Bekijk het origineel

22. Karel V. a. Een machtig en in menig opzicht voortreffelijk vorst. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

22. Karel V. a. Een machtig en in menig opzicht voortreffelijk vorst. (Slot.)

II. Uit de geschiedenis van de regeering der hertogen, graven en bisschoppen. (922—1581.)

6 minuten leestijd

De groote macht, die Karei V bezat, gebruikte hij ten nutte van zijne landen Vooreerst beveiligde hij ze tegen buitenlandsch geweld. Zoo beschermde hij de Nederlanden tegen de aanvallen van den koning van Frankrijk. Maar ook de inwendige toestand van de Nederlandsche gewesten ging hem zeer ter harte, en zeker -was zijne regeering ook wat dat aangaat in menig opzicht eene weldaad voor deze landen.
Welk een geluk voor de Nederlanden, dat ze nu alle te gehoorzamen hadden aan éénen heer! Aan de eindelooze twisten en oorlogen tusschen de verschillende gewesten was nu voorgoed een einde gekomen. Bovendien streefde Karei er onophoudelijk naar, eenheid in het staatsbewind te brengen. Het eene gewest •was gewend naar zulke wetten en privilegiën, het andere naar weer andere geregeerd te worden, j a zelfs de eene stad verkeerde in dat opzicht in geheel andere omstandigheden dan de andere, en niet zelden was een privilegie eene benadeeling' van het gewest of de stad, die zulk eene handvest of keur n i e t bezat. Karei zocht aan dezen toestand, die eene bron j van verwikkeling was, een einde te maken Veel vermocht hij echter in dezen niet, want men hield algemeen met hand en tand aan zijne voorrechten vast, en beschuldigde den Keizer van schending van de landswetten, zoo vaak hij ten bate van het gemeene welzijn in strijd met het een of ander privilegie handelde. Karei verloor zijn doel echter niet uit het oog. Dit blijkt o. a. daaruit, dat hij meer dan vijftig keer de gezamenlijke Staten der Nederlanden, de Algemeene Staten dus, bijeenriep, waardoor hij het bewustzijn levendig hield, dat al de gewesten één heer hadden en niet zelfstandig naast elkander behoorden te staan, maar met elkander moesten samenwerken. En Karei leerde de Staten een toontje lager te zingen, dan zij zich vaak veroorloofd hadden. De afgevaardigden werden niet opgeroepen, om met den landsheer, als heeren in eigen kring, wetten te maken of hunnen wil te doen kennen en besluiten te nemen, maar om te hooren, wat de landsheer besloten had en hunne toestemming te geven tot de noodige ,beden". Deze en dergelijke handelwijzen van den Keizer mochten den landzaten niet naar den zin zijn, zij moesten zich er wel bij neerleggen, en ten slotte moesten zij bekennen, dat het land er over 't algemeen wel bij voer.
Met wijze gematigdheid ging Karei bij dat alles te werk. Waar het echter noodig was, wist hij ook forsch op te treden. Dat ondervond Gent in 1540. Deze stad had geweigerd het hare tot eene bede bij te dragen, ja zelfs de vaan des oproers ontplooid en aan Frankrijk de souvereiniteit over Vlaanderen aangeboden Karei kwam in eigen persoon, om eene geduchte strafoefening te houden; hij noodzaakte do stad, om terstond haar aandeel in de belasting te betalen, ontnam haar al hare eigendommen en privilegiën, liet zich door de aanzienlijksten in boetgewaad om vergiffenis smeeken, legde 26 burgers het hoofd voor de voeten, en vernederde de trotsche stad op het diepst, door haar een kasteel te laten bouwen, dat haar in bedwang moest houden.
Dat Karei het welzijn van land en volk bedoelde, bewees hij, door op vele dingen orde te stellen. Met gestrengheid ging hij de bedelarij te keer, dwong de leegloopers tot werken, zorgde, dat de armen onderhouden werden, verbood den bedeelden in kroegen te loopen, en gebood de kinderen ter school te zenden en ze een ambacht te laten leeren.
De inwendige vrede en orde, die door den landsheer met kracht werden gehandhaafd, deden de welvaart eene te voren ongekende hoogte bereiken. Wel moesten de Nederlanden rijk zijn, daar de Keizer er in 9 jaren tijds meer dan f 4 0 000 000 aan belasting uit trok. Handel, zeevaart, vrachtvaart, vischvangst en nijverheid bloeiden er; landbouw en veeteelt waren toenemende. De handel van Brugge was naar Antwerpen verlegd, dat vooral sinds Spanje in Amerika vasten voet had gekregen en de Portugeezen in 1498 den weg ter zee naar Oost-Indië hadden ontdekt, door den handel met Spanje en Portugal eene machtige koopstad was geworden. De beurs telde er tweemaal 's daags meer dan 5000 bezoekers. In Noord-Nederland was Amsterdam, dat vooral handel op de Oostzee dreef, de voornaamste handelsstad, toen reeds de korenmarkt van Europa genoemd.
Wel waren de Nederlanden dus een begeerlijk goed. Karei stelde het bezit er van dan ook op hoogen prijs, j a achtte deze landen eene parel aan zijne vorstenkroon. Dat gevoelde het volk, en het had er zijnen vorst te liever om, en was, daar hij 's lands welvaart begunstigde, te eerder gereed om hem met hun goed en bloed te steunen.
Het is dus te begrijpen, dat Karei niets zoozeer wenschte, dan de Nederlanden voor zijn stamhuis te bewaren. Zijn broeder F e r d i n a n d was in 1531 als toekomstige keizer aangewezen ; F i 1 i p s , de zoon van Karei, zou dus hoogstwaarschijnlijk geen keizer worden. Daarom zag de Keizer zijne Nederlandsche erflanden wel gaarne door het Duitsche Rijk beschermd, maar er niet te zeer aan ondergeschikt, weshalve hij in 1548 bij het v e r d r a g v a n A u g s b u r g bepaalde, dat de Nederlanden als één geheel voortaan onder de hoede van het Rijk zouden staan, stem zouden hebben op den Rijksdag, zooveel als twee keurvorsten in de rijkslasten zouden bijdragen, maar overigens vrij en onafhankelijk zouden zijn; de gewesten die leenen van Duitschland waren, bleven het echter. En om er nu voor te zorgen, dat al de Nederlanden bijeenbleven, bepaalde Karei in het volgend jaar, dat in al de 17 Nederlandsche gewesten ééne wet van opvolging zou gelden ; die dus heer van één gewest zou zijn, moest het te gelijk ook van de zestien overige zijn.
Al was ook Kareis eigenbelang met deze maatregelen gemoeid, het valt niet te ontkennen, dat hij het goede voor de Nederlanden zocht, j a een van de voortreffelijkste vorsten was, die God aan deze landen ooit beschikt had. Doch in ééne zaak was hij een geesel voor de onderzaten; wat bovenal noodig was, wat voor de welvaart van de zielen zijner onderdanen noodig, j a onmisbaar was, trachtte hij met alle hem ten dienste staande middelen hun te onthouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 november 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

22. Karel V. a. Een machtig en in menig opzicht voortreffelijk vorst. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 november 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken