Bekijk het origineel

16, De rechtvaardiging en de Heilige Doop, (Overdenking van Handelingen 22 : 16.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

16, De rechtvaardiging en de Heilige Doop, (Overdenking van Handelingen 22 : 16.)

14 minuten leestijd

„Kn nu, wat vertoeft gij? sta up, en laat u doopen en uwe zouden afwasschen, aanroepende den Naam des Heeren."

Wij hebben gezien, hoe wij het geloof verkrijgen, waardoor wij de gave der gerechtigheid aannemen. De Heilige Geest werkt het vast vertrouwen in onze harten door de verkondiging van het heilig Evangelie.
Dit geloof is echter dikwijls zeer zwak, zoowel wegens de zonde, die in ons woont, alsook omdat elke zonde, die wij bedrijven, het oog onzer ziel verdonkert, dat wij het Aangezicht Gods niet kunnen zien, en dus ook niet kunnen gelooven, dat de Heere ons rechtvaardig gesproken heeft en spreekt. Daarom leven degenen, die in waarheid in den Heere gelooven, in eene gestadige aanvechting en strijd. En zij zouden de nederlaag lijden, als de Heere Jesus hunnen nood niet tot den Zijnen maakte; — want Hij is getrouw, Hij wil het werk voleindigen, dat Hij begonnen heeft.
Te dien einde heeft de Heere de heilige Sacramenten ingesteld, waardoor Hij ons geloof wil sterken. Sacramenten zijn immers heilige, zichtbare waarteekenen en zegelen, waardoor Hij ons de beloften van het heilig Evangelie des te beter te verstaan geeft en verzegelt. Onder deze beloften neemt de rechtvaardiging uit louter genade eene eerste plaats in. Daarom is het zeer nuttig, na te gaan hoe de heilige Sacramenten de rechtvaardiging des zondaars bevestigen.
Laat ons dan eerst zien, hoe dit geschiedt bij den Heiligen Doop. In een volgend stuk hopen wij na te gaau, hoe dit plaats heeft bij het Heilig Avondmaal.
De nauwe betrekking tusschen den Doop en de rechtvaardiging kan niet beter voorgesteld worden dan door de woorden van Ananias, den discipel des Heeren te Damaskus, die Paulus verhaalde, toen hij tot het volk Israël sprak, en die wij beschreven vinden in Hand. 22 : 16: „En nu, wat v e r t o e ft g i j p sta op, en l a a t u d o o p e n en uwe z o n d en a f w a s s c h e n , a a n r o e p e n d e d e n N a a m des H e e r e n ".
De Apostel Paulus verdedigt zich in dit 22s l c Hoofdstuk voor het volk der Joden aangaande de beschuldiging, dat hij tegen het volk en de Wet en tegen den tempel zou gesproken hebben. De inhoud zijner rede was, dat de beschuldiging allen grond miste, en dat God Zelf hem tot het geloof in Christus bekeerd had, en dat hij (Paulus) onrecht gedaan had, toen hij de geloovigen vervolgde. Hij noemt uitdrukkelijk den gekruisten Jesus den Rechtvaardige. Hij verhaalt nu, hoe hij lot bekeering kwam. Toen hij nml. naar Damaskus reisde, om de geloovigen aldaar gevankelijk naar Jerusalem te brengen, verscheen hem op den weg de Heere Jesus, hem toeroepende: „Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij p" Hij zelf werd blind vanwege de „heerlijkheid des gezichts" en moest naar Damaskus geleid worden. Toen kwam, na drie dagen, tot hem een zekere Ananias, een Godvruchtig man naar de Wet, hebbende eene goede getuigenis van al de Joden, die aldaar woonden; deze maakte hem eerst ziende; daarna sprak hij tot hem van zijne roeping, dat God hem verordend had, om den Rechtvaardige, nml. Jesus, te zien en Zijnen wil te kennen en Zijn getuige te zijn „En nu, wat vertoeft gij ?" gaat Ananias voort; d. w. z : maak geene bedenking meer ; dien God reeds zóó begenadigd heeft en vau zijne blindheid genezen, dien Hij verordend heeft, om van Christus als den Rechtvaardige te getuigen, dien v e r g e e f t H i j ook al z i j n e zonde. En Ananias wilde hem terstond doopen. Want hij zegt verder: „Sta op, en laat u doopen en uwe zonden afwasschen".
Wanneer hjj zegt: „Laat u doopen en uwe zonden afwasschen", dan noemt hij den Doop de afwassching der zonden Dit moet echter niet verstaan worden, zooals de Roomsche Kerk doet, die in den Doop zelf, in de handeling of bediening des Do >ps, de afwassching der erfzonde ziet; ook niet zooals de Lutherechen en ook velen in de Gereformeerde Kerk beweren, dat de Doop eene handeling is, waardoor de mensch zijnen vrijen wil terugkrijgt, die in Adam verloren was, zoodat hij nu vrij kiezen kan tusschen het geloof en de goddeloosheid; dit leert de Heilige Schrift nergens. De Doop geeft ons g e e n e g a v e n, maar verzekert ons, d a t z i j o n s g e g e v e n z i j n.
Wanneer dus Ananias zegt: „Laat u doopen en uwe zonden afwasschen", zoo hebben wij daaronder te verstaan, dat de doop van Saulus eene verzekering en verklaring was, dat God hem zijne zonden vergeven had; wanneer hij dus aangevochten werd, dan kon en mocht hij op zijnen doop terugzien, en hij had daarbij een zeker en onbedrieglijk waarteeken en zegel, dat God hem gerechtigheid geschonken had.
Bij den Doop is dus te onderscheiden: het bevel des Ileeien om te doopen, en Zijne belofte. De Heere beveelt water te sprengen of met water te wasschen. Bij dit bevel komt de belofte of het Woord Gods. Want de uitwendige handeling zou zonder dit Woord niets beteekenen. De paal, die tot wegwijzer dient, heeft geene beteekenis zonder het opschrift, dat hem tot wegwijzer maakt. Alzoo heeft het wasschen met water zonder meer geene beteekenis zonder Gods belofte. Deze nu ligt daarin, dat de Heere beveelt: „Doopende in den N a am d e s V a d e r s , en d e s Z o o n s , en d e s H e i l i g e n G e e s - t e s " . De Naam des Vaders beteekent voor ons, dat God, de Vader onzes Heeren Jesus Christus, onze God en Vader wil zijn om Christus' wil, dus onze zonden ons wil vergeven; de Naam des Zoons, dat Hij ons verlost heeft met Zijn dierbaar bloed, en dat Ilij Zijne gerechtigheid voor ons verworven heeft en ons schenkt; de Naam des Heiligen Geestes, dat Die ons deel geeft aan Christus en aan al Zijne weldaden, dus in 't bijzonder aan Zijne gerechtigheid en de vergeving onzer zonden. Voorts belooft de Heere Jesus: „Wie g e l o o f t en g e d o o p t w o r d t , die zal zalig worden". Ook hier wordt onze zaligmaking, d. i. verlossing van onze zonden, door den Doop verzegeld en bekrachtigd.
De Doop geeft ons twee dingen te verstaan en verzegelt ze, nml.: de afwassching der zonden en de wedergeboorte. Beide hangen nauw met elkander samen. De afwassching der zonden neemt onze zonden weg, de wedergeboorte onzen geestelijken dood. Deze laatste is de v r u c h t d a a r v a n , dat de Heere God ons in Christus rechtvaardig spreekt. Wij hebben hier dus meer met de eerstgenoemde te doen, volgens welke de Heilige Doop ons verzekert, dat de Heere God ons zóó zeker van alle onze zonden geestelijk gewasschen of ons vergeving onzer zonden geschonken heeft, als wij uitwendig met water, hetwelk de onzuiverheid van het vleesch pleegt weg te nemen, gewasschen zijn.
Deze waarheid gevoelen wij niet altijd; vele gedoopten leven in de wereld, en denken aan God niet, daarom denken zij ook niet aan hunne zouden; hoeveel te minder hieraan, dat deze hun om Christus' wil vergeven zijn. En wanneer wij Farizeën zijn en onszelven rechtvaardigen, spreken wij ouk niet van de vergeving, maar van onze goede werken. Wanneer wij dan aan den Doop denken, is hij ons een teeken en zegel, dat wij tot Gods volk beliooren, evenals de Farizeën tegenover de onbesnedenen zich er op beroemden, besneden te zijn.
Maar wanneer wij aan de wet gestorven zijn, en wij onze ongerechtigheid kennen, wanneer ons alle grond ontzinkt en onze ziel in eenen diepen-afgrond stort, dan wordt het donker voor onze oogen en wij wanhopen aan onszelven en ook aan God. Maar dan is de Doop evenzoo een zegel der rechtvaardiging door het geloof als eertijds de Besnijdenis, gelijk Paulus zegt Rom. 4 : 11: „En hij (Abraham) heeft het teeken der Besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, die hem in de voorhuid was toegerekend". Abraham heeft immers de Besnijdenis ontvangen tot eene bevestiging van het Verbond des Heeren, waarin Hij hem beloofde: „Ik zal uw God zijn, en de God van uw zaad na u in hunne geslachten'. De Heere kon zijn God niet zijn, als Hij hem de zonden niet vergaf. Hij heeft hem echter reeds vroeger de rechtvaardigheid toegerekend, toen Hij hem riep en hem beval naar het land Kanaiiu te trekken, want Hij zeide daarbij: „ W e e s een z e g e n " , d. i. een middel, waardoor Ik, God, Mijne genade aan andere menschen bewijs. Kon hij een zegen voor anderen zijn, als hij niet zelf gezegend was en voor God genade gevonden had ? En toen Abraham, geen kind hebbende, geloofde, dat God hem zóó veel zaad zou geven, als er sterren aan den hemel zijn, heet het van hem: „God rekende het hem tot rechtvaardigheid". Hij gaf Abraham dus rechtvaardigheid, terwijl deze zich als zondaar kende, die de belofte Gods niet geloofd had. En nu was de Besnijdenis eene bevestiging van die belofte der rechtvaardiging. Deze had hij zeer van noode, want hij was bijna honderd jaren oud en had nog geen kind; het was voor hem en voor Sara naar het zichtbare onmogelijk, te gelooven, dat zij nog een kind krijgen zouden; en Abraham bad den Heere, dat Ismaël voor Zijn Aangezicht mocht leven. Maar de Heere weigerde het. Daardoor haalde de Heere eene streep door alles, wat de mensch door eigen wil, wijsheid en kracht voortbrengt, en Hij wees hem alleen op den weg van Zijne almachtige genade. Waaraan kon zich dus Abraham houden, als hij in nood verkeerde wegens zijne zonden ? Alleen aan dat zegel der Besnijdenis, waardoor God hem zeide: Zoo gewis Ik u bevolen heb u te besnijden, zoo gewis zijt gij voor Mij rechtvaardig, en gij zult uit Sara eenen zoon hebben, — die zal uw zaad zijn.
Alzoo verzekert God ons ook in den Doop de rechtvaardiging door het geloof.
Zijt gij nu in nood, gevoelt gij, dat uw God over u vertoornd is, meent gij voor Hem geene genade te vinden, dan heeft u de Heere den Heiligen Doop gegeven, opdat gij n o c h t a n s gel o o v e n zoudt, dat God u uwe zonden vergeeft. En gij hebt in dit Sacrament eenen pleitgrond, om in het gebed tot God te komen. Toen David bad (Ps 51): „Wasch mij wel van ongerechtigheid en reinig mij van mijne zonde", toen heeft hij een beeld ontleend aan het wasschen van eenen onreine of melaatsche, hetwelk ook een Sacrament was. Ilij zeide daarmede: Ik ben ook een onreine voor'U, een melaatsche wegens mijne ongerechtigheid; wasch mij dan. Hield hij daarmee den Heere niet voor, dat H i j b e v o l e n h e e f t , dat de onreinen zich zouden wasschen, en dan voor Hem rein zouden zijn? Daarom vraagde hij den Heere, of Hij hem niet óók rein wilde maken door Zijne genade.
Alzoo zegt ook Ananias: „Aanroepende den Naam des Heeren". En in 1 Petr. 3 : 21 wordt de Doop zelf eene vraag van een goed geweten tot God genoemd; d. i. niets anders dan een pleitgrcnd. waarop eene oprechte consciëntie tot God komt, zeggende: Gij hebt mij beloofd, mij voor rein te verklartn van al irijne zonden, en Gij hebt mij dit zichtbaar waarteeken en zegel gegeven; nu dan, vervul Uwe belofte en red mij, dat ik niet verga, zooals de menschen der oude wereld in den zondvloed vergaan zijn.
God de Heere zal zeker zulk een gebed verhooren, want Hij ziet niets liever, dan dat men op Zijn Woord, op Zijnen Naam of op Zijn Sacrament pleit. Dan rommelen Zijne ingewanden, dat Hij Zich over den pleiter m o e t ontfermen.
Maar hier ontstaat de vraag: Yereischt de rechtvaardiging door het geloof niet, dat men eerst teekenen des geloofs getoond heefr, eer men gedoopt werd ? Abraham geloofde ook eerst, daarna werd hij besneden. In den tijd der Apostelen eischte men van alle volwassenen eerst zulke teekenen, vóór men hen tot den Doop toeliet. Hebben de Wederdoopers, Doopsgezinden en allen, die den Kinderdoop afkeuren, niet gelijk ? — Hierop antwoorden wij: De Doop is de bevestiging van Gods Woord van de vergeving onzer zonden ; dit Woord is echter van eeuwigheid, eer dat een mensch geboren was geweest. God heeft van eeuwigheid Zijn volk uit alle volkeren uitverkoren, om hen te roepen; en die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook rechtvaardig gemaakt. Voor God is Zijn volk reeds rechtvaardig, eer zij er iets van weten. Hij ziet in ontferming op hen neder; Hij is zeer bedroefd over hunne zonde en weerspannigheid, en arresteert hen, dat zij daarin niet verder kunnen gaan. Hij heeft daarbij reeds het oog op hunne rechtvaardigmaking door het geloof. En als zij in den nood hunner zonden verkeeren, en verslagen zijn door de Wet, kermen en Hem vragen om ontferming en genade, dan is Hij hun genadig en reinigt hen van alle zonde.
Omdat Gode Zijne werken dus vóór de grondlegging der wereld bekend zijn, was en is het voor Hem geen bezwaar, aan de kleine kinderen der Israëlieten de Besnijdenis, en aan die der geloovige Christenen den Doop te laten bedienen, hoewel zij in zonden ontvangen en geboren zijn. Hij ziet ze in Christus aan, en zij zijn Hem in Christus geheiligd. Izak, het beloofde kind, waarin Abraham den Christus van verre zag, werd besneden ten achtsten dage. Juist de ware leer der rechtvaardiging vereischt den doop der kinderen in de Gemeente, opdat ook zij, als zij hunne zonden gevoelen, eenen pleitgrond zouden hebben, om tot den Heere te bidden en op Zijn Woord te pleiten.
Zoo is de Heilige Doop van groote beteekenis voor het geloof, dat een iegelijk, die in Christus gelooft, rechtvaardig voor God is. Hij is voor den verslagene van gemoed eene verklaring Gods, dat hij rechtvaardig is. en dat dus al zijne zonden afgewasschen zijn Gelijk een koning bij de aanvaarding van zijne waardigheid in 't openbaar geproclameerd wordt, alzoo geschiedt het ook in den Heiligen Doop aangaande onze rechtvaardigmaking Daarom zegt Paulus Gal. 3 : 27: „Want zoo velen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan".
Dit is dus waarheid voor God, en een iegelijk, die zich daaraan houdt, zal wel zeer aangevochten worden, maar de Heere zal Zich bewijzen als Zijne gerechtigheid.
Velen verachten den Heiligen Doop, hoewel zij daarvan voor hunne kinderen gebruik maken. Zij laten de kinderen doopen, maar denken er niet over na, waartoe hij hun behoort te dienen. Dit komt daarvandaan, dat zij eigenlijk de vergeving der zonden uit louter genade niet gelooven, maar zij zoeken werken, gestalten, bevindingen, die zij dan in rekening brengen, en waardoor zij meenen iets anders te worden dan een in zonden ontvangen en geboren kind. Het gevolg is, dat, daar zij op eenen valschen grond, eigenlijk op zichzelf, steunen, en alle vastigheid des geloofs in de ure der beproeving verliezen, zij ten slotte in wanhoop verzinken; en het zal alleen Gods genade zijn, die hen redt, hen brengende tot de overtuiging, dat zij niets meer zijn dan arme, kleine kinderen.
Daarentegen wie het gelooft, dat de Heilige Doop de afwassching zijner zonde verzegelt, zal in de aanvechting altijd den vasten grond vinden: J e s u s C h r i s t u s en Z i j ne g e r e c h t i g h e i d , en in plaats van wanhopig te worden, zal hij met zijne hand het Woord des Heeren aangrijpen, en niet loslaten, evenals de kleine kinderen doen met de hand desgenen, dien zij vertrouwen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

16, De rechtvaardiging en de Heilige Doop, (Overdenking van Handelingen 22 : 16.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken