Bekijk het origineel

Aanteekening op 1 Thessalonicensen 1.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekening op 1 Thessalonicensen 1.

6 minuten leestijd

Nadat de Apostel Paulus Timotheiis tot die van Thessalonica gezonden had, om zich van hun geloof te overtuigen, en Timotheiis hem en Silas de goede boodschap gebracht had van hun geloof en hunne liefde en dat zij altjjd goede gedachtenis van de Apostelen hadden (Hoofdst. 3), doch tevens vernomen had, hoeveel zij van hunne eigene medeburgers geleden hadden om de getuigenis van Christus (Hoofdst. 2 : 14), en hoe zij allerlei verdrukking te lijden hadden, — schreef hij in overeenstemming met den geest der broederen en dienaars, Silas on Timotheiis, dezen eersten Brief, ten einde de Gemeente te versterken, om met alle voornemen des harten bij den Heere en Zijn Evangelie te blijven en te volharden. In verdrukking om des Heeren wil pleegt de verzoeker ons te verzoeken (Hoofdst. 3 : 5). Hij heeft daartoe duizend helpers, ons eigen zwak hart, vleeseh en bloed, onze behoeften, de gansche wereld met hare betoovering en hare godsdienstigheid, en zet alle valsche profeten tegen ons op. Zoo worden wij aan allerlei aanvechting, droefenis en ontbering, allerlei smaad cn miskenning eenen tijd lang prijsgegeven. Dan schijnt het, alsof de leer van Christus toch niet de rechte leer is; alsof hare predikers en waarachtigo getuigen verleiders zijn, die heel wat anders zoeken dan de eere Gods en de zaligheid der zielen. Dan wordt ons geloof, onze liefde, onze hope aangegrepen, de lijdzaamheid Christi wordt op de uiterste proef gesteld; de werken, in God gedaan, worden miskend, de heiliging misduid, als zou zij andere beweegredenen hebben, en de ware heiliging niet zijn. Hoe meer de Wet erkend wordt, zooveel te meer worden zonden gezien; hoe meer toeneming in de kennis Gods en Christi, des te meer kennis en ervaring van onze verdorvenheid. Dan verversagen wij. Terwijl wij meer en meer in de gemeenschap der heiligen komen en hun tot voorbeeld gemaakt worden, schijnen wij onszelven ten eenenmale verlaten, overgegeven» vergeten toe. Dan zijn er allerlei bestrijdingen, of de leer van Christus, zooals wij ze van de Apostelen onder veel verdrukking ontvangen hebben, wel de rechte is; of wij waarlijk daarin voor God rechtvaardig zijn, waarlijk door Hem geliefd en uitverkoren zijn; of wij waarlijk bij Hem in genade zijn en nooit meer in het gericht zullen komen; of de leer, die wij ontvangen hebben, waarlijk alle goede werk, waarlijk de ware reiniging en heiliging voor ons medebrengt, waarlijk ons daarin zet, dat wij Gods goeden en volmaakten wil volbrengen. Tegen zulke aanvechtingen nu dient deze apostolische Brief, opdat wij getroost worden, dat wij het rechte Evangelie ontvangen hebben van degenen, die God waarlijk zendt, en niet een mensch; dat wij door God geliefd en uitverkoren zijn, en dat wij in Zijne wegen wandelen. Zoo versterkt en vertroost one deze Brief niet alleen, maar bouwt verder voort op den eenigen grond der genade van Christus en der liefde Gods des Vaders, opdat de overgebleven verkeerdheid niet opnieuw doorbreke, en alles, wat uit de harten der menschen komt en in de Gemeente dagelijks opkomt als onkruid in den hof, door de macht der goddelijke prediking en vermaning der liefde ten onder gehouden, verstikt en gedood worde, dag aan dag, opdat voorts de harten gesterkt en onstraffelijk zijn in de heiligheid voor God en onzen Yader tot de toekomst onzes Heeren Jesus Christus met al Zijne heiligen. De versterking des harten om in alles steeds meer toegerust te worden tegen iedere aanvechting, iederen tegenstand in, ligt dus in het apostolisch woord; alzoo, dat, terwijl eensdeels de ernst Gods, waarmede Hij eiken verkeerden wandel afkeuren en bestraffen zal, ons voorgehouden wordt (vergel. Iloofdst. 4 : 6), wij anderdeels op God heengewezen worden, op al datgene, wat Hij gedaan en gewerkt heeft, aan en in ons doet en werkt, en doen en werken zal, en wat wij derhalve van Zijne genade af te smeeken hebben en gewisselijk verwachten mogen. Zoo Hoofdstuk 2 : 1 3 : „Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet als der menschen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft"; vergelijk Vers 19; Hoofdstuk 3 : 8 : „Want nu leven wij, indien gij vast staat in den Heere"; Hoofdstuk 4 : 7 : „God heeft ons geroepen tot (Grieksch: in) heiligmak i n g " ; Vers 17: „Wij zullen altijd met den Heere wezen"; Hoofdstuk 5 : 9 : „God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jesus Christus" ; Vers 23 en 24: „En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst onzes Heeren Jesus Christus. Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen z a l " ; Vers 16 en 17: „Verblijdt u te allen tijde. Bidt zonder ophouden. Dankt God in alles"; 2de Brief, Hoofdstuk 2 : 13 en 14: „God heeft u van den beginne verkoren tot zaligheid, in heiligmaking des Qeestes en geloof der waarheid, waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie tot verkrijging der heerlijkheid onzes Heeren Jesus Christus".
Hoofdsom: „Zoo dan, broeders! s t a a t v a s t en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief. En onze Heere Jesus Christus Z e lf en onze God en Vader, Die ons l i e f g e h a d h e e f t en ons g e g e v e n heeft eene e e u w i g e vertroosting en goede hope in genade, vertrooste uwe harten en versterke u in alle goed woord (in alle woord, dat uit Zijnen mond uitgegaan is en uitgaat) en werk" (dat duivel en werkheiligen niet als goed werk willen laten gelden, met het doel om u tot anti-christelijke werken te verleiden). 1 Cor. 1 5 : 1 en 56—58: „Voorts, broeders! ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat. — De prikkel des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet. Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jesus Christus. Zoo dan, mijne geliefde broeders, zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere".
30 Juni 1860.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 december 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

Aanteekening op 1 Thessalonicensen 1.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 december 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken