Bekijk het origineel

Betrachting over Galaten 4 : 21—30.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Galaten 4 : 21—30.

17 minuten leestijd

„Zegt mij, gij, die onder de wet wilt zijn! hoort gij de wet niet? Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had: eenen uit de dienstmaagd, en eenen uit de vrije. Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vleesch geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis. Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben: want deze zijn de twee verbonden: het eene van den berg Sina, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar. Want dit, namelijk Agar, is Sina, een berg in Arabië, en komt overeen met Jerusalem, dat nu is, en dienstbaar is met hare kinderen. Maar Jerusalem, dat boven is. dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder. Want er is geschreven: Wees vroolijk, gij onvruchtbare, die niet baart! breek uit, en roep, gij, die geenen barensnood hebt! want de kinderen der eenzame zijn veel meer, dan dergene, die den man heeft. Maar wij, broeders! zijn kinderen der belofte, als Izak was. Doch gelijkerwijs toen, die naar het vleesch geboren was, vervolgde dengene, die naar den Geest geboren was, alzoo ook nu. Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haren zoon : want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije."

De woorden, die wij hier in den Brief aan de Galaten lezen, schijnen zwaar te verstaan; zij zijn het echter niet. De Apostel spreekt van Hagar en van Sara; hij noemt Hagar de dienstmaagd, en Sara de vrije. Nu zegt hij: de dienstmaagd heeft eenen zoon gebaard, deze was echter geboren naar het vleesch ; de vrije heeft ook eenen zoon gebaard, en deze was geboren door de beloftenis. Verder zegt hij, dat dit dingen zijn, die andere beduiding hebben; de zuivere vertaling der Grieksche woorden is hier: hetwelk is eene allegorie De beteekenis geeft hij aan met te zeggen: „Deze zijn de twee verbonden, — het eene van den berg Sina", hetwelk luidt: „Doe dat, en gij zult leven!" —- het andere verbond is het Verbond der vrije genade en heeft de belofte: „Wees vroolijk, gij onvruchtbare!" — Dit schijnt eene willekeurige uitlegging eener geschiedenis te zijn. De geschiedenis is namelijk deze. Abraham zeide eens tot God : „Heere Heere! wat zult gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga?" Toen zeide de Heere tot hem: Kom eens uit uwe tent en tel de sterren, indien Gij ze tellen kunt! Daarop werd Abraham zeer beschaamd. — Groote God, dacht lijj, de sterren telt Gij en Gij kent ze alle bij name, want Gij hebt ze alle gemaakt, — dan kunt Gij mij ook wel eenen zoon geven! — „Abram geloofde den Heere, en de Heere rekende het hem tot gerechtigheid"; toen heette het tot hem: Gij zijt wel een goddelooze, dat gij Mij, den almachtigen God, dat niet toevertrouwt; maar omdat gij toestemt, dat gij een goddelooze zijt, omdat gij u schaamt, en van harte belijdt: Heere God, dat kunt en zult Gij doen ! — daarom houd Ik u voor een rechtvaardig man ! Abraham had dus de belofte, maar de vervulling bleef uit. Toen dacht Sara: Ach, misschien heeft God mij niet verkoren, dat uit mij de beloofde zoon geboien zal worden, welaan, ik zal mijne dienstmaagd nemen, of ik wellicht uit haar eenen zoon ontvang! Dat stelt zij Abraham voor, en Abraham vindt het goed. Maar Abraham vergeet, dat hij de belofte van God had ontvangen, en dat, indien er een wettige zoon geboren zou worden, deze moest voortkomen uit den heiligen staat des huwelijks, uit man en vrouw, die God tot één vleesch heeft geschapen! Dat vergeet hij en gaat henen tot de dienstmaagd. Zoo was de geboren zoon dus een zoon der dienstbare, uit het vleesch geboren, d. i. uit vleeschelijke overleggingen. Vleesch d e n k t : Hier is geene kraclit, hier zie ik niets dan onvruchtbaarheid ; als ik bij het Woord blijf, schijnt er niets te komen; grijp ik echter, wat ik zie en met de handen kan tasten, dan komt er wat van. Dat is dus eene vleeschelijke geboorte, het werk van vleesch. Dit moest Abraham veel leed berokkenen. Hagar verachtte hare vrouw; zoo was er verdeeldheid in huis, zoodat Sara tot Abraham zeide : „De Heere richte tusschen mij en u! Ik heb mijne dienstmaagd in uwen schoot gegeven, en nu meent zij, dat zij de vrouw des huizes is, en veracht mij!" Abraham, even zwak als hij was in het vasthouden van Gods belofte, even zwak toont hij zich ook nu, en om den huiselijken vrede te bewaren, geeft hij Hagar over. „Zie, uwe dienstmaagd is in uwe hand, doe haar, wat goed is in uwe oogen", zegt hij tot Sara, „verneder haar onder uwe h a n d ! " en zoo geeft hij de eene vrouw over aan de andere. — Sara echter is en blijft onvruchtbaar, er komt in 't geheel geen kind, met de belofte schijnt het ook gedaan te zijn, Sara was verstorven, Abraham is verstorven, althans naar zijn gevoel; maar daar op eens, als het met alles gedaan was, komt de Heere God, en Sara is vruchtbaar, en Sara krijgt eenen zoon overeenkomstig de belofte, ter tijd en ure, door God bepaald. Nu is het blaadje omgekeerd. Ismaël bespot Izak, aau wien hem alles belachelijk schijnt, waarop Sara in den Naam des Heeren tot haren man zegt: „Drijf deze dienstmaagd en haren,zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijnen zoon, met Izak, niet e r v e n ! " Wederom is voor eene wijle de huwelijks vrede gestoord. Abraham vindt het volstrekt niet goed, wat Sara zegt; hij wil de dienstmaagd met haren zoon niet uitdrijven, hij is toch o o k zijn zoon. Nu komt echter de Heere God tusschenbeide en zegt tot Abraham: „Al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar hare stem! — anders moet de wil der vrouw aan den man onderworpen zijn, maar nu zij uw wil aan den wil der vrouw onderworpen, gehoorzaam haar, wat zij zegt, is Mijn woord: werp de dienstmaagd uit met haren zoon !"
Dat zijn nu, zegt Paulus, de twee testamenten, de twee verbonden. Sinaï is in het Arabisch: Hagar. Maar nu vraag ik: in wat verband staat Sinaï, al is dat ook hetzelfde als Hagar, met de dienstmaagd H a g a r ? in wat verband s t a a t ' t voormalige Jerusalem, dat onder de wet was, met Sinaï, met deze Hagar? I s deze uitlegging willekeurig ? Heeft de Apostel Paulus dat soms van de rabbijnen geleerd, en maakt hij nu zulke willekeurige toepassingen? Volstrekt niet! Gode zijn al Zijne werken van eeuwigheid bekend. Al het vergankelijke, dat Hij gemaakt heeft, is tevens eene nauwkeurige afbeelding van het onvergankelijke. De gansche Bchepping, zooals zij daar is, verkondigt aan eenen ieder, die er maar oogen voor heeft, hoe liet er in den hemel voor God uitziet. Yan al de hemelsclie heerlijkheid, van het eeuwige leven en de eeuwige blijdschap heeft God ons eene afbeelding gegeven in hetgeen wij hierbeneden met onze oogen zien. Diezelfde wet heerscht ook in de geschiedenis. Nemen wij maar eens de geschiedenis van Hagar en Sara, — öf zij wordt ons noodeloos medegedeeld, öf zij strekt ons tot leering. En wat leeren wij er u i t ? — Wat van eeuwigheid bij God vaststaat. Wat staat bij God vast? Dit: dat Zijn Woord het alleen doet en doen zal tegen dood, zonde en onvruchtbaarheid in; dat datgene, wat Hij beloofd heeft, ook komt; dat het voortkomt uit den Geest en de vrucht des Geestes werkt. Yoor God staat het eeuwig vast: Ik beloof u dit en dat, houd u daaraan, en het zal gebeuren! Ik beloof u Mijnen Christus, in en met Hem de zaligheid, zonder werken van uwen kant, alleen uit het geloof. Het zal bij Mij zijn vrije genade, louter genade, enkel genade, eeuwige genade! Gij mensch, vraag niet naar hetgeen gij zijt, maar vraag, wat Ik ben! Yraag niet naar hetgeen een mensch zegt, die van gisteren is, maar wat I k zeg, de alleenwijze God! Dat staat vast!—Komt nu echter de zonde tusschenbeide, dan kan de mensch uit zichzelven niet gelooven, dan kan hij de vervulling der belofte niet overlaten aan den almachtigen God, dan kan hij niet gelooven. dat Hij, Die den boom geplant heeft, ook zorg zal dragen, dat de vrucht op den rechten tijd te voorschijn komt en rijpt; hij kan niet bouwen en vertrouwen op des Heeren Woord, en zoo wandelt hij dan niet naar Geest, maar naar vleesch, hij volbrengt de werken des vleesches. Maar vleesch heeft geene belofte, vleesch verkeert voortdurend in twijfel, evenals ook Sara, toen zij naar vleesch te werk ging en zeide: „Of ik misschien uit haar gebouwd worde". Daar is slechts een „wellicht" en: „of ik misschien", terwijl toch in Gods belofte zekerheid is — Als wij dus bij den Apostel lezen van werken des vleesches, dan moeten wij daaronder niet in de eerste plaats vuile dingen verstaan, — ongetwijfeld volgen die er uit, — maar wij moeten daaronder verstaan, boe de mensch zonder God handelt, denkt en werkt; wat de mensch doet zonder God, is alles twijfelachtig, hij probeert het nu eens zus en dan weer zoo, en toch komt er niets van dan vleesch. Bij God nu staat het van eeuwigheid vast: öf werk, öf genade, — öf: doe dat, en gij zult leven, öf: uit genade wordt en zijt gij zalig. Dit „öf — öf" staat bij God van eeuwigheid vast. Nu staat het echter ook vast, dat, nadat de zonde tusschenbeide gekomen is, vleesch naar vleescheswijze te werk zal gaan, vleescheswerk zal voortbrengen, de belofte Gods in twijfel zal trekken, en dan alle krachten zal inspannen, om tot stand te brengen, wat toch buiten Gods Woord en buiten Zijn bevel omgaat. Daartegenin zal God wederom met Zijne genade regeeren en vleescheswerk te niet doen en te schande maken en de Zijnen leeren naar Geest te wandelen, dat is: Gods Woord voor Gods Woord te houden. Zijne belofte voor zeker en gewis te houden, niet te zien op het onvruchtbare en zwakke, niet daarop, dat er schijnbaar niets is, ja, dat het schijnt, alsof men er bij te gronde ging. Dat zijn zoo grondtrekken van den raad Gods, en zooals Hij het nu in Zijnen raad bepaald heeft, zoo gebeurt het, zoodat vleesch te schande wordt met zijn „doe dat", en opdat de Geest komt en leven wekt en vrucht schept. Geheel naar waarheid dus zegt de Apostel: „Dit zijn dingen, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden"; dat is: deze geschiedenis, die gij leest in uw Wetboek van Mozes, stellen het u duidelijk en klaar voor oogen, hoe waar het is: wat buiten de belofte om tot stand gebracht wordt, dat is uit de dienstmaagd, wat buiten de belofte is, dat is dienstbaar en moet dienen, maar wat naar de belofte is, dat is Geest, dat is leven, dat heeft vrucht voor de eeuwigheid. Zoo geeft dus de Schrift van deze waarheid een beeld, geen dood beeld, geen schilderij, dat aan den wand geschilderd is, maar een levend beeld. Aan dit beeld kunt gij zien, hoe het bij God is naar Zijnen eeuwigen raad. De geschiedenis van Hagar en Sara staat daar dus niet zonder eenig verband met den eeuwigen raad Gods, waarnaar Hij alles regeert, neen, juist volgens dezen raad gebeurde het, opdat wij met de handen zouden tasten: ja, zoo is het waar! Zoo toont ons dus de Apostel in een levend beeld naar de Schrift eer. geloovig man, die de belofte heeft, de belofte van Christus en het eeuwige leven; nevens den man echter, aan de zijde van dezen man, de Kerk Gods, die met den man dezelfde belofte heeft, en van den man niet gescheiden kan worden. Hij toont ons, hoe de man met de Kerk wacht op de vervulling der belofte Maar zij komt niet Nu schildert hij ons voorts, hoe de Kerk zwak wordt, de belofte loslaat, en op het zichtbare ziet, hoe zij denkt: Er komt niets van, het komt niet meer, ik ben te oud en te zwak, ik ben dit en ik ben dat; zooals dan de Kerk het woord vergeet: „Wees vroolijk, gij onvruchtbare!" d. w. z.: gij hebt alle reden tot blijdschap, gij, die onvruchtbaar zijt en geenen man hebt! — en dit woord vergeten hebbende, grijpt de Kerk naar verkeerde middelen. Welke zijn dat? Middelen, naar welke de Galaten van het begin af de handen hadden uitgestrekt, zeggende: „Gij moot u laten besnijden! Wat? eene besnijdenis zonder handen ? eene besnijdenis in Christus alleen? eene onzichtbare? Dat beteekent niets, gij moet u laten besnijden, anders komt het Woord, komt de belofte niet! Er komt geene deugd, geene vrucht, geene goede werken, tenzij gij u laat besnijden met eene zichtbare besnijdenis!" En de Kerk? — zij wordt zwak, zij geeft het Woord prijs, zij laat zich van den grond, waarop zij staat, afbrengen, om wat anders aan te nemen. Zoo ontstonden ook later in de Kerk allerlei stelsels en werken, kloosters en allerlei werkheiligheid, allerlei wonderlijke zedenleer, om de zonde te overwinnen, om verlost te worden van het kwaad geweten, om rust te vinden in eigen werken. Zoo heeft men dus in de geschiedenis van Ilagar en Sara volkomen hetzelfde, als wat van het begin aan de gansche Christelijke Kerk doortrokken heeft. nml. de zucht, om het door zichtbare middelen tot stand te brengen, in plaats van te wachten op het Woord van den almachtigen en getrouwen God. Nooit of nimmer heeft de Kerk, naar hetgeen men ziet en zien kan, zich kunnen tevredenstellen met het woord: Wees vroolijk, gij onvruchtbare! — indien gij vruchtbaar waart, waar zou Gods Woord blijven? Kan de aarde uit ziehzelve vrucht voortbrengen? of heeft God niet de aarde vruchtbaar gemaakt, en boomen daarin geplant, die zaad in zichzelven hebben, om vrucht voort te brengen ? Zijt gij vruchtbaar in uzelven, — waar blijft dan Gods machtig en getrouw Woord? dan heeft Hij immers niets bij u te doen en te werken; dan zijt gij het zelf. Zijt gij echter onvruchtbaar, dan hebt gij daarin het teeken, dat God het bij u tot stand zal brengen, dan hebt gij reden, om u te verblijden, dat God almachtig zal komen met Zijn Woord, en zal doen, wat Hij gezegd heeft. Maar dat is des vleesches ongeduld, dat, als men zal roemen, wanneer men geenen man heeft, en gelooven, dat de kinderen der eenzame meer zullen zijn dan die dor getrouwde, men niet wachten kan. En ach, wat zien wij in de geschiedenis? Leert zij ons iets anders dan dit levende beeld, namelijk: wat de dienstmaagd betreft, dat zij dienstmaagd blijft, en zij baart eenen zoon, maar de zoon gaat ledig heen, hij heeft niets en krijgt niets! En wat daarentegen Sara betreft, — al heeft zij ook verkeerd gehandeld, God heeft evenwel Zijn woord niet teruggenomen, maar het te Zijner tijd vervuld. Is het niet werkelijk gebleken, dat de onvruchtbare reden heeft tot blijdschap, zoodat zij wel mocht roemen en juichen, zij, die, toen Abraham Hagar nam, geenen man bad ? die, toen Abraham zich tot Hagar keerde, eenzaam was? Het heeft wel is waar lang geduurd ; maar wat deert het, als het wat lang duurt? Als God woord en trouwe houdt, wees er zeker van, des te dieper schiet het wortel en des te meer verheft het zich naar boven. Is het niet gebeurd, zooals God gezegd heeft? Heeft niet Sara op haren tijd, d. i. op Gods tijd, ervaren de waarheid van het woord: „Wees vroolijk, gij onvruchtbare!"? Heeft zij niet den zoon verkregen? En heeft niet deze haar zoon, Izak, het land gekregen, en niet Ismaël? Immers heeten wij geen Arabieren of Turken, maar wij zijn Izaks zaad naar de belofte. Is het dan van de kinderen van Izak, die het niet zijn naar het vleesch, niet waar geworden: „Uw zaad zal zijn als de sterren des hemels"? Zoo wij dan gelooven in den Heere Jesus Christus, alleenlijk gelooven, en ons niet verlaten op werken en deugd, maar bedenken, dat wij het Evangelie van Gods genade hebben ontvangen, zijn wij dan Ismaëls zaad, of niet veelmeer Izaks zaad ? Regeert dan in de Gemeente de prediking der verdoemenis, der dienstbaarheid, de prediking van het „doe dat, en gij zult leven", of de prediking: „Christus Jesus is gisteren en heden Dezelfde, en in der eeuwigheid"? Regeert er de prediking, dat God, van den mensch eischende, wat deze niet heeft, onrechtvaardig zou zijn, of deze: dat Hij zoo rechtvaardig is, dat Hij uit genade geeft, waar niets is? Ik meen toch het laatste, zoodat het waar is: „Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave, niet uit de werken, opdat niemand roeme; want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jesus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen". Die den boom schept, schept ook de vrucht; zij zal komen op Gods tijd. Maar dat eerst de boom goed zij, dan zal de vrucht ook goed zijn.
Het Jerusalem, dat in Paulus' tijd nog bestond, lag ten opzichte van Hagar, evenals twee straten, ten opzichte van elkander liggen, die door bruggen verbonden zijn en naast elkander loopen. Jerusalem was dienstbaar, Jerusalem zocht het als uit werken, om eene gerechtigheid voor God te vinden, daarom was Jerusalem gelijk aan den berg Sinaï, en van Sinaï komt niets dan: „Doe dat, en gij zult leven!" Dat alles is Hagar. Versta mij wel: Sinaï of Jerusalem is hier niet werkelijk de dienstmaagd Hagar, of Hagar niet werkelijk Jerusalem, maar gij hebt in deze huiselijke gebeurtenis een beeld, een levend beeld, van wat er geschiedt, als inen deze belofte prijsgeeft: „Zing vroolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt, maak geschal.. . ."
Maar wij zijn vreemde menschen, wij willen altijd denken over het afgetrokkene, en wat voor onze voeten ligt en dagelijks voorvalt, daarop geven wij geene acht Gaven wij er meer acht op, ten eerste hoe het bij onszelven toegaat, ten tweede hoe bij den naaste, gaven wij meer acht op de Schrift, om te zien, wat wij daar vinden, dan zouden wij er- meer toe komen, om te belijden: Het is waar, wat de Apostel hier zegt: wat naar het vleesch geboren is, vervolgt steeds dengene, die naar den Geest geboren is, kan de zuivere leer niet uitstaan, dat wij alleen door het geloof rechtvaardig zijn; daar wil men het steeds zóó verstaan: ja, ik ben door het geloof gerechtvaardigd, maar nu moet ik toch nog werken voortbrengen. Doch Hij, Die u goddelooze gerechtvaardigd heeft, hoewel gij een goddelooze voor Hem zijt, en u Zijne gunst betoont, en u genadig aanziet met Zijn Aangezicht, Hij zal u ook wel kleeden, zal u voorzeker goede zeden leeren, zal u leeren, wat de rechte weg is; maar dat gaat zoo dag voor dag, stap voor stap, opdat een mensch het niet in eigene macht, verstand en kracht hebbe, maar leve in afhankelijkheid van Hem, Die hem gunst bewijst, en het dan ervare, hoe Deze hem, als hij soms eenen verkeerden weg gaat, bij den arm neemt en hem weer terechtbrengt Hij houdt den mensch er bij, dat hij gelooft, altijd weêr gelooft, dat het gaat uit geloof tot geloof. Daar zal echter die naar het vleesch geboren is, zulk eenen voortdurend vervolgen, en voor zoover gij bij het Woord blijft, zult gij het ervaren, dat het vleesch in u altijd weder het geloof zoekt te onderdrukken, opdat gij niet bij het Woord blijft, u niet vastgeklemd houdt aan Christus. Maar sla gij dan weder deze geschiedenis op, hoor tot Abraham zeggen: „Drijf de dienstmaagd uit met haren zoon''; en gaat het u om het eeuwige leven, maar klaagt u uw geweten aan, dat gij tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd hebt, zoo zeg ik u ronduit: Werp de gansche wet uit met hare werken, als zij komen wil en ontnemen u de erfenis, ontnemen u de belofte: „Zing vroolijk, gij onvruchtbare!"
23 Juni 1872. H. F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 november 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Betrachting over Galaten 4 : 21—30.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 november 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken