Bekijk het origineel

22. Karel V. b. Een vervolger van de Gemeente des Heeren. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

22. Karel V. b. Een vervolger van de Gemeente des Heeren. (Slot.)

II. Uit de geschiedenis van de regeering der hertogen, graven en bisschoppen. (922—1581.)

11 minuten leestijd

Het is onmogelijk te beschrijven, welk een schok er door Duitschland ging, toen de daad, die Luther in alle eenvoudigheid verricht had, ruchtbaarheid verkreeg. Allen, die, door God oprecht gemaakt, den aflaathandel verafschuwden, juichten den moedigen monnik luide toe. Maar ook de tegenstanders lieten niet op zich wachten. Wat al pennen raakten er in beweging, die zijne stellingen fel bestreden en het Evangelie van Christus lasterden.
Met ongeloofelijke snelheid werden de 95 stellingen en wat door Luther werd geschreven ter wederlegging van degenen, die het Evangelie tegenstonden, alom verspreid. Nu bleek het, dat God de Heere deze gebeurtenis reeds langen tijd had voorbereid, want dewijl reeds eene eeuw te voren de boekdrukkunst was uitgevonden, kon men thans in korten tijd de geschriften van den Hervormer verduizendvoudigen, en zie, zijne woorden gingen uit naar alle windstreken, drongen door tot in alle landen van Europa, j a ook tot buiten ons werelddeel.
Zeer spoedig vond men Luthers geschriften ook in ons vaderland, en met gretigheid werden zij er gelezen. De handelsbetrekkingen tusschen de Nederlanden en Duitschland waren aan de overbrenging natuurlijk zeer bevorderlijk. Welk eene beweging ontstond daardoor ook in deze landen. Hoeveier oogen gingen nu ook hier open voor het licht der waarheid, hoe menige hongerige en dorstige ziel kon zich nu voeden, laven en verkwikken, j a weldra werd hier en daar stoutmoedig van den kansel verkondigd, dat vergeving van zonden, verlossing eu zaligheid alleen in het bloed van Christus is, en dat alle andere grond ter zaligheid, hoe ook door de Kerk in strijd met de Heilige Schrift aangeprezen, vervloekte afgoderij is.
Zoo kwam dus ook in ons land licht in de duisternis, en Luther was daartoe in Gods hand het middel. Luther gaf tot de Hervorming hier te lande den stoot. Meer iuvloed op de Nederlanden kreeg weldra het hervormingswerk van U l r i ch Z w i n g l i , die (omstreeks denzelfden tijd als Luther in Duitschland) in Zwitserland de leer des Evangelies verkondigde Maar van de allergrootste beteekenis voor ons land werd in lateren tijd de arbeid van den Hervormer J o h a n n e s C a l v i jn te Genève.
Het was er intusschen verre van, dat het Evangelie ongestoord zijnen loop kon voortzetten. Nauwelijks had Luther zijne stellingen aan de slotkerk te Wittenberg aangeslagen, of de hel sloeg aan het razen. Heel het duivelenheir was terstond op de been, om te verhoeden, dat het Woord der waarheid Gods, dat door Luther tegenover de leugen van den antichrist werd gesteld, de heerschappij verkreeg. Toen begon dan een felle strijd, eene worsteling op leven en dood tusschen het rijk der duisternis en het Rijk des lichts. De booze spande alle krachten in, om het Evangelie der genade Gods in Christus van de aarde te verdelgen, en hitste al degenen, die de duisternis liever i : hadden dan het licht, op, om uit te roeien allen, die eeniglijk op Christus' bloed hun betrouwen stelden.
Allereerst moest Luther, de aartsketter, uit den weg geruimd. Toen hij noch herroepen, noch zwijgen wilde, en men tevergeefs beproefd had, hem op te lichten en naar Rome op te zenden, deed de paus (Leo X) hem in den ban. Maar Luther ging in de kracht Gods op den ingeslagen weg voort, predikende Christus en Christus alleen, en beantwoordde het banvonnis met verbranding van de pauselijke bul.
Nu vestigden de vijanden hunne hoop op den Keizer en drongen er bij hem op aan, dat hij den vermetelen monnik naar verdienste zou straffen.
Karei V was met de Hervorming volstrekt niet ingenomen j a had eenen afkeer van allen, die het gezag der Kerk in twijfel trokken. Voor hem was wat de Kerk leerde, Evangelie; aan toetsing aan de Heilige Schrift dacht hij in het geheel niet, j a hij achtte het vrije onderzoek zelfs heiligschennis, aan paus en Kerk gepleegd, eene misdaad, eenen gruwel. Hij wenschtte daarom niets liever, dan dat aan het getwist maar spoedig een einde kwam en was vast besloten dengenen, die van de leer der Kerk afweken en niet wilden zwijgen, het zwijgen op te leggen.
Keizer Karei dan daagde Luther voor den Rijksdag, die in 1521 te Worms werd gehouden, en daar, — voor de grooten en machtigen der aarde en ten aanhoore van duizenden toehoorders, — daar verklaarde de man Gods, toen hem gevraagd werd, of hij hetgeen hij geschreven had tegen de aangenomen Kerkleer, wilde herroepen: „Tenzij ik met bewijzen uit de Heilige Schrift of met klaarblijkelijke en duidelijke gronden overwonnen en overtuigd worde, kan en wil ik niets herroepen, daar het niet veilig en raadzaam is, iets tegen het geweten te doen. Hier sta ik, ik kan niet anders, God hetpe mij, amen!"
Zoo eerde Luther God en Zijn Woord voor den machtigen Keizer, en zoo kwam ook tot den Keizer de prediking des Evangelies. Doch, ofschoon Karei zich over de onverschrokkenheid van den weerloozen monnik verbazen moest, — hij wendde zich van het Evangelie af; al weigerde hij op aandran" van Luthers vijanden het vrijgeleide, hem eenmaai verleend, weêr in te trekken, hij deed hem toch kort daarna in den ban. Zoo was Luther dus door den Paus uit de Kerk geworpen en door den Keizer voor eenen vijand des lands verklaard.
Wie het te voren nog niet mocht weten, die wist het nu maar al te goed, wat er van den jongen Keizer voor de ware belijders van den Naam des Heeren was te wachten. Evenwel nam het getal dier belijders dagelijks toe, j a ook verscheidene Duitsche vorsten waren de Hervorming toegedaan en begunstigden haar in hunne landen En toen de Keizer in 1529 alle „nieuwigheden" ten strengste verbood, verzett'en zich daartegen vijf vorsten en tien Rijkssteden. Zij p r o t e s t e e r d en dus, en naar deze daad werden zij P r o t e s t a n t e n genoemd.
Hoe gaarne zou de Keizer allen, die het gezag van den Paus boven het Woord Gods verwierpen, terstond met geweld tot gehoorzaamheid hebben gedwongen, doch in Duitschlan l hing hij daarvoor te veel af van de Rijksvoisten, waarvan sommigen zelf Protestant waren. Eerst sinds 1547 tastte hij krachtig door en begon aldaar de Protestanten te verdrukken.
Wat Karel echter in Duitschland niet kon, daar zou hij hier, waar hij veel meer vermocht, onverwijld een begin meê maken. In zijne verblindheid achtte hij liet zijnen plicht ten opzichte van God en de Kerk, allen, die naar de uitspraak der Kerk ketters waren, tot afzwering van hun geloof te dwingen of uit te roeien. Sinds het jaar 1521 vaardigde hij hier elf p l a k k a t e n tegen de ketters uit, het eene al scherper dan het andere. Op straffe des doods werd verboden de geschriften van Luther en zijne Bijbelvertaling te hebben of te lezen, en in 1522 werden i n q u i s i t e u r s benoemd. Van nu af werden hier te lande degenen, die Jesus als hunnen algenoegzamen Zaligmaker beleden, ten bloede toe vervolgd. Reeds in het volgende jaar (1523) werd te Utrecht iemand om deze belijdenis levend verbrand, t. w. W i l l e m D i r k s Hij was de eerste, die in Noord-Nederland dit lot onderging In hetzelfde jaar moesten in Zuid-Nederland, te Brussel, twee monniken van Antwerpen. H e n d r i k Voes en J o h a n n e s van Esch, den brandstapel beklimmen. Toen men talmde met hunne terechtstelling, in de hoop van hen tot afval te bewegen, riepen zij herhaaldelijk : „ Wij willen sterven voor den Naam van den Heere Jesus!" en toen zij daarop naar den branpstapel werden geleid, riepen zij het volk, dat hen met ontzetting gadesloeg, blijmoedig toe: » Wij paan als ware Christenen sterven/" ja, toen het hout was aangestoken, zongen zij met luider stemme het loflied: »Wij loven U, o God! wij prijzen Uwen Naam!'" Het Woord des Heeren, dat hunne kracht was, deed hen de vlammen en al het geweld des duivels tarten.
Deze terechtstellingen hadden echter geheel andere gevolgen, dan de vijanden van het Evangelie zich hadden voorgesteld. Het standhouden van de martelaars in de kracht des geloofs, in weerwil van de felste smarten, sprak met onwederstaanbare kracht tot de harten der toeschouwers en deed hen grijpen naar het Evangelie, dat wel vervolgd maar niet vernietigd kan worden. En zoo nam juist ten gevolge van de bloedige vervolging het aantal ketters met verrassende snelheid toe. Luther bezong den dood van Voeg en Van Esch daarom naar waarheid aldus:
Hun asch verspreidt zich, laat niet af,
Zij stuift in alle landen.
Hier helpt geen beek, geen groef of graf,
Des vijands trots tot schande.
Die hij tot zwijgen door dien moord
Wou dwingen in hun leven,
Die hoort hij, dood, aan ieder oord
Op aller tongen zweven
En blijde tonen geven.
Weldra begon de inquisitie ook in Holland te woeden. De eerste bloedgetuige aldaar was J a n de B a k k e r (of Jan Pistoriua), die in 1525 te 's-Gravenhage op den brandstapel het leven liet. Aan den paal gebonden, verheerlijkte hij zijnen Zaligmaker, bad voor zjjne vijanden en beval zijne ziel zijnen Heere en Heiland aan, uitroepende: „De dood is verslonden in de overwinning van Christus! Heere Jesus, vergeef hel hun, want zij welen niet, wat zij doen. 0 Jesus Christus, Zone Gods, gedenk mijner, ontferm U mijner!"
Zoo stierven de eerste martelaren in de Nederlanden, en zij werden door honderden, ja duizenden gevolgd. Doch hoe ook op last van Keizer Karei het onschuldige bloed bij stroomen vloeide, de Hervorming schoot steeds dieper wortelen en spreidde hare takken steeds verder over deze landen uit. In 1526 verscheen te Antwerpen bij J a k o b van L i e s v e l d t de eerste Nederlandsche Bijbel in druk. De uitgever trotseerde plakkaten, schavot en brandstapel, en moest ten slotte zijn geloof met zijn bloed bezegelen. De aanteekeningen op de uitgave van 1542 kostten hem het leven; hij werd ter dood verwezen en onthoofd, omdat hij daarin had durven belijden, dat „op den Hoeksteen Christus gebouwd zijn" beteekent: al onze hoop op Christus alleen stellen.
Vooral door het verschijnen van deze en dergelijke uitgaven van den Bijbel of van gedeelten er van, kwam het Woord des Heeren ook tot in de uithoeken des lands en het deed opwaken uit den geestelijken doodsslaap, bracht licht en leven, spijze en drank voor de zielen, en stortte troost en moed uit in de harten dergenen, die het aannamen en deswege vervolgd werden, ja maakte hen onverwinnelijk, zoodat zij overwonnen, ook als de vervolgers van het Evangelie hun het leven benamen.
Neen, de loop van het eeuwig, Goddelijk Evangelie is niet te stuiten. Dat ondervond ook Karei V. Tevergeefs verscherpte hij steeds de plakkaten tegen de ketters. Ach, de arme Keizer, hij begreep niet, dat hij tegen God streed, of wilde het zich althans niet bekennen Zoo gunde hij zich dan geene rust in het vervolgen van degenen, die hij had moeten beschermen, ja, het knaagde aan zijn leven, dat hij het onbeperkte gezag der Kerk niet opnieuw vermocht te vestigen. Wanneer wij daarbij bedenken, dat de oorlog, dien hij in Duitschland tegen de Protestantsche vorsten voerde, sedert 1551 eene ongunstige wending voor hem had genomen, en dat ook Frankrijk hem nog altijd niet met rust liet, dan kunnen wij ons voorstellen, dat de regeering hem een ondraaglijke last, werd, dien hij gaarne nog vóór zijnen dood van zijne schouders wilde werpen. Inderdaad, op 55-jarigen leeftijd was de Keizer reeds een grijsaard, uitgeput naar ziel en lichaam, hijgende naar rust.
Het verwondere ons dus niet, dat wij in October 1555 den Keizer in eene luisterrijke vergadering te Brussel ontmoeten, waar hij ten aanhoore van de stadhouders en de Algemeene Staten der Nederlandsche gewesten de regeering over de Nederlanden plechtig overdraagt aan zijnen zoon Filips. In het volgende jaar deed Karei ten behoeve van zijnen zoon ook afstand van de regeering over Spanje, en legde ook de keizerskroon neêr, die nu in het bezit kwam van zijnen broeder Ferdinand.
In 1556 vertrok Karei naar Spanje, waar hij rust zocht in een klooster en boete deed, — waarvoor? — daarvoor, dat hij de kotters niet gestreng genoeg vervolgd had. En toch wordt door geschiedschrijvers beweerd, dat onder zijne regeering meer dan 50 000 menschen in de Nederlanden om het geloof werden ter dood gebracht.
Voorzeker, in menig opzicht was Karei V een voortreffelijk vorst, en door velen werd hij dan ook met weemoed nagestaard, maar bij dat alles was hij een vervolger van de Gemeente des Heeren. En moge hij in 1558 gestorven zijn in het bewustzijn, dat bij Gods eer en het welzijn van Staat en Kerk gezocht had, — God rekent niet met onze meeuingen, aan Zijnen geopenbaarden wil hebben wij ons te houden, en deze wil is ons geopenbaard in Gods W o o r d . Maar juist dit Woord was door Keizer Karel wederstaan en vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 december 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 16 Pagina's

22. Karel V. b. Een vervolger van de Gemeente des Heeren. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 december 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken