Bekijk het origineel

Betrachting over Jokannes 19 :1—5,

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Jokannes 19 :1—5,

13 minuten leestijd

Toen uarn Pilatus dan Jesus en geeselde Hem. En de krijgsknechten, eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zett'en die op Zijn hoofd en wierpen Hem een purperen kleed om, en zeiden; „Wees gegroet, gij Koning der Joden 1 En zij gaven Hem kinnebakslagen. Pilatus dan kwam wederom llit en zeide tot hen: Ziet, ik breng Hem tot ulieden uit, opdat gij weet, dat ik in Hem geene schuld viud. Jesus, dan kwam uit dragende de doornenkroon en het purperen kleed. En Pilatus zeide tot hen: Ziet, de mensch!"

Bij de behandeling van het Zevende Gebod merkte ik op, dat God de overtreding van dit gebod steeds vreeselijk gestraft heeft en straft. Maar wees er zeker van, dat juist deze opmerking geheel en al verloren gaat, dat geen mensch van zichzelven gelooft of gelooven kan, dat God alzoo toornt over de overtreding van het Zevende Gebod. Ik toonde aan, hoe uit de geschiedenis blijkt, dat geheele geslachten, familiën, huizen, steden, heilige Gemeenten des Ileeren, koninkrijken en republieken zijn verwoest geworden door de overtreding van dit gebod, en dat deze zonde op het nauwst samenhangt met doodslag; en kan men niet dooden door vergif of zwaard, dan zijn er nog wel andere wegen, om dengene, die ons wegens deze zonde bestraft heeft, te vermoorden.
Hoe schrikbarend de overtreding van dit gebod toeneemt, las ik nog heden in een blad dat mij in handen kwam. Slaan wij eenen blik op vier der voornaamste steden van Europa. Te Parijs telt men tegen 100 echte kinderen 48 onechte; te München tegen 100 echte 91 onechte geboorten; te Weenen staan tegenover 100 echte 118 onechte, terwijl Rome, waar men zich beroemt den stoel van Petrus te bezitten, tegen 100 echte 243 onechte kinderen telt. Zoo ziet het er uit. Geen wonder dus, dat de toestand der politieke en kerkelijke wereld is, z o o a l s die is; als Gods Woord en Zijne vreeze, Gods Wet en instelling, het huwelijk, het huiselijk leven, het genereeren van heilige kinderen meer en meer ondergraven wordt, dan worden er doorgaans niets dan hoerekinderen en bastaards, meestal booswichten en tirannen geboren! En komt er ook geen zondvloed meer, een ander gericht is aanstaande, het gericht, dat komt over de geestelijke hoererij. Wij lezen in de Openbaring van Johannes van eene vrouw en van een beest, dat haar draagt; van welke vrouw gezegd wordt, dat zij dronken is van het bloed der heiligen, en dat de koningen haar haten en naakt ten toon stellen en met vuur verbranden zullen.
Het is een wonder, dat de Ileere Jesus Zijn Evangelie —zij het dan ook in eenen hoek, — nog zuiver laat prediken, opdat wij menschen, die ons moeten spiegelen aan anderen, ons voor God verootmoedigen en, als wij vernomen hebben, wat voor vleesch en bloed wij met ons omdragen, oitze toevlucht nemen tot den Heere Jesus. Doen wij dat, dan zullen wij ook inzien en ondervinden, hoe Hij, onze allerheiligste en dierbare Heere en Zaligmaker, als Borg aan Zijn allerheiligst en kuiseh lichaam de straf, die wij verdiend hebben vanwege onze zonden tegen het Zevende Gebod, gedragen heeft, en dat Hij met Zijn lijden den Trooster, den Heiligen Geest, verworven heeft, opdat dezelve Geest woning bij ons make en niet alleen onze ziel, maar ook ons lichaam heilige tot Zijnen tempel. Iiet is nog tijd, om ter harte te nemen, hoe wij aan het toekomstig gericht mogen ontgaan. Ook onder ons zijn er helaas velen, die metterdaad op eene der onderscheidene wijzen zich aan overtreding van dit gebod schuldig maken of schuldig hebben gemaakt, en toch blijven zij, zooals zij zijn, worden er niet over verbrijzeld, waarachtig verbroken en verslagen, komen deswegens niet aan den rand dor hel en grijpen daarom evenmin den Heere en Zijn bloed met waarachtig geloof aan, hun eigen verderf niet beseffende, integendeel, zij trachten hun kwaad te bedekken, en maken zichzelven wijs, dat het ook voor God bedekt is, en blijven dood onder de prediking des Woords.
Laat ons toch ter harte nemen, dat God in het lijden van onzen Heere Jesus Christus het op het duidelijkst bewezen heeft, hoe groot Zijn toorn is over de zonde tegen het Zevende Gebod. Zoo vaak ik in mijn leven overtreders van het Zevende Gebod, ook in de kloosters, ontmoet heb, heb ik onder het masker van kuischheid eenen vreeselijken haat tegen de ware kuischheid gevonden, ja haat tot den dood toe, zoodat ik dikwijls mijn leven niet zeker was, waar ik de gerechtigheid predikte, die alleen voor God geldt, die uit het geloof is. Al het drijven des vleesches, zijn willen en loopen, zijne bewering, dat een mensch, als hij wil, zalig kan worden, het drijven eener algemeene genade, waarbij men God geen Souverein wil laten, dat alles gaat uit van Rome en dringt door tot, j a waarheen niet? Alles gevolg van de overtreding van het Zevende Gebod. Daar wil men dan met werken weder herstellen, hetgeen men met werken omvergestooten heeft. Zoo is het dan iets zeer opmerkelijks, dat God de Vader het heeft toegelaten, dat Pilatus onzen Heere Jesus Christus g e es el de.
Geeselslagen waren van ouds eene straf voor ongehoorzame dienaars en slaven, voor echtbrekers en echtbreeksters, voor hoeren en hoereerders. Merkwaardig is het, hoe men, zooals de geschiedenis aantoont, den geesel heeft gebruikt, om de begeerlijkheid uit te drijven. Er zijn tijden geweest, dat men duizenden mensehen half naakt door de steden zag trekken, mannen en vrouwen achter elkander, die elkander met geeselslagen verwondden, zoodat het bloed langs den rug liep, en dat alles ter uitdrijving dezer begeerlijkheid. Zoo is de geesel werkelijk een symbool van de straf voor deze zonde, en het is opmerkelijk, dat in de stad onzer inwoning en andere steden zekere vrouwen, die eene buitengewone kleedij dragen, en tot schande van vader en moeder, die haar gegenereerd hebben, beweren, dat het leven buiten den huwelijken staat beter is dan de echt, — en daarmede alle vrome huisvaders en huismoeders in het aangezicht slaan, — als bewijs, dat al hare kuischheid gehuicheld is, tot een teeken harer schande eenen geesel dragen, waarmede zij, volgens haar zeggen, de begeerlijkheid uitdrijven. Dat is louter'sduivels werk Maar ik zeg : de overtreding van het Zevende Gebod verdient de geeseling en den dood, dat men naakt wordt ten toon gesteld in zijne schaamte en schande.
Het geheele Woord Gods leert ons van den mensch, dat, als hij niet bekeerd is, hij als gevolg van zijne echtbreuk en andere onkuischheid, zich ook met eenen moord bezwaart, dat hij Jesus Christus, Die zijn leven is, verwerpt en zich eenen moordenaar kiest. Zoo kiezen twee honderd millioen menschen voor zich eenen man, die zegt onfeilbaar te zijn, twee honderd millioen menschen kiezen eenen man, die kennelijk de antichrist is. Wie van ons kiest niet veel liever den moordenaar zijner ziel, opdat zijne onkuischheid en hoererij bedekt blijve, dan den trouwen getuige, die hem zijne zonde blootlegt, uit loutere liefde, opdat hij niet eeuwig verloren ga, maar van zijne zonde afgebracht en den Geest van Christus deelachtig worde, om kuisch en eerlijk te leven? Uit de keuze der Joden, dat zij Bar Abbas kozen, blijkt duidelijk, dat zij den moordenaar liever wilden, dan hun leven. Dat hebben de Farizeën toen het volk in den mond gelegd, omdat zij volgens het Evangelie, van den oudsten tot den jongsten toe, aan echtbreuk schuldig waren. Immers, toen do vrouw, die in overspel gegrepen was, tot den Heere Jesus gebracht werd, zeide de Heere tot da aanklagers: „Die van ulieden zonder (deze) zonde is, werpe eerst den steen op haar!" (Joh. 8 : 7). Dat waren die Farizeën, die bij alie voorgewende vroomheid de huizen der weduwen opaten, weduwen en weezen beroofden, en als hunne eigene vrouwen hun niet meer bevielen, haar wegzonden, zich beroepende op hetgeen Mozes zou gezegd hebben: „Zoo wie zijne vrouw verlaten zal, die geve haar eenen scheidbrief". Hieruit moest wel moord en doodslag voortkomen, dat zij hunnen Koning, den Vorst des levens, vermoordden en bovendien was daarvan het gevolg die verstoktheid, dat zij den moordenaar verkozen en dus liever ter helle wilden varen. Wat kiest de jongeling en de jongedochter, zoolang niet de Heere Jesus alleen hun hart vervult? Wat de man, die onbekeerd is? — zoolang hij niet op gladde plaatsen komt te staan, bewaart hij de uiterlijke eerbaarheid; maar dan, ja dan kan hij niet langer verborgen houden, wat in hem woont. Voorwaar, hij zal geenzins den Heere Jesus kiezen; maar de Heere Jesus is juist Degene, Die u kiest, hoewel gij een echtbreker, een moordenaar zijt, opdat Hij als Borg voor u optrede, voor u betale, u van harte bekeere, dat gij Gods gebod erkent, uzelven voor God verootmoedigt, van uzelven niets goeds denkt, maar alleen op genade drijft en van genade leeft, om den Heiligen Geest smeekt, opdat gjj duivel, vleesch en bloed het niet gewonnen geeft, maar, als gij onderligt, nochtans weder opstaat en het vaandel niet overgeeft, maar den moordenaar in het aangezicht slaat en Jesus als uw leven kiest.
Uit de aangehaalde voorbeelden hebt gij gezien, dat men den geesel tegen de begeerlijkheid des vleesches gebruikt heeft. Alle zelfkastijding was en is des duivels uitvinding. Laat ons bekennen, dat wij wegens onze overtreding van het Zevende Gebod verdiend hebben, naakt te worden uitgekleed, golijk de oude Germanen eene echtbreekster naakt ten toon stelden en onder geeselslagen door de stad dreven. Laat ons belijden, dat wij zulks waardig zijn, dat ook wij dit verdiend hebben; j a als deze straf niet over ons gekomen is, dau is het een wonder van barmhartigheid, en niets anders, want verdiend hebben wij het, on al is het geene uiterlijke geeseling, God heeft in dit leven nog menige roede te Zijner beschikking, waarmede Hij ons geeselt en moet geeselen wegens deze overtreding, — wat wij echter niet eens erkennen. Maar tegen de roede Gods, waarmede Hij zoo menigeen treft, en tegen de roede, welke do mensclien hebben uitgevonden, en die slechts ter vermeerdering van den vleeschelijken lust dienen kan, — daartegen is slechts één geesel, nml. de geesel van uwen en mijnen Zaligmaker. Beschouw Hem naar uwen ouden mensch. Hij draagt, om mij zoo uit te drukken, aan Zijn lichaam niet, dat gij bekeerd zijt, maar hetgeen gij in uwen onbekeerden staat hebt bedreven, hetgeen gij spreekt, denkt en doet, voor zooverre gij met de overblijfselen uwer zonde te strijden hebt tot aan uw einde. Aanschouw dat alles aan Hem! Het wae geenszins bij toeval, dat iedere slag met den geesel, waarmede Pilatus Jesus geeselen liet, en waaraan kleine haakjes bevestigd waren, t i e n wonden veroorzaakte. Deze geeselslagen hebben wij verdiend met onze overtreding van de t i e n woorden der Wet, in 't bijzonder van het Zevende Gebod.
Die banden en die geeselslagen,
Die Gij, mijn Jesus, hebt gedragen,
Had ik, o Heer, ja i k verdiend !
Als echter God ons thans als Vader geeselt, hebben wij in Christus' geeseling den troost, dat Iljj alles heeft verzoend, dat ons nu alles ten beste moet dienen.
Ik vraag u: Is niet een iegelijk met schande bedekt voor God en zijn geweten, al heeft hij het Zevende Gebod ook slechts met g e d a c h t e n overtreden? Is hjj niet waardig, dat de engelen zich van hem afkeeren, dat alle duivelen hem bespotten, zeggende: „Nu, gij Christen, profeteer ons, wie u geslagen heeft? Zijt gij een Christen?" Daar ziet gij dan de zonde uwer naaktheid. Hoe ontbloot staan wij niet allen, wij vreeselijk hoogmoedige schepselen! Wij hebben de eerekroon willen dragen; staan wij daar nu niet niet eene doornenkroon op het hoofd en hebben wij niet verdiend, dat ons de doornen in het hoofd worden gedrukt? Hangt ons niet een purperen mantel van bespotting en hoon om de schouders, daar wjj de kleederen der gerechtigheid afgelegd en eigene kleederen hebben aangetrokken ? En waar is onze schepter gebleven, daar wij toch tot koningen gezalfd zijn? Waar is onze schepter, nu wij het Zevende Gebod overtreden hebben? Een zwakke, ellendige rietstok '. Moet van ons niet gezegd worden : „Ziet, de mensch!" ? Hoe misvormt de zonde der onmatigheid den mensch! Hoe verwoest hij daarmede zjjne gezondheid en die zijner kinderen! Welk een heirleger van ziekten komt daaruit voort! Dagelijks lezen wij er van in de dagbladen, waar het zonder schroom en schaamte vermeld staat. Is dat niet zooveel als: Ziet, de mensch! hij heeft zich misvormd en verwoest door zijne zonde!? — Waar dan heen? „ Z i e t , de m e n s c h ! " Is het u ernst, is het u een heilig verwachten, eenmaal voor den Rechterstoel van Cnristus te verschijnen, als Hij komt met al Zijne heilige engelen, en al hetgeen geschied is, openbaar zal worden, — neem dan uwe toevlucht tot Hem en aanschouw Hem nog eenmaal: uwen ouden mensch ziet gij dan in Christus ten hoon en spot overgegeven op Gabbatha: „Ziet, de mensch!' Dat is Hij, en toch is Hij het niet, maar de geloovige roept uit: „Ik ben het; mij hebt Gij, Heere Jesus, alzoo aan Uw allerheiligst lichaam opgenomen, voor mij hebt Gij geboet, Gij hebt mijne zonde der naaktheid willen drag en, toen Gij naakt en bloot aan het vervloekte hout des kruises hingt! Niets ander» weet ik, maar dit ééne is mjj genoeg!" Kunt gij niet gelooven, omdat hot geweten u te zeer aanklaagt, houd nochtans bjj den Heere aan in het gebed! Kunt gij niet gelooven, omdat uwe begeerte en de duivel machtiger zijn dan uw wil, — houd aan, laat niet af! zie uwen ouden mensch in het lichaam van Christus, hoe is hij geslagen, misvormd, uiteengereten! Iser werkelijk verslagenheid en verootmoediging, waarachtige kuischheid des harten, die heel iets anders is dan de gehuichelde kuiscliheid, — gelijk ik reeds tot menige non in het klooster gezegd heb: Gij zijt eene schandvlek van eerlijke huisvrouwen, wees waarlijk kuisch en drijf door geeselslagen de hoererij uit uw hart, als gij kunt! — het hart wordt waarachtig veranderd, zoodat des Heeren liefde het vervult en men tegen zijne boezemzonden dezen troost heeft: „Gij, Heere Jesus, hebt al mijne zonden op U genomen, Gij zijt mijne kuischheid, mijne heiligheid, mijne gerechtigheid voor God!" Zijne doornenkroon wordt u tot eene kroon der eere en heerlijkheid; Zijn purperen, kleed, waarin Hij gehoond en bespot werd, wordt u een kleed der gerechtigheid; Zijn rietstok een staf der vertroosting in Gods Woord en een wapen tegen alle vijanden uwer ziel. Zoo houd dan bij iedere aanvechting van de zijde des duivels hem dezen naakten Mensch op Gabbatha voor en zeg: „Maak het met Hem af, — Hij is mijn Zaligmaker en Borg! breek Hem eenen tand uit, zoo gij kunt. In IIem is geene schuld, en zooben ik, arm en ellendig mensch, in Zijne onschuld onschuldig".

3 Maart 1872

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 maart 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

Betrachting over Jokannes 19 :1—5,

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 maart 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken