Bekijk het origineel

Overdenking van 2 Koningen 19 : 19.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van 2 Koningen 19 : 19.

23 minuten leestijd

„Nu dan, Heere, onze God! verlos ons toch uit zijne hand; zoo zullen alle koninkrijken der aarde weten, dat Gij, Heere! alleen God zijt."

Is het niet van den beginne des Heeren woord: „Ik zal vijandschap zetten tussehen u (de slang) en tusschen deze vrouw, en tusschen uw zaad en haar Zaad"? Niet zoodra is een mensch door Gods genade waarachtig om God en eeuwig heil bekommerd geworden, of de oude slang begint haar gif naar hem uit te spuwen. Het kruis van Christus maakt de wijsheid, de gerechtigheid en de kracht der wereld te schande, — nauwelijks zoekt een mensch dat kruis in der waarheid, of de wijsheid en gerechtigheid en kracht der wereld maakt zich tegen hem op, zoowel onder vromen als goddeloozen vorm. Want de eenige gerechtigheid, die daar geldt voor God, ondermijnt den vahchen grond, en een mensch wil liever in boosheid ontbranden en zichzelven bedriegen, dan vernederd en bekeerd en behouden worden, Daarom is dit het rechte kenteeken der Gemeente Gods: „In de wereld zult gij verdrukking hebben", en de troost: „maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen". Dit kenteeken is het kenteeken van de wolke der getuigen van den beginne, van Abel en Henoch, van Abraham en Mozes, van allen, die door een waar geloof getuigenis hebben bekomen, dat zij Gode behaagden. Daarom blijft het te allen tijde de troost der Gemeente Gods, dat God de Heere van ouds her gewaakt heeft voor Zijn Woord en Zijne eere, en de godzaligen uit alle verzoeking heeft verlost. Dat blijkt ons ook uit de geschiedenis van koning Ilizkia, inzonderheid uit een gebed, door hem gebeden in grooten nood, hetwelk wij opgeteekend vinden 2 Kon. 19: 19: „Nu d a n , H e e r e , o n z e God! v e r l o s ons t o c h u i t z i j n e h a n d ; zoo z u l l e n a l le k o n i n k r i j k e n der a a r d e w e t e n , d a t G i j , H e e r e! a l l e e n God z i j t ".
Deze woorden overdenkende, gaan wij achtereenvolgens na: welke benauwdheid tot dit gebed gedreven heeft, wat den koning moed gaf, om met dit gebed tot God te gaan, en welke treffende verhooring van dit gebed God heeft geschonken.
W e l k e b e n a u w d h e i d d r e e f t o t d i t g e b e d ? — Bij de overdenking van 2 Kron 30: 18—20 hebben wij gezien, dat de vrome koning zijnen wensch van God had verkregen. Hij had zich met zijn volk vereenigd in den dienst des Heeren ; hij had ook een overblijfsel uit het uitgeroeide Israël met zich aan des Heeren Pascha vereenigd, hij had Gods genade gezocht voor allen, die niet naar de reinigheid des heiligdoms doch met hun gansche hart waren toegegaan, en God had hem verhoord en het volk geheeld. En daarna hadden zij met blijdschap in God het Pascha gevierd, hadden de lammeren geslacht en gegeten, en zich verheugd over Gods genade, aan hen, arme zondaren, bewezen; do goedheid Gods, Die hen zoo zeker uit de dienstbaarheid van zonde en duivel verloste, als Hij voorheen Zijn Israël uit Egypte had verlost, had hen geheel vervuld, en zij hadden al de opgerichte beelden en do hoogten weggedaan, die in Juda en Tsraël werden gevonden. O, welk eene vreugde, dat zij den Heere geloovig geworden waren! Zoo heeft al des Heeren volk eene hartelijke vreugde in God door Christus, wanneer wij als arme, onwaardige zondaren door Hem getrokken en door Hem tegen onze zonde getroost worden. Maar het is niet alles troost en vreugde gebleven, de Satan heeft dat schoone werk van Gods genade, — koning en volk in den dienst Gods verbonden, — niet lang onaangevochten gelaten, het moest met Gods Gemeente door veel angst en benauwdheid henen om des Heeren wil, ook met den koning, ja allermeest met den koning, want een goed en godvruchtig koning is de meest geplaagde man ter wereld; hoo aanzienlijker iemand in de wereld is, des te meer gevaar om den Heere en Zijne wegen te verloochenen, des te meer vijandschap, indien men in woord en wandel getrouw IIem belijdt. De groote machten der wereld staan op tegen het Koninkrijk van Jesus Christus, -— „de vergaderingen der tirannen zoeken mijne ziel", zegt David in den 86ste" Psalm. Do helsche maeht is weldra ook tegen Hizkia opgekomen. Wij lezen het wel, hoe na alle werk, dat hij begon in den dienst van het huis Gods en in de "VVet en in het gebod, om zijnen God te zoeken met zijn gansche hart, hoe na al deze dingen Sanherib, de koning van Assyrië is gekomen met zijne geweldige legermacht; wij lezen het wel, hoe grootelijks hij den Godvreezenden koning heeft benauwd. Ja, Hizkia zocht den vrede en gaf goud en zilver over, maar Sanherib bleef aan den oorlog. Hizkia bemoedigde zijn volk en sprak: „Zijt sterk en hebt goeden moed, ontzet u niet voor het aangezicht der gansche menigte, want met ons is meer dan met hen. Met hen is een vleeschelijke arm, maar met ons is de Ileere, onze God, om ons te helpen en onze krijgen te krijgen". Evenwel, de vijand kwam en nam alle steden, alléén Jerusalem was overgebleven, en met de grootste verachting zagen de talrijke en sterke vijanden op het arme kleine hoopje geloovigen neder en bespott'en hen, dat zij nog geene ruiters genoeg hadden voor 2000 paarden, die hun de koning van Assyrië zou geven, zoo zij er de ruiters voor hadden. Wel mocht koning Hizkia zeggen: „Het is een dag der benauwdheid". En wat zijne benauwdheid nog grooter maakte, was, dat Sanherib Hizkia's volk nog van hem trachtte af te trekken, en zulks onder de schandelijkste lasteringen. Hizkia had de hoogten weggenomen, waarop het volk te voren offerde buiten den tempel. En nu doet Sanherib het voorkomen, alsof Hizkia de hoogten des Heeren heeft weggenomen, alsof die hoogten tot den dienst Gods behoorden, en alsof Hizkia alzoo zich aan den dienst Gods had bezondigd. Wie op de hoogten offerden, matigden zich aan, op die hoogten meer tot God op te klimmen, Gode meer nabij te zijn. En God wil ons op geene hoogten hebben, maar in de diepte onzer ellenden, — daaruit zal het gebed komen:
Uit diepten van ellenden
Roep ik met mond en hart
Tot U, Die heil kunt zenden:
O Heer! aanschouw mijn smart!
Maar helaas! diepe nood en diepe ellende is menigeen, al is hij onder het bondsvolk, geheel en al vreemd, en dan offert men liever op de hoogten, — dan wil men liever tot God opklimmen in eigen deugd en kracht, met werken en wijsheid en vroomheid des vleesches en schijn van heiligheid, en dat zijn alle hoogten, — het is alles eene aanmatiging, die Gode mishaagt. Maar Hizkia moest een aanrander van den godsdienst des Heeren heeten, omdat hij, als geen koning nog te voren, de hoogten wegnam, — en de ware zaligmakende genade wordt in de wereld verketterd, als de genade ons van al onze hoogten wil aftrekken en ons over onze zonden wil bekommerd maken. De wereld is vol van godsdienst, maar ook vol van hoogten als in het rijk Juda, en dat is voorwaar de allergrootste verleiding van den vorst der duisternis, wanneer hij ons op onze hoogten stelt en wij onszelven aanmatigen, dat wij den Heere waarlijk dienen.
Wel ons, zoo Gods genade ons voor Hem ter aarde werpt, wel ons, zoo al onze aanmatiging te niet wordt gedaan, wel ons, zoo de Heere genadig en ontfermend ons voor en na heeft afgetrokken van onze hoogten, die wij in eigenwaan beklimmen — wel ons, zoo de genade, de genade alleen, waarlijk onze toevlucht, onze troost geworden is! Dat leert men alleen in diepten van ellende, — daar worstelt men voor God met het: „Bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt", en daar moet men evenals Hizkia de smaadheid des Evangelies dragen, die toch de smaadheid van Christus is. Is Christus bij de Joden wel gescholden geworden als een ongeloovige Samaritaan, toen Hij de hoogten hunner aanmatiging door Zijn geuadewoord had neêrgeworpen, dan zal een discipel niet zijn boven zijnen Heere, noch vóór, noch na des Heeren komst op aarde; dan kan het niet anders, of een Hizkia, die de hoogten wegneemt, wordt gelasterd als een aanrander van den dienst Gods. Vandaar dat Hizkia in nood en angst heeft uitgeroepen: „Deze dag is een dag der benauwdheid en der schelding en der lastering". „Zalig zijt gij, als u de menschen smaden en vervolgen en, liegende, alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil", ziedaar, wat aan ons vervuld zal worden, zoo het ons gaat, om als een arm en verloren zondaar slechts genade te vinden in de oogen Gods. Dat wij aan des Heeren kruis gemeenschap hebben, dat is voorwaar een beter keuteeken van ons Christendom, dan al wat men anders toonen kan. En wie dit kenteeken mist, mist ook alles. Wie een tijdgeloof heeft, kan eenen tijd lang alles hebben, een goed geloof, zoo het schijnt, en alle werken, maar er komt vervolging, en — menigeen wordt geërgerd. De wereld, ook de vrome wereld, is niet zoo goedgunstig, dat zij van hare hoogte en aanmatiging afstand wil doen, en wederom — de Heere Jesus heeft nog nooit gezocht, dan alleen naar zondaars, verloren zondaars. O, indien iemand lijden moet, dat hij dan niet lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of als een, die zich met eens anders doen bemoeit! Maar gaat het eenen mensch om de genade bij God, en ligt hij in de diepte zijner ellende, en zinkt hij neder op den grond dier oneindige genade, door Christus in Zijn eenig en algenoegzaam offer aangebracht, — zoo deze mensch dan lijdt als een Christen, hij schame het zich niet; en zoo iemand dien toren wil bouwen, dat hij Jesus volge voor tijd en voor eeuwigheid, — hij hebbe de kosten berekend, het kost hem de verdrukking en lastering door de wereld, — een prijs, die ons allen te hoog voorkomt, zoo de verlossing onzer ziel ons niet kostelijk genoeg is. Wien het dan gaat om zijne ziel als eenen buit weg te dragen uit het oordeel des Heeren, hij verschrikke niet vanwege de verdrukking in deze wereld, het zij hem niet vreemd, als de menschen om Christus' wil hem smaden en lasteren en alle kwaad tegen hem spreken, — hij zie op Hizkia, die als koning aan de spitse stond en den zwaarsten aanval had te verduren, en waar hij, een koning, den Heere zocht in zijn smeekgebed om verlossing, daar zij alléén de Heere ook ons betrouwen, onze Rots en onze Burg, — ons smeekgebed is Zijn lof, want alzoo bekennen wij : „Er is geen Heiland en geen Verlosser dan Gij alléén".
Hizkia dan bad, en eenvoudig en treffend was zijn gebed: „Nu dan, Heere onze God, verlos ons toch uit z i j n e h a n d , zoo z u l l e n a l l e k o n i n k r i j k e n der a a r d e w e t e n , dat G i j , H e e r e , a l l é é n God z i j t ". Vanwaar toch had Hizkia den m o e d , vanwaar de hoop op verlossing? vanwaar nog moed en hoop om alzoo te bidden? Ja, zal men zeggen, wat zou hij anders doen dan bidden? Maar zijt gij, die dat zegt, dan wel ooit zeifin eenen z waren nood geweest, dien gij gebracht hebt voor het Aangezicht Gods? Eu wat ervaart men in den nood ? O, het gebed is niet maar eene taal der lippen, en bovendien, de alles te boven gaande nood verbijstert en verbaast den mensch. Die niet in gezonde dagen of in voorspoed waarlijk den Heere zoekt, — als do kwade dagen komen, staat hij verbaasd, vertwijfeld, en die verbaasdheid zou ook al het arme en zwakke volk des Heeren overmeesteren, indien de Heere hen in den nood geheel verliet. Of wie zou willen beweren, dat het Hizkia niet ontzette, toen hij den voorspoed der vijanden zag en hunne lasteringen hoorde? De Heere deed hem het water wel tot de lippen komen : slechts ééne stad, slechts Jerusalem was overig, — voorwaar, de nood was hoog gerezen. Zullen dat nu de wegen des Heeren zijn, als wij op Hem hebben betrouwd ? Zullen zij dan beschaamd worden, die den Heere hart en hand gegeven hebben en op Hem hopen? Wat is onze kracht? Ziedaar, de legerscharen van Sanherib vervullen het land, het is eene menigte, waartegen geene kracht in ons is! Wie zal nu nog met moed en hoop kunnen bidden? Voorwaar, der versmading en verachting is ons te veel, — de vreeselijke, trotsohe, talrijke en overmoedige vijanden roepen het uit: „ Heah! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons ten erve geworden!"
Er behoort genade toe, om in zulk eenen ontzettenden nood in smeeking en gebeden aan te houden bij God. En daarin toont de trouwe Ontfermer, dat Hij Zijn volk niet begeeft, Hij brengt hen tot het gebed: „Roept Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal u uithelpen, en gij zult Mij eeren"; H i j , de Heere, staat ook in elke benauwdheid weder op in het moedelooze en verslagene hart, en al ligt er nog zulk een zware last op het hart en nog zulk een j u k op het kinnebakken, Hij licht het alles weder op en geeft het noodgeschrei tot Hem, den levenden God, j a , tot Hem, tot VVien Hiskia zegt: „ H e e r e, o n z e G o d " , d. i. God des Yerbonds, trouwe en genadige Jehova, almachtig en sterk en boven alle goden der wereld. Waar nood is en waar het hart om den Heere bekommerd wordt, daar ziet men scherp, want daar ziet men 0111 naar één' enkelen straal van licht, naar één enkel kruimeltje troost, en dat in alle donkerheid en versaagdheid. Was het niet de Kananeesche vrouw, die, door nood en behoefte gedreven, in elk hard woord van den Heere Jesus nog eenen toegang, hoe klein dan ook, tot Zijne genade vond? En daar ziet Hizkia op die groote, overstelpende menigte, daar hoort hij de grenzenlooze versmading dier overinoedigen, maar als hij nu het moedelooze hoofd moet buigen, hoort hij nog één woord, en, hoe vreeselijk het ook is, het maakt, dat hij met moed en hoop op verlossing het gebed doet tot God. „Weet gij niet, wat ik gedaan heb," zoo laat de overmoedige vijand zich hooren, „wat ik gedaan heb aan alle volken der landen? Wie is er onder alle goden dier natiën, die zijn volk heeft kunnen redden uit mijne hand, dat uw God u uit mijne hand zou kunnen redden? Alzoo zal de God van Jehizkia Zijn volk uit mijne hand niet kunnen redden." Zoo spraken zij van den God van Jerusalem als van de goden der volken der aarde, een werk van menschenhanden.
In die woorden ziet Hizkia, dat de overmoed der vijanden des Heeren te verre gaat, dat zij den Heere tergen om te toonen, dat Hij leeft en niet dood is als de goden der volken; daar ziet Hizkia, dat de Heere wel moet opstaan om de eere Zijns Naams en nu den overmoed niet meer zal gedoogen. En te midden van angst en zichtbare hopeloosheid komt er hoop en moed in het hart en het gebed stijgt uit de diepte ten hemel: „Nu dan, Heere, onze God! verlos ons toch uit zijne hand, zoo zullen alle koninkrijken der aarde weten, dat Gij, Heere! alléén God zijt". O, hoe groot Hizkia's nood en zwakheid was, hoe diep hij ook gebogen was onder al den druk, — toen Hizkia d i t eenmaal met de oogen des harten had gezien, hoe het hier de eere Gods gold om thans te toonen, dat Hij geen werk van menschenhanden is, toen heeft hij den Heere kunnen vasthouden met alle woorden, die hém voor den geest kwamen en waarin de Heere toch belooft: „Ik ben de Heere, dat is Mijn Naam, en Mijne eere zal I k geenen anderen geven, noch Mijnen lof den gesneden beelden". En daar is het arme hart bemoedigd en de hoop heeft er zijnen intrek genomen, en de overwinning is behaald nog vóórdat er iets is te zien en vóórdat Sanherib ook maar denken kan aan eenige vernedering.
Yan waar dan nog heden de moed en de hoop der Gemeente des Heeren, wanneer zij in den Heere Jesus hare welvaart en zaligheid zoekt? Yan waar haar moed en hare hoop, als de oprechten het wel ervaren, hoe een ellendig en arm volk, dat in diepten van ellenden den Heere geboren wordt, op het allerbitterst wordt gehaat en gesmaad van allen, die op de hoogten wonen? „In ons is geene kracht tegenover deze menigte", dat is immer de belijdenis, — en het is niet anders, „een klein kuddeken" is het, tot hetwelk Jesus sprak: „Vreest niet, Ik zal ulieden het Koninkrijk geven".
Met de vijanden intusschen zal het immer gaan, gelijk wij lezen van Sanherib, dien vreeselijken belager der Kerke Gods: hoe grooter de inbeelding, des te meer nabij den val. Het is toch een troostvol vers:
Als God ter hooge vierschaar steeg,
't Zachtmoedig volk verlossing kreeg,
Ontzette zich het groot heelal.
Gewis, des menschen gramschap zal,
Wanneer z' op 't hevigst is aan 't blaken,
Uw' grooten lof nog grooter maken.
Laat ons in allen nood het oog op de eere onzes Gods houden, en hoe hooger de nood, des te meer verheerlijkt de Heere Zich als den levenden God, Die niet gelijk is aan de goden der volken. Laat ons dit in het oog gevat hebben, en de moed en de hoop zullen ons ras tot het gebed hebben gebracht.
O p t r e f f e n d e w i j z e is het g e b e d des k o n i n gs v e r h o o r d ; — des Heeren volk zal, hierop ziende, op God alleen zijn betrouwen stellen De Heere openbaarde Zich aan den Profeet Jesaia, en deze sprak des Heeren Woord tot Hizkia: „Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrië, heb I k gehoord. Dit is het woord, dat de Heere over hem gesproken heeft: De jonkvrouwe, de dochter Zions, veracht u, zij bespot 11! de dochter Jerusalems schudt het hoofd achter u ! Wien hebt gij gehoond en gelasterd en tegen wien hebt gij de stem verheven en uwe oogen omhoog opgeheven ? Tegen den Heilige Israëls! I k weet uw woeden tegen Mij. En in de stad zal hij niet komen, maar door den weg, dien hij gekomen is, door dien zal hjj wederkeeren". En naar het Woord des Heeren is het geschied. De Heere zond eenen engel tegen de legermacht, die als een gordel van spiesen en schilden de stad omsloot, en alle strijdbare helden en vorsten en oversten in het leger van Sanherib zijn verdelgd, 185000 in getal. Met schaamte moest de vijand vluchten, en als hij ook nü nog niet den Heere de eere gaf en zich voor Hem ook mi nog niet nederboog, maar zich boog in het huis zijns afgods, toen hebben zijne eigene zonen hem daar, bij zijnen dooden afgod, gedood, en zijn afgod heeft hem niet uit hunne hand kunnen redden, gelijk de Heere Hizkia uit zijne hand.
Vermag de Heere het ook, Zichzelven te verheerlijken, te waken voor Zijn Woord en eer en voor allen, die Hem in waarheid vreezen? Hoort Hij ook het geroep Zijner ellendigen? Staat het niet bij Hem, om te helpen hetzij door velen, hetzij door weinigen, hetzij ook zonder eenigen mensch, gelijk hier? Zooeven nog is daar een koning, op het toppunt van eer, machtig en een veroveraar van rijk op rijk, en door één' wenk des Almaehtigen is hij een vluchteling en spoedig sterft hij eenen ellendigen dood. Zooeven nog is daar een leger, niet te tellen, schitterend voor het oog, dorstend naar het bloed van de kudde des Ileeren, en ziedaar, in éénen nacht is het voor een goed deel vergaan door het wraakzwaard des Heeren. En Hizkia en de zijnen? Zooeven nog sidderen zij als een espenblad; ofschoon zij hopende zijn op des Heeren Woord en belofte, zijn zij daarbij vol vreeze, ja beven, als zij op den machtigen vijand zien. En nu, het schijnt een blijde droom te zijn.
Dat Israël nu zegge, blij van geest:
Indien de Heer, Die bij ons is geweest,
Indien de Heer, Die ons heeft bijgestaan,
Toen 's vijands heir en aanval werd gevreesd,
Niet had gered, wij waren lang vergaan.
Wie den Heere de eere geeft, wie zich vernedert onder Zijne krachtige hand, dien helpt Hij, al ware het ook een koning, die niet meer van zijn land heeft overgehouden, dan hij met zijne voeten beslaat. En zoo geldt het van een iegelijk in zijnen kring. Maar als een mensch de inbeeldingen des harten te boven gaat, o hoe licht tergt hij in zijn gedrag den Heere, en hoe gewis moet hij het ondervinden, dat die God, Wiens Woord zóó tot ons spreekt, geen doode God is, noch een werk van menschenhanden.
Hoe veilig is de duurgekochte Gemeente des Heeren, veilig zonder kracht en zonder macht en zonder aardsche heerlijkheid! Hoe veilig, al woeden de Heidenen, al bedenken de volken ijdelheid, ja al stellen de koningen en tirannen der aarde zich op en beraadslagen tegen den Heere en Zijnen Gezalfde! Wél is het geen spel en geene verbeelding, dat verdrukking in deze wereld het veelvuldige deel is van 's Heeren ware discipelen, want „ook allen, die godzalig willen leven in Christus Jesus, die zullen vervolgd worden", en „wee u, als allen wel van u spreken", — nochtans, het gaat van uitredding tot uitredding, en zoo gaat het van kracht tot kracht, en het gebed is juist in den nood een wapen bevonden, waarmede wij onze vijanden om Christus' wil overwinnen.
Wanneer wij nu echter deze geschiedenis hebben vernomen, zoo zouden wij in onze eigenliefde al gaarne onszelven vleien en ons het liefst voegen bij koning Hizkia. Indien wij echter niet met ons gansehe hart den Heere zoeken, indien wij meenen de bekeering niet van noode te hebben en zorgeloos daarhenen wandelen, o, laten wij ons dan niet vleien, dat God ons eene hulpe wezen zal in benauwdheid. Gaarne is een menschenkind, anders toch maar stof en assche en minder dan een stofje aan de weegschaal, gezeten op zijne hoogten. Zijn wij niet vroom, zoo verhoovaardigen wij ons op geld en goed en eer en aanzien; en vreezen wij in den waan van vroomheid den Heere niet, zoo stellen wij ons boven het gebod Gods, dat alle menschen onder Gods toorn besluit. Maar als zelfs een koning als Sanherib vergaan is op eenen wenk des Heeren, o, wie moet dan niet vreezen, als de Heere zegt: „Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt, en gij al Mijnen raad verworpen hebt en Mijne bestraffing niet gewild, zoo zal Ik ook in ulieder verderf lachen. Ik zal spotten, wanneer uwe vreeze komt"?
Wanneer mogen wij ons dan met deze heerlijke geschiedenis troosten? Koning Hizkia bad: „Nu d a n , H e e r e , onze G o d " . . . Wie dat met een goed geweten zeggen mag: „ O n ze G o d , m i j n God", voor dien is de troost. Kunnen en mogen wij dat dan allen niet zeggen ? Ja, niemand is buitengesloten, dan die zichzelven buitensluit, en zichzelven buitensluiten, dat doet een iegelijk, die op zijne hoogten zit, en des Heeren bestraffing niet wil. Daarom, laat het woord uit Hanna's lofzang ook ons toegeroepen zjjn: „Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken", gelijk een Sanherib, en een rasch verderf over u zoudt halen! — Wel ons, zoo het ons gaat om den Heere en Zijne gunst, om met een goed geweten dat „ H e e r e , o n z e G o d " en „ o n z e V a d e r " uit te spreken. Hebben wij dan niets dan zonde en onwaardigheid, en vreezen wij den troost dezer geschiedenis tot ons te trekken, zie, zoo wij van ganscher harte den Heere zoeken en tot Hem getrokken worden, — zoo zullen wij het alras aan den druk om des Woords wille vernemen, dat wij bet rechte kenteeken hebben, 't welk Christus Zijnen geloovigen geeft. Scharne zich dan niemand in dezen deele, laat het veelmeer onze zorg zijn, dat wij eene onergerlijke consciëntie hebben voor God en menschen, opdat wij lijden enkel om Christus' wil en niet door eigen schuld! Zoeken wij slechts in waarheid de vergeving onzer schulden, opdat Christus, onze Borg en Middelaar, onze eerste en onze eenige liefde zij! Wat ons dan overkome, dat ligt, en wij daarbij, in des Heeren hand, Hij draagt heen door golven en baren, maar doet het water over de lippen niet komen. De wereld is vol van booze werken en raadslagen tegen het heilige Woord Gods. En die op de hoogten wonen en aanbidden, vreezen niets, maar eens is de maat der zonden vol, eens zal het de eere Gods zijn om op te staan. Veilig is dan des Heeren duurgekochte volk, omringd van de engelen, die gedienstig zijn tot hunne zaligheid. Onze eenige zorg zij, dat onze wandel in der waarheid zij en dat de Heere ons in waarheid beware bij Zijn Woord onder alle verzoekingen en nooden des levens! God zal verlossen, die alzoo op Hem hopen, en zelfs de koninkrijken der aarde zullen weten, dat de Heere alléén God is. Het is Gods eere, te verbergen, hoe Zijn volk door eiken druk zal heenkomen, maar het is evenzeer Zijne eere, hen er door te dragen tot in Zijnen zaligen hemel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 december 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

Overdenking van 2 Koningen 19 : 19.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 december 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken