Bekijk het origineel

Waarachtige historie van Montalcinus, te Rome om de belijdenis zijns geloofs ter dood gebracht den 5'len September 1553. T)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Waarachtige historie van Montalcinus, te Rome om de belijdenis zijns geloofs ter dood gebracht den 5'len September 1553. T)

5 minuten leestijd

Ik zal u niet beschrijven, hoe men onlangs hier te Rome elf mannen, die aangeklaagd waren als ketters, in de Minervakerk heeft voorgebracht, opdat zij daar voor de kardinalen, die aangesteld zijn, om de ketters te oordeelen, hun geloof zouden verloochenen en afzweren. Deze zaak is met veel staatsie en onder toeloop van eene menigte volks behandeld geworden.
Er was onder die elf mannen één, wiens naam was Montalcinus, een monnik van de orde der Franciskanen, een zeer voortreffelijk en beroemd prediker. Deze had vasteljjk bij zichzelven besloten, zijn geloof niet te verloochenen, maar aan een ieder rekenschap te geven van de hoop, die in hem was. Dewijl dan, toen de anderen allen hun geloof hadden verloochend, hij alleen bij de afgelegde belijdenis standvastig volhardde, bracht men hem weder naar de gevangenis, en werd hij ten slotte veroordeeld, om verbrand te worden. Met hem zou nog een ander denzelfden dood sterven, namelijk Perusinus, een zijdewever, die in het geheel niet geloofde aan een vagevuur, ook nieis wilde weten van den aflaat of de pauselijke heiligheid, ja openlijk dorst te zeggen, dat de paus volstrekt niet de stedehouder van Christus is, maar de antichrist in eigen persoon, en dat de kardinalen volkomen gelijken op de Farizeën en Schriftgeleerden, en evenals dezen niets anders doen dan het volk met hunne valsche leer naar de eeuwige verdoemenis helpen.
Deze beide mannen heeft men den 5de" September naar de marktplaats gevoerd, welke zij Campo Florae noemen; en gelijk te voren de Apostelen van de Farizeën en Schriftgeleerden gegaan zijn, alzoo gingen ook deze twee martelaars met vroolijke harten Perusinus werd het eerst gehangen; toen hjj nu sterven ging, beval hij zijne ziel Gode en sprak: „Heere, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen". Hem volgde Montalcinus. Toen deze op de gerichtsplaats gekomen was, verzocht hij den beul, dat hij onverwijld met hem doen zou, hetgeen hem bevolen was, want toen hij Perusinus reeds zag hangen, voelde hij in zijn hart eene zekere vrees opkomen. Doch hij vatte weder moed, en verzocht, dat men hem mocht toestaan te spreken. Toen nu het volk stil was, sprak hij de navolgende woorden:
„Eeuwig", almachtige God, mijne zonden zijn voor Uwe oogen zóó groot, dat zij niet alleen dezen tijdelijken dood des lichaams, maar onk het eeuwig verderf mijner ziele verdiend hebben. En daar ik zie en weet, dat ik mij in het geheel niet op mijne eigene krachten, mijne gerechtigheid, of op mijne onreine, bezoedelde werken zou kunnen verlaten, zoo kome ik tot U, niet steunende op mijne verdienste, maar, mij verlatende op Uwe grondelooze genade en barmhartigheid, op alle Uwe beloftenissen en op de verdienste van Uwen eengeborenen, zeer geliefden Zoon, onzen Heere Jesus Christus, roep ik tot U en bid: Ontferm U over mij, vergeef mij mijne zonden, en kom mij genadiglijk te hulp! Want ik weet. dat Gij geenen lust hebt in den dood des goddeloozen, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve. Zie, ik ben thans van alle menschelijke bescherming en hulp ontbloot, en wend mij alleen tot U; Gij zijt mijn Rotssteen, Gij zijt mijne Rust, mijne Hoop en mijn Schild tegen alle mijne vijanden, bekende en onbekende. En ik houd mij ganschelijk verzekerd, wijl ik in geloove op deze Rots sta en aan deze sterke Zuil mij vasthoud, dat noch verdrukking, noch benauwdheid, noch vervolging, noch gevaar, noch zwaard, noch eenig schepsel mij zal kunnen scheiden van de liefde en hope, die ik heb in U, Die Uwen zeer geliefden Zoon in deze wereld gezonden hebt, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. Ik breng in deze mijne laatste oogenblikken voor U niet mijne goede werken, verdiensten of mijne gerechtigheid, maar daarentegen mijne zonde en overtredingen, opdat zij door het bloed van Uwen eengeboren Zoon bedekt en gewasschen worden. Ik begeer nu, dat alleen Christus mijne genoegdoening, verdienste en gerechtigheid zij. Ik dank U ook, dat Gij maakt, dat mij dit mijn lijden en deze mijn dood veel aangenamer en zachter is, dewijl Gij wilt, dat ik om Uws Naams wil en oin de algemeene Christelijke Kerk deze marteling ondergaan zal."
Verscheidene toeschouwers, die deze zijne laatste woorden hoorden, vermaanden hem, dat hij, in plaats van de algemeene Christelijke Kerk, de Roomsche Kerk noemen zou. Hij echter antwoordde, dat de Kerk van Christus niet verdeeld is in de Roomsche, Napolitaansche, Yenetiaansche en Milaneesche Kerk. Want alle ware Kerken, overal in de geheele wereld verspreid, zijn slechts ééne algemeene Christelijke Kerk, in de eenigheid des geloofs, en Christus' geliefde Bruid. Dewijl er dan slechts ééne Kerk is, mag men die niet in zoovele stukken verdeel en.
Toen zij dat hoorden, schreeuwden zij luide: „Wij zien, dat deze monnik geheel en al verstokt is".
Montalcinus echter sloeg zijne oogen op naar den hemel en riep driemaal met luider stemme : „Jesus!" Terstond daarop stiet de beul hem van de ladder en hing hem zoodoende op; daarna stak hij een vuur onder hem aan.
Toen hij terechtgesteld was, werd er onder het volk in verschillenden zin over hem gesproken. Velen jammerden en weenden, zeggende, dat men onrechtvaardig gehandeld had met zulk een voortreffelijk man te dooden. Anderen echter zeiden : „Hij was een gemeene Luthersche boef en een groote ketter, en als hij vrijgekomen was, had hij de geheele wereld kunnen verleiden". Er wordt te Rome nog verschillend over gesproken. Maar zijne Christelijke belijdenis en zijn gebed toonen ons, dat hij een recht Christelijk verstand en geloof had, en het blijkt duidelijk, dat de paus een gruwelijke tiran is.
Rome, den 5i c" September Anno 1553.


1) Vertaling van een zeer zeldzaam pamflet uit het jaar 1554, getiteld: „ Warhafftige Historiu, tmm Montalcino, welcher su Rum vmb des Glautiens bekentnis getüdtet ist worden, den 5. iseptembris im jar 1553".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 januari 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Waarachtige historie van Montalcinus, te Rome om de belijdenis zijns geloofs ter dood gebracht den 5'len September 1553. T)

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 januari 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken