aan elkander rijgt, schrikkelijk onbarmhartig zijn jegens den naaste. De Heere Jesus heeft eens gezegd: „Wie Mijne woorden d o e t " , en ik geloof, als daar een deurwachter gezegd had : „Mannen, maakt ruimte voor deze menschen, opdat zij den geraakte naar binnen kunnen krijgen!" zoo zou de Heere Jesus gezegd hebben: „O gij trouwe dienstknecht, Ik zal u de deur des hemels opendoen, omdat gij voor dezen arme de deur hebt geopend en hem ruimte hebt gemaakt". Gij hebt zooveel niet te hooren! Hoor dit ééne woord van den Heere Jesus: „Zoon, uwe zonden zijn u vergeven!" — herkauw dat, blijf daarbij, laat dat uw catechismus en uwe geloofsbelijdenis zijn, van den morgen tot den avond, en in den nacht, waarvan niemand houdt; dan hebt gij uwen naaste lief, en helpt hem dus, door hem aan Jesus' voeten te brengen. — Yoorts zien wij hier des Heeren Jesus wonderbare liefde, genade en goedertierenheid, en hoe Hij onvermoeid is, om wel te doen. Stel u voor, Hij kwam juist uit het schip. Hij was namelijk in het land der Gergesenen geweest. Deze menschen dreven smokkelhandel met betrekking tot de Wet Gods; zij waren Joden en handelden in zwijnenvleesch, wat zij niet mochten doen; het was een in waarheid huichelachtig volk. Nu was de duivel onder hen gekomen, een paar bezetenen veroorzaakten den menschen, terwijl zij zich goud en zilver vergaderden, grooten angst en zorg met hunne duivelarijen. De politie kon er niets aan doen, niemand vermocht iets tegen deze bezetenen. Daar geneest de Heere Jesus hen, zoodat zij gezond en gekleed neêrzaten; doch de gansche kudde zwijnen gaf Hij over aan den duivel, om ze in de zee te storten. Maar dat was den Gergesenen te veel. Liever den handel in zwijnen en de huichelarij, met het zoo ongelukkig makende goud, liever ook den angst voor de bezetenen, dan den Heere Jesus, en zoo baden zij Hem zeer vriendelijk, om uit hunne landpale te vertrekken. De Heere Jesus ging; want Hij dringt Zich niet op. Hij gaat, en komt in Zijne stad, omringd door zeer velen, en daar stralen Zijne oogen weder van ontferming, Zijne lippen vloeien weder over van honig, die droppel voor droppel van deze Rots afdruppelt, om de vermoeide zielen te verkwikken, en van Hem, Die Zich over de menschen ontfermt, gaat eene kracht uit, om te genezen. Hij neemt het den mannen niet kwalijk, dat zij het doek boven Zijn hoofd wegnemen, zoodat de heete zon Hem op het hoofd schijnt, maar als Hij den kranke voor Zich ziet, en het geloof dezer mannen aanschouwt, is Zijn eerste woord, „Zoon, uwe zonden zijn u vergeven '.
Waar bevindt Zich de Heere Jesus ? Onder honderden toehoorders, die allen vol zijn van eigenliefde, in weerwil van hetgeen de Heere predikte van de liefde Gods en des naasten. Waar vond de Heere Jesus geloof? Yoor zooveel ons het Evangelie leert, kwam het van het dak. Beneden vond Hij het niet, daar zitten rondom den Heere Jesus de Parizeen en Schriftgeleerden, en Hij weet wel, wat zij denken zouden, want Hij behoeft geene getuigenis van iemand, maar weet heel goed, wat er in den mensch is. — Nu, zeg mij, wie kan eenen geraakte genezen ? Dat kan de dokter niet, en kan hij het niet, dan kan niemand het Wie kan zeggen: „Uwe zonden zijn u vergeven" ? — Ja, daarvoor moest zich de hemel openen en het als door eenen bliksemstraal in het hart des menschen komen, zoodat een engel als het ware het er in werpt, anders is het onmogelijk — Waarom gelooven nu de Farizeën en Schriftgeleerden den Heere Jesus niet, maar overleggen kwaad in hunne harten? Misschien omdat Hij geenen stralenkrans om Zijn hoofd had, zooals men het zich gewoonlijk voorstelt? of omdat Hij geen twee engelenvleugelen op Zijnen rug had? of omdat Hij niet de man is, die zonder spijs en drank leven kan, maar evenals een ander mensch Zijne behoeften heeft? Zou Deze wat vermogen? Ja, als Hij een hoogepriester was! ja, als Hij zooals de Parizeen plechtig de handen oplegde! maar zóó niet! Zoo denken zij dan veeleer in hun hart: Deze lastert God! wie kan de zonden vergeven, dan God alleen ? Stel u deze minachting eens voor! En nu dit wonder van liefde, van genade, van ontferming van den Heere Jesus, dat Hij het aardrijk zijnen mond niet laat openen, om hen te verslinden, dat Hij het Woord, dat Hij gesproken heeft, niet terugneemt, maar juist de tegenstand dezer Parizeen en Schriftgeleerden maakt, dat Hij nu het machtige hemelsche cachet neemt en het op den mensch drukt met de woorden: „Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis".
Dat is een voorbeeld van vertroosting in het aangezicht van de wereld en alle duivelen, ais dezen zich opmaken, om de vergeving van zonden, die de Heere Jesus uit genade schenkt, verdacht te maken, alsof de Heere niet machtig ware, om zonde te vergeven. Wie zonde vergeeft, kan nog meer. Zonde vergeven, dat is het hoogste; maar wij arme menschen zijn hierbeneden op aarde, en daar kunnen wij eenen Heiland hebben, Die meer doet dan dat, eenen Heiland, Die, zooals wij dat hier zien, ook de gevolgen der zonde, nadat zij den mensch langen tijd hebben gekweld, op eenmaal wegneemt.
De Heere breekt dus door allen tegenstand zoo heen, dat Hij Zijn woord van genade niet terugneemt, maar veeleer, waar men met schande bedekt is, ook zichtbaar voor de menschen wederom tot eere brengt. — En wat wil de Heere? waarnaar zien Zijne oogen ? Zjj zien naar het ootmoedig geloof, zij zien naar de liefde. De Parizeën heeft Hij niet geholpen, de Schriftgeleeren ook niet. Eerst moet dit er zijn: Waaruit kent gy uwe zonde en ellende ? Uit de Wet Gods! Waaruit kent gij de zonde en ellende uws naasten? Aan uzelven, — dus voor hem en voor u uit de Wet Gods. Maar waaraan kent gij de waarachtige verlossing van uwen naaste en van uzelven? Voorzeker niet uit hetgeen uwe oogen zien; voorzeker niet daaruit, dat gij op het bed ziet of op den geraakte, maar daaruit, dat gij ziet op den Heere Jesus Christus! — Waaraan kunt gij weten, dat Hij ook uw en der uwen Heiland kan zijn en wil zijn? Dat kan ik weten uit het Evangelie, daar staat het geschreven. Heb gij medelijden met uwen naaste, en breek door met het voornemen, wat u ook in den weg sta: als ik hem maar voor de voeten des Heeren Jesus heb, Die zal helpen! Daartoe was en is Hij des menschen Zoon, d. i. Adams Zoon, Die Adams dood, Adams schuld, Adams zonde, Adams lichamelijken en geestelijken dood op Zich heeft genomen, de gansche vreeselijke erfenis van hel en van toorn heeft aanvaard, en alles door Zichzelven voor lichaam en ziel heeft goedgemaakt, alles wedergebracht heeft, en derhalve nu macht heeft niet alleen in den hemel, zoodat wij eerst op den hemel zouden moeten wachten, maar ook op aarde macht heeft, om de zonden te vergeven en de ongelukkigen te helpen. Wel hem, die het erkent! — Waarom helpt Hij zoo weinigen? Ik lees ergens, dat Hij in Nazareth geene wonderen deed, omdat Hij daar geen geloof vond, en waar geen geloof is, daar is ook geene liefde tot den naaste Waar echter geloof is, daar achtervolgt de Heere Jesus dit geloof en schept Hij, de Ontfermer, het ontfermende hart, en dit hart zoekt nu niet zichzelf, maar daar zegt men: Eerst de Heere Jesus, dan mijn naaste, en dan ik, — er zal nog wel een plaatsje voor mij overblijven.
4 Februari 1372. H. F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 november 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Betrachting over Mattheus 9 : 1—8, vergeleken met Lukas 5 : 17—26.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 november 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken