Bekijk het origineel

Betrachting over Hebreen 10 : 4—7.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Hebreen 10 : 4—7.

13 minuten leestijd

„Want het is onmogelijk, dat het bloed van s t i e r e n en hokken de zonden wegneme. Daarom, komende in de wereld, zegt H i j: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid. Iirandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd. Toen sprak ik: Zie, Ik kom (in het begin des Hoeks is van Mij geschreven), om Uwen wil te doen, o God 1"

Als wij nu het lijden en sterven van onzen Heere en Zaligmaker Jesus Christus gadeslaan en ter harte nemen, dan moeten wij daaruit leeren, hoe groot Gods toorn is tegen de zonde der ongehoorzaamheid; dat deze zonde slechts kon worden weggenomen en geboet door eene volkomene gehoorzaamheid, welke niemand onzer kan brengen; zoodat degene, die deze onze ongehoorzaamheid door zijne volkomene gehoorzaamheid kon herstellen, niet alleen moest zijn een w a a r a c b t i g en r e c h t - v a a r d i g m e n s c h , maar ook sterker dan alle schepselen, d. i. ook w a a r a c h t i g God, opdat Hij uit kracht dier Godheid den last des toorns Gods vanwege onze ongehoorzaamheid aan Zijne menschheid dragen, ons van dezen toorn bevrijden en der gerechtigheid Gods eene eeuwig geldende voldoening brengen kon.
Nu willen wij echter dit niet slechts beschouwen van het standpunt, dat wij den toorn Gods verdienen, of dat wij slechts van Gods toorn verlost zijn; want ik vraag u, wat heeft dat voor beteekenis, dat slechts Gods toorn opgeheven is, zoodat die toorn mij niet meer treffen kan ? Herstelt nnj dit in de gemeenschap met God ? In die gehoorzaamheid, door onzen Ileere Jesus Christus gebracht, hebben wij te zien en te erkennen Zijne geweldige liefde tot God, Zijnen Vader, en tot ons, die de Vader Hem gegeven heeft. Dat Hij den toorn draagt, ja, dat is reeds iets groots, maar dat Hij Gods harte naar ons toegewend heeft, dat is voorzeker veel meer. Wat leert ons dit nu ? In God is een welbehagen. Uit dit welbehagen komt voort Zijne barmhartigheid Dit welbehagen heeft de Heere Jesus hier tot stand gebracht en heeft ons de loutere, hartelijke ontferming en barmhartigheid Gods verworven. Hij heeft voor ons Gods harte gewonnen en den Heiligen Geest verworven, en Hij komt met de prediking des Woords, om ons te vervullen met die geweldige liefde Gods, opdat wij een vurig verlangen beginnen te krijgen naar zulk eenen God en Vader, naar zulk eenen Broeder, Die Zich niet heeft geschaamd ons broeders te noemen, Die niet slechts onze ongehoorzaamheid op Zich nam en daarvoor boette, maar Zelf eene volkomene gehoorzaamheid gebracht heeft, om ons deze toe te rekenen en te schenken. Hier houdt al hetgeen van ons komt op, en van ons mag er in het minst geen sprake meer zijn, noch van ons hart, noch van onze liefde, noch van ons doen, maar alleen van de liefde des Heercii Jesus en van Gods genade. — Ik gewaagde in het voorgaande van den 40slen Psalm. Deze Psalm wordt ook aangehaald door Paulus in zijnen Brief aan de Hebreën, Hoofdstuk 10, Vers 4 vv. Daar lezen wij vooreerst: „ W a nt h e t is o n m o g e l i j k , d a t h e t b l o e d van s t i e r e n en b o k k e n de z o n d e n w e g n e m e " . Het bloed van stieren en bokken heeft God in Zijne Wet verordend, bevelende, dat er stieren en bokken geslacht en Hem ten offer gebracht zouden worden. Vergeving echter bracht het bloed van deze stieren en bokken niet teweeg; maar a l l e e n het L a m Gods, waarvan de Profeten gepredikt hebben, dat het eenmaal komen zou en Zijn bloed zou laten vergieten ter vergeving van zonden. Daar nu het bloed van stieren en bokken de zonden niet kan wegnemen, wat dan te doen? Daar stelt Zich dit eeuwige Lam Zelf ten offer, en laat Zich uit liefde tot Zijnen Vader en uit liefde tot het verlorene menschelijk geslacht binden, slachten en dooden, om door dit gebonden-, geslacht- en gedood- zijn, het eeuwig in de hel gebonden zijn en den eeuwigen dood voor Gods Aangezicht van de broeders weg te nemen. Zie eens, dat hebt g i j niet gedaan en dat k u n t gij ook niet doen. Kom met alle offeranden der wereld, — de zonde, de zonde der ongehoorzaamheid zult gij daarmede niet uit den weg ruimen; wel kunt gij het sluimerend geweten voor eene wijle sussen, want de mensch gaat in zijnen dood zoo daarhenen en heeft er geen begrip van, dat hij den eeuwigen dood te gemoet gaat; maar er komen tijden en oogenblikken, waarin het geweten wakker wordt, en dan gevoelt en erkent men het wel: de zonde, de zonde is toch door niets te herstellen. Tegenover de menschen moge men weèr goedmaken, wat weer goed te maken i s ; maar ook tegenover hen kan men het niet weer goedmaken, als men de l i e f d e des menschen miskend en verguisd heeft, — en voor God kan men nog veel minder iets weèr goedmaken. Maar nu komt de Heere Jesus, geeft David de harp in de hand, bezielt hem door Zijnen Ileiligeu Geest, dat hij van de snaren eenen Psalm doe ruisehen, en zoo komt dan in dezen Psalm de Heere Jesus Christus in de wereld. Daarom staat er verder (Vs. 5): „ D a a r o m k o m e n d e in de w e r e l d ", (t. w. in do woorden van dezen Psalm), „ z e g t I I i j : „ S l a c h t - o f f e r en o f f e r a n d e h e b t G i j n i e t g e w i l d " . De Heere Jesus Christus zegt niet, dat God het geloof niet gewild heeft, maar dat Hij slachtoffer en offerande niet heeft gewild, want daar is het hart niet bij; en d a t juist wil God hebben, geene gave; Hij is immers zoo rijk, dat Hij hemel en aarde bezit; wat kan meu Hem dan geven of brengen ? Zijn wij van Hem ten eenenmale afhankelijk, waarmede zouden wij Hem dan dienen ? Wat kan een kind aan vader en moeder geven, om der ouderen toorn te stillen? Kan een kind zeggen: „Vader, vergeef mij mijne zonde, dan zal ik u eenen gulden geven" ? „Moederlief, vergeef mij mijne verkeerdheid, dan zult U een nieuw kleed van mij hebben"? Neen, dat gaat niet. Daarom zegt de Heere Jesus: „Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild", dat wil met andere woorden zeggen: „Ik kom, niet om gaven en offeranden te brengen, maar om Mjjzelven te geven". Zoo dankt Hij dan God, Zijnen Vader, dat Hij Hem een lichaam gegeven heeft; want als Geest alleen kon IIij niet in de wereld komen, dat gaat wel in de prediking des Woords, Hij moet er echter ook in werkelijkheid zijn; zoo dankt Hij dan God, den Vader, d a t H i j Hem e e n l i c h a a m h e e ft t o e b e r e i d , om hierbeneden, op aarde, in dit lichaam, d. i. dat vleesch, hetwelk tegen God gezondigd heeft, Gods wil te volbrengen. Daarop volgt dan: „ B r a n d o f f e r e n en o f f er v o o r de z o n d e h e b b e n U n i e t b e h a a g d ; t o e n s p r ak I k : Z i e , Ik kom, — in h e t b e g i n des B o e k s is v an M i j g e s c h r e v e n " , — nml. in het heilige Boek, het Boek van Mozes, zoo te zeggen op de tweede bladzijde. In dit Boek is geschreven: „Om Uwen wil te d o e n , o G o d !" En wat is nu Gods wil? Gehoorzaamheid. Waar is die gehoorzaamheid? Nergens meer. „Door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch zijn velen tot zondaars gesteld geworden" (Rom. 5: 19). Hoe zal Gode die gehoorzaamheid weder gebracht worden ? Die gehoorzaamheid wil de Heere Jesus Hem brengen. Maar welke gehoorzaamheid? slechts die, dat Hij de zonde draagt, dat Hij de schuld betaalt, dat IIij den toorn draagt en de eeuwige straf lijdt? Dit is maar een gedeelte van die gehoorzaamheid. Sla de menschheid gade! Daar is Eén, de mensch Christus Jesus! Klem u vast aan dezen Mensch! omvat IIem in het geloof! IIij is uw Raadgever, uw Bruidegom, uw Broeder, uw Heer, uw Leven; Hij overwint voor u den duivel en den dood. Dat is Gods wil, dat Zijn welbehagen aan menschen, Zijne eeuwige liefde overal gepredikt worde; dat de blijmare komt tot de menschen, tot alle volken: „Ja, Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid". „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat IIij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegeljjk, die in Hem gelooft", d. i. zich aan IIem houdt, aan Hem zich vastklemt, „niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe". Dat wij dus, als wij overwegen, dat de Heere Jesus zonde, schuld en straf gedragen en weggenomen heeft, het wel verstaan en in het oog houden, uit Wiens hart zulks is voortgekomen, nml. uit het hart des Vaders. Toen wij om onze ongehoorzaamheid in den eeuwigen dood lagen, heeft de Vader Zijnen Zoon, Zijnen Eeniggeborene, overgegeven in de handen van moordenaars, van Heidenen, heeft Hem overgegeven aan een volk, dat zijnen Koning doodt, ja in de klauwen des duivels. Dat is dus de wil Gods: o n ze b e h o u d e n i s , en deze wil, dit welbehagen moet gepredikt en gehandhaafd worden, en omdat Gods wil is: onze behoudenis, daarom is het ook Zijn wil, dat des duivels kop vermorzeld wordt, dat de werken des duivels onder de menschenkinderen vernietigd worden; daarom is het ook Zijn wil, dat Zijn Vadernaam wordt gepredikt en verheerlijkt, dat alom getuigd wordt van Zijne barmhartigheid, van Zijne hartelijke ontferming over al hetgeen verloren is. Wijl het Zijn wil is, dat wij behouden worden, daarom is het ook Zijn wil, dat de dood weggenomen wordt, dat de duivel ons toch niet in zijne macht hebben zal, dat de zonde ons toch niet zal overweldigen, dat de wereld niet zal zegevieren; zoo is dan Zijn wil, dat de eeuwige toorn van Zijn volk afgekeerd wordt, dat de eeuwige schuld wordt uitgedelgd en kwijtgescholden en dat Zijne kinderen als kinderen in het huis des Vaders overvloed hebben, vrede en zegen hierbeneden en in hun hart een kleinood, dat zij gelukkig zijn en zullen blijven te midden van alle ongeluk; dat zij een houvast hebben in dit leven, nml. den levenden God en liefhebbenden Vader, dat zij die hope hebben, welke niet beschaamt, de hope des eeuwigen levens.
Wie is het, die ons wederom in de gemeenschap en tot het harte des Vaders brengt, als ik en gij verlorene zoiien zijn? Wie zal dat doen, als ik en gij een bezwaard geweten hebben ? Wie zegt het ons, zoodat wij het in ons binnenste gevoelen en erkennen: „'t Is werkelijk de waarheid, dat mijne zonden zijn weggedragen aan het hout des kruises, dat mijne ongehoorzaamheid geboet is"; als ik en gij voortdurend te worstelen en te strijden hobben tegeh de booze lusten des vleesches ? Wie zegt het ons, dat de zonden vergeven zijn, en wie houdt het levend in het harte, waar een arm kind niettegenstaande allen troost de vergeving der zonden niet kan vasthouden? Wie brengt hot teweeg, dat, als ik ongehoorzaam geweest ben en nog ben, nochtans de rechtvaardige God het Zijne heeft, als ware ik gehoorzaam geweest? Dat is de H e e r e J e s us C h r i s t u s . IIij is Zijnen Vader gehoorzaam, alzoo dat IIjj, Die toch het leven is, worstelt met den dood, opdat, terwijl anders de dood het leven verslindt, Hij met Zijn leven den dood zou verslinden. Hij brengt het teweeg, zijnde in de gestaltenis eens dienstknechts, als dienaar des Vaders, als dienaar der menschen, die IIij Zijne broeders noemt; arm, volslagen arm, en in plaats van de eer, die Hij had kunnen genieten in den hemel, neemt Hij op Zich smaad, schande, hoon, speeksel, verachting, ondank, zelfs yan de zijde der broederen, die Zijne liefde niet erkennen, maar Hem vermoorden, — en Hij laat Zich slaan en in het Aangezicht spuwen, om daarna u te verootmoedigen en u te vragen: „ W i e heeft nu lief, gij of Ik ?"
Derhalve, in het licht van deze gehoorzaamheid, van deze liefde tot den Vader en tot al degenen, die de Vader Hem gegeven heeft, moeten wij ook de woorden verstaan, die wij lezen Matth. 26: 1 en 2: „En het is geschied, als Jesus al deze woorden geëindigd had, dat Hij tot Zijne discipelen zeide: Gij weet, dat na twee dagen het Pascha is, en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden". H o e denkt gij, dat Hij deze woorden heeft uitgesproken? Hij heeft ze uitgesproken, vervuld met hartelijke blijdschap in God ; Hij heeft ze gezegd geheel vrijwillig, het lijden niet in Zijn binnenste van Zich afwerende, maar uit eigen aandrang en blijmoedig, juichende in Zijnen God. „Ik ben des menschen Zoon", zegt Hij; „de schuld Mijns vaders, heel de vreeselijke erfenis heb Ik op Mij genomen. Verblijdt u derhalve, thans ben Ik hier, om voor u te betalen Thans ben Ik hier, om in weerwil van allen tegenstand der hel Uwe liefde, o Mijn Vader, te handhaven. Nu ia de ure gekomen, om die liefde te handhaven; Ik heb op Mij genomen, aan Mijn vleesch te niet te maken alle vleesch, opdat Uwe barmhartigheid alleen verheerlijkt worde. Nu is de tijd, de ure gekomen, dat alle vleesch aan Mijn vleésch te niet gemaakt wordt, — alzoo te niet gemaakt wordt, dat de eeuwige schuld geboet en betaald wordt, doordat Ik verraden word en den schandelijken, vervloekten dood aan het kruishout sterf. De geheele wereld, Joden zoowel als Heidenen, allen slaan met hunne ongehoorzaamheid U, hunnen God, in het Aangezicht en willen U niet als Vader erkennen. Welnu, de ure is gekomen, thans zal I k Mij daarvoor in het Aangezicht laten slaan, Ik wil de wereld overtuigen van hare ongerechtigheid, wil hare ongehoorzaamheid wegnemen, en nochtans met den Vadernaam doorbreken, opdat desniettegenstaande de honderd vier en veertig duizend en de schare, die niemand tellen kan, dankbaar hunne knieën buigen en belijden: „Wat hebben wij, dat wij niet ontvangen hebben? Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen !"

18 Februari 1872.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

Betrachting over Hebreen 10 : 4—7.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken