Bekijk het origineel

22. Karel V. b. Een vervolger van de Gemeente des Heeren. (1ste Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

22. Karel V. b. Een vervolger van de Gemeente des Heeren. (1ste Gedeelte.)

II. Uit de geschiedenis van de regeering der hertogen, graven en bisschoppen. (922—1581.)

9 minuten leestijd

Hoe grooten bloei de Nederlanden onder het bestuur van Karei V ook genoten, toch was de toestand van het volk diep beklagenswaardig. De welvaart ging gepaard met een leven in overdaad, wellust en ongebondenheid. Allerlei schandelijke zonden werden schaamteloos bedreven, zelfs door degenen, wien het ambt van zielzorger was toevertrouwd, en die dus vóór anderen voorbeelden van eenen Godvruchtigen wandel behoorden te zijn.
Van waar dat ? Ach, men wilde niet meer weten, van waar het wandelen in Gods geboden komt. Wij hebben vroeger reeds vernomen, dat hetgeen de Christenzendelingen aan onze Ileidensche voorvaderen verkondigden niet het zuivere Evangelie van Jesus Christus was, maar het Evangelie vermengd met inzettingen der menschen. Die inzettingen der menschen kregen meer en meer de overhand en verdrongen ten laatste de leer van Christus geheel en al. Men wilde niet gelooven,. wat Gods Woord van ons getuigt, namelijk dat alle menschen goddeloos zijn, hetzij zij vroom of niet vroom zijn. Men wildeniet gelooven, dat ook onze beste werken met zonde besmet zijn en de zaligheid niet kunnen verdienen. Nu, die er zoo over dachten, hadden natuurlijk ook geene behoefte aan eenen Zaligmaker, Die gekomen is, om verlorenen, goddeloozen zalig te maken. Zoo kwam men er dan toe, om Christus en het offer, dat Hij in Zichzelven aan het kruis heeft volbracht,, op zij te schuiven. Christus' werk en verdienste heette voortaan niet meer genoegzaam tot de zaligheid. Men moest, zeide men, zich Gode aangenaam maken door allerlei boetedoeningen, door veel en langdurig bidden, door zichzelven te kastijden,, door zich te onthouden van deze of gene spijzen of dranken, of door zich in een klooster van de wereld af te zonderen enz Men wilde dus niet goddeloos heeten, maar de daden bewezen het anders wel, want hoe talrijker de kloosters en hoe menigvuldiger de menschelijke inzettingen werden, ja hoe meer men heilig trachtte te leven of beweerde te leven, des te meer brak de goddeloosheid door. Toch erkende men zijne verdorvenheid niet, maar zocht altijd weêr door nieuwe middelen, door eigen kracht tot heiligheid te geraken. En zoo zonk de Christenheid dan steeds dieper, en het volk mocht nóg zoo beschaafd en verlicht heeten, — eene dikke duisternis, de duisternis der leugen en der ongerechtigheid, bedekte heel het volk.
Uit die verwerping van hetgeen de Heilige Schrift van ons menschen zegt, was ook het pausdom voortgekomen. De mensch, die in zijnen hoogmoed niet geheel bedorven wil heeten, wil zich ook niet door God laten regeeren, maar wil eigenlijk zelf God zijn. Uit die begeerte is de zelfverheffing van den paus van Rome te verklaren, die zich stedehouder van Christus noemde en zich in de plaats van Christus stelde, door eigenmachtig (en nog wel voor geld) de zonden te vergeven en zich aan te stellen, of hij naar willekeur over hel en hemel kon beschikken, j a zich Goddelijke eer te laten bewijzen.
Maar wist men dan niet, dat de Heilige Schrift zulke dingen -vervloekt? Ach, de paus en de priesters in liet algemeen stelden zich boven de Schrift, in plaats van voor Gods Woord zich te buigen. Gods Woord moest niet meer voldoende heeten «in Gods wil te keonen. De paus was immers in Gods plaats? — dus de paus en niet Gods Woord zou zeggen, waaraan men zich te houden had. En zoo werden dan aan de Schrift allerlei "verdichtselen toegevoegd Ja, opdat de paus en de priesters de heerschappij over de zielen zouden behouden, werd den menschen zelfs verboden eenen Bijbel te hebben of te lozen.
Jammerljjker kon de toestand der Kerk niet worden. En het behoeft ons niet te verwonderen, dat, sinds het Woord Gods zóó uiteengerukt of vervalscht werd of in eenen hoek versmeten lag, de dwalingen en misbruiken in de Kerk ontelbaar werden. Zoo konden de Mariavereering, de aanroeping der heiligen en de beeldendienst eene plaats krijgen in de Kerk, die naar Christus zich de Christelijke Kerk noemde, en zoo kon de gruwelijke, Godslasterlijke misofferdienst ingevoerd worden, waarbij de priester het Avondmaal als een herhaald offeren van Christus voorstelt.
En wee dengene, die wat de Kerk leerde durfde tegenspreken. Hij werd smadelijk een k e t t e r genoemd, en hem trof het geestelijk gericht, de i n q u i s i t i e genaamd, in 1232 door Paus öregorius IX ingesteld. Wie maar verdacht werd, kon door de geloofsrechters in hechtenis genomen worden, die noch aanklagers noch getuigen noodig hadden en met behulp van de pijnbank bekentenissen afdwongen Ue ketters, die herriepen, werden tot levenslange kerkerstraf veroordeeld; die weigerden te herroepen, werden aan de wereldlijke Overheid overgegeven, om levend verbrand te worden. — Met eenen ijzeren schepter regeerde dus de paus de Kerk, waarvan hij zich het hoofd noemde, ja onder een ijzeren juk zuchtte heel de Christelijke Kerk.
Intusschen gingen in de verschillende landen steeds meerdere stemmen op over het diep bederf der Kerk. De meesten echter bestreden misbruiken en niet de oorzaak, waaruit die misbruiken voortkwamen, namelijk de v a l s c h e l e e r . Yelen ook waren er wel van overtuigd, dat de leer der Kerk met de Heilige Schrift in strijd was, maar wisten toch niet recht, waar het bederf zijnen hoofd wortel had, of hadden niet den moed om tegen de vervalsching van het Evangelie te getuigen.
Ook in de Nederlanden stonden voor en na mannen op, die tegen ergerlijke dwaalbegrippen hunne stem verhieven en vooral het wangedrag der geestelijken veroordeelden. Zoo deed o a. G e e r t (of Gerard) G r o o t e (1340—1384) van Deventer, die ijverig arbeidde aan de verspreiding der Heilige Schriften de verbetering van het onderwijs. Uit den kring, waarop hij invloed uitoefende, kwamen later verscheidene mannen van naam voort, o. a.: W e s s e l G a n s f o r t , die tegen den Mariadienst en de Mis schreef, en als hoogleeraar te Groningen stierf, waar hij ook geboren was; R u d o l f A g r i c o l a , geboren te Bafloo, die in denzelfden zin als zijn vriend Wessel Gansfort sprak en schreef; en D e s i d e r i u s E r a s m u s van Rotterdam, evenals Gansfort een geleerd man, maar die, hoe meesterlijk hij ook de gebreken en dwalingen van monniken en priesters wist aan te wijzen, zelf zich het Evangelie van Christus schaamde.
Al vermochten deze mannen niet de Kerk te genezen of te zuiveren, hunne werkzaamheid had althans deze vrucht, dat zij de oogen der menschen voor den allertreurigsten toestand der Kerk meer en meer opende en de begeerte naar verlossing van het pauselijk juk, naar brood, dat de zielen voedt, deed ontwaken of versterkte. Doch daar de nacht van dwaling aanhield, werd de duisternis nu nog eerst recht duisternis.
Toen dan menschelijk vermogen onmachtig was gebleken, om den nacht van bjjgeloof te verdrijven, ontfermde Zich Hij, Die enkel licht is; Hij scheurde als het ware den hemel, en ziedaar! de Zon der gerechtigheid blonk op eenmaal allen, die naar licht en leven dorstten, liefelijk tegen: de Heere paatste het licht des E v a n g e l i e s weêr op den kandelaar en verkwikte met den eenigen troost in leven en sterven degenen, die noch bij de heiligen, noch bij zichzelven vrede voor hunne zielen konden vinden. En het instrument, waardoor God dit groote werk verrichtte, was geen machtig vorst, geen wereldveroveraar, die een heirleger van geduchte krijgers tot zijne beschikking had, ook geen paus of kardinaal of bisschop, maar een zwakke monnik —: M a a r t e n L u t h e r.
Luther, in 1483 te Eisleben in Duitschland geboren, had, om vrede voor zijne ziel te vinden, zich in het Augustijner klooster te Erfurt laten opnemen. Den Bijbel kende hij toen reeds, maar den troost des Evangelies was hij nog niet deelachtig. Door boetedoeningen, kastijdingen, veel vastens en biddens zocht hij nu vrede te vinden. Maar 't werd erger in plaats van beter met hem. Hij vermocht de zonde niet te overwinnen, zooals hij hoopte. Op het ziekbed geworpen, werd hij in zijne aanvechtingen vertroost door Von Staupitz, die hem wees op het bloed van Jesus Christus, dat reinigt van alle zonden. Toen viel een lichtstraaltje in de donkerheid van zijn hart. Hersteld zijnde, wierp Luther zich opnieuw op de Heilige Schrift, en God deed hem allengs het volle licht opgaan. Nu leerde hij verstaan, wat het zeggen wil: „Uit g e n a d e zijt gij zalig geworden, d o o r h e t g e l o o f ; en dat niet uit u, het is Gods gave; n i e t uit de werken, opdat niemand roeme". (Ef. 2 : 8 en 9 )
In 1507 was Luther intusschen hoogleeraar te Wittenberg geworden. Toen nu in 1517 Johannes Tetzel met zijne aflateu, die hij voor veel geld ten behoeve van den Paus aan rijk en arm verkocht, Wittenberg naderde, en Luther bemerkte, dat men door deze aflaten werkelijk vergeving van zonden meende te hebben, en zich om bekeering volstrekt niet bekommerde, sloeg hij den 31S,B11 October van genoemd jaar 95 stellingen aan de deur der slotkerk aan, en in deze stellingen beweerde hij op grond van do Heilige Schrift, dat de ware boete met eene verandering van zin gepaard gaat, dat de paus niet eigenmachtig de zonden kan vergeven, en dat de vergeving van zonden verkregen wordt alleen uit genade door de verdienste van Christus, en nimmer voor geld.
Het spreekt vanzelf, dat Luther nu de ergste ketter ter wereld was, want dat duldt de wereld niet, dat men alleen Christus en Diens werk laat gelden en voldoende acht ter zaligheid. Maar Luther zeide: „Er staat geschreven"... en hield staande op gezag van Gods eeuwigblijvend Woord, d a t wij v o o r God r e c h t v a a r d i g z i j n a l l e e n door h e t g e l o of i n d e n H e e r e J e s u s C h r i s t u s , en dat wie eenen anderen grond ter zaligheid legt daarmee ter helle zal varen. En ziedaar, met het opnieuw te voorschijn brengen van deze leer, de leer der Heilige Schrift, was de gezegende K e r k h e r v o r m i ng aangebroken!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 december 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

22. Karel V. b. Een vervolger van de Gemeente des Heeren. (1ste Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 december 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken