Bekijk het origineel

Over de rechrvaardiging door het geloof

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over de rechrvaardiging door het geloof

17, De rechtvaardiging en liet Heilig Avondmaal, (Overdenking van Mattheüs 2 6 : 2 6 — 28.)

16 minuten leestijd

„En als zij aten, nam Jesus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf bet den discipelen, en zeide: Neemt eet, dat is Mijn lichaam. En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hnu dien, zeggende: Drinkt ailen daaruit; want dat is Mijn bloed, het bloed des nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zouden."

Wij hebben gezien, dat de Heilige Doop is de bevestiging van de afwassching der zonden door het bloed van Christus, en alzoo van de rechtvaardiging des zondaars door God uit louter genade. Gelijk nu de Heilige Doop ons op de rechtvaardiging wijst, zoo ook het tweede Sacrament, dat Christus heeft ingesteld, het Heilig Avondmaal. Het onderscheid tussohen dit Sacrament en den Heiligen Doop ligt hierin : de laatstgenoemde verzekert ous, dat wij door God b i j a a n v a n g in de vergeving onzer zonden aangenomen zijn tot Zijn volk en tot Zijne kinderen, dat wij daardoor het leven uit God ontvangen hebben; het Heilig Avondmaal echter verzekert ons, dat de Heere oub b i j v o o r t g a n g deze genadegaven deelachtig maakt en dat alzoo het leven uit God in ons onderhouden wordt, evenals een mensch door spijs en drank zijn lichamelijk leven onderhoudt. Want daar de zonde alle geloovigen hier op aarde nog aankleeft, en zij jegens de Wet Gods slechts in een klein beginsel gehoorzaam zijn, zoo stelt zich onze zonde bestendig tusscben ons en God, en onze schuld heeft zulk eene macht, dat wij deswege het Verbond van Gods genade en de eenmaal geschonken rechtvaardiging verbeuren. Derhalve schenkt ons Christus in het Heilig Avondmaal de verzekering, dat geene zonde of zwakheid, die in ons is overgebleven, den Heere verhindert, ons bij Zjjn genadeverbond te bewaren en in ons het geloof te onderhouden, dat wij in Christus voor God rechtvaardig zjjn
Laat ons dan nu nagaan, hoe Christus ons in het Heilig Avondmaal van de rechtvaardiging uit louter genade verzekert, en welk gebruik wij daarom van dit Sacrament hebben te maken.
H o e v e r z e k e r t C h r i s t u s o n s i n h e t H e i l i g A v o n d - m a a l v a n de r e c h t v a a r d i g i n g u i t l o u t e r g e n a d e?
Hij heeft dit Sacrament op den avond vóór den dag Zijns doods ingezet. Reeds vroeger had Hij aan Zijne discipelen dikwijls medegedeeld, dat de Zoon des menschen moest lijden en sterven, gelijk de Schriften het voorzegd hadden. Zij hadden het niet willen gelooven, want zij verstonden de Schriften nog niet. Zij geloofden wel is waar in Jesus als den Christus, maar het was hun niet duidelijk, dat Hij voor hen moest stervenj om hunne zonden te verzoenen. Zij dachten, zooals alle Joden, dat zij vergeving hunner zonden hadden door hunne offeranden, die in den tempel te Jerusalem gebracht werden. Overigens, meenden zij, zou de Heere Jesus hen uit al hunne ellende verlossen en hen tot heerljjkhoid leiden Hij zou dus aan al het lijden en sterven, waaraan een zondig mensch ouderworpen is, niet onderhevig geweest zijn. Wanneer de Heere Jesus nu toch leed, was dit voor hen de zwaarste slag, die als het ware al hun geloof en verwachting omverstiet.
Daarom stelde de Heere Jesus het Heiiig Avondmaal in als een waarteeken en zegel, dat zij in Hem door Zijnen dood waarachtig vergeving hunner zonden zouden hebben. Deze omstandigheden, onder welke de Heere Jesus het Heilig Avondmaal aan Zijne discipelen gaf, zijn dus van het grootste belang voor de rechtvaardiging door het geloof. Niet door de offeranden van varren, lammeren en bokken, maar door Zjjne eigene offerande zouden zij vergeving hunner zonden hebben. Dit zou hun ware troost zijn in de schrikkelijke droefheid, waaraan zij zoo spoedig ten prooi zouden worden. Hun geloof in Hem zou niet ophouden; en Hij zou er voor zorgen, dat het vannieuws uit de wanhoop zou verrijzen. Zij zeiven zouden het niet kunnen vergeten, dut zij van dat brood gegeten en van dien drinkbeker gedronken hadden, welke de Heere noemde: Zijn lichaam, dat voor hen verbroken, en Zijn bloed, dat voor velen vergoten werd tot vergeving hunner zonden. De offeranden in den tempel echter zouden alleen schaduwen zijn, die Zijne eigene offerande afbeeldden en verzekerden, zoolang Hij deze nog niet gebracht had.
De Heere verbond de instelling van het Heilig Avondmaal onmiddellijk met den paaschmaaltijd. Het paaschlam zelf was geene eigenlijke offerande, maar een schaduwbeeld en Sacrament der verlossing Israëls, hetwelk te kennen gaf en verzekerde, dat de Heere hen verloste van den dood aller eerstgeborenen, en dus van hun aller dood, welken zij door hunne zonden verdiend hadden. Zij stonden door de toezegging, die God aan Abraham gegeven had, in Gods Yerbond; Hij wilde hun God zijn. Maar door hunne zonde en wederspannigheid verdienden zij niet, in dit Verbond te blijven. God beval hun echter een éénjarig mannelijk lam te slachten, het bloed daarvan aan de deurposten te strijken, en het vleesch te eten, opdat zij zouden weten, dat de Heere een ander Lam verordend had, om hen te verlossen en in Zijn Verbond te houden ; en in den nacht, als Zijn oordeel over gansch Egypteland ging, zouden zij door het eten van dat vleesch bij het leven bewaard blijven.
Het Lam Gods, Jesus Christus, was in de wereld gekomen, en het zou geofferd en geslacht worden door hetzelfde Israëlietiache volk; daarom isette de Heere nu een ander Sacrament in, waarbij geen slachten, geen uitstorten van bloed meer zou plaats hebben, waarbij Zijne geloovigen dus gewezen worden op Z i j n e v o l k o m e n e o f f e r a n d e , aan het kruis geschied.
Na het eten van het paaschlam nam de Heere Jesus brood, dankte daarvoor of zegende het, brak het vervolgens en zeide: „ N e e m t , e e t , d a t is M i j n l i c h a a r a ' ' ; volgens Luk. 22 : 19 voegde Hij er aan toe: „ d a t v o o r u g e g e v e n (of g e b r o - k e n ) w o r d t (1 Cor 11 : 24); d o e t d a t t o t M i j n e ged a c h t e n i s " . Hij noemt het brood Zijn lichaam; niet dat het veranderd wordt in Zijn lichaam, maar Hij spreekt zoo, omdat Hij zeggen wil: zoo gewis als dit brood uwe lichamen spijzigt, zoo gewis is Mijn lichaam, voor u gegeven en gebroken in Mijnen dood, de waarachtige spijs voor uwe zielen.
Insgelijks nam Hij ook den drinkbeker, zeide dank en gaf hun dien, zeggende: „ D r i n k t a l l e n d a a r u i t , d a t i s M i jn b l o e d , het b l o e d des n i e u w e n T e s t , i m e n t s , hetw e l k v e r g o t e n w o r d t v o o r v e l e n , t o t v e r g e v i n g d er z o n d e n " . Hier zegt Hij het nog duidelijker, dat de drinkbeker het waarteeken en pand is van Zijne offerande; want gelijk bij een offerdier het bloed opgevangen en om het altaar vergoten werd, alzoo werd Zijn bloed vergoten tot vergeving der zonden, zoowel voor Zijne discipelen als voor velen, die door hunne prediking in Hem gelooven zouden.
Het brood en de drinkbeker des Avondmaals zijn echter niet zelf het lichaam en bloed van Christus, want Hij was naar Zijn lichaam nog te midden van de discipelen; ook is dit Sacrament geen offer, — want hoe kon dit, daar Hij Zelf Zich tot een offer gaf? - maar zij zijn waarteeken en zegelen van het slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, en worden als beelden en panden genoemd met den naam van de zaak, die zij beteekenen: „lichaam en bloed des Heeren", om ons des te meer te verzekeren, dat ons de Heere Jesus gewisselijk aan onze zielen met Zijn geofferd lichaam spijzigt en met Zijn vergoten bloed laaft. L)e Heere bevestigt daardoor de verkondiging van Zijn Evangelie, dat wij iu Christus waarachtige gerechtigheid hebben; het Heilig Avondmaal is het zegel tot den brief des Evangelies, waardoor de Heere verklaart, dat alles waar is en van Hem komt, wat in den brief geschreven is, en dat het den geloovige toekomt.
Dientengevolge worden wij rechtstreeks door het Heilig Avondmaal verzekerd, dat God ons Zijne rechtvaardigheid, door Christus verworven, schenkt, en dat Hij ons ook gedurig deze rechtvaardiging vernieuwt, en onze zonden en zondigen aard nimmermeer gedenkt. Wij blijven dus in Zijn genadeverbond, en mogen altoos zeggen: De Heere gedenkt onzer zonden niet, die ons zoo zeer bedroeven, omdat wij daardoor Gods genadeverbond verbeuren.
Indien dus het Heilig Avondmaal ons verzekert, dat wij in den dood van Christus waarachtige vergeving onzer zonden hebben, en dat deze de spijs en de lafenis onzer zielen is, w e l k g e b r u i k h e b b e n wij d a a r v a n te m a k e n?
Het Heilig Avondmaal dient, om ons geloof te sterken. Do Heilige Geest sterkt het door het gebruik der heilige Sacramenten, zegt onze Catechismus (Vr. 65). Is ons geloof zwak, zijn wij aangevochten wegens onze zonden, worden wij vermoeid in onzen strijd, dan is er geen beter middel, dan het Heilig Avondmaal te gebruiken. Immers is hetzelve ingesteld voor degenen, die zich vanwege hunne zonden mishagen, die zich dus veroordeelen, van zichzelven als het ware eenen afkeer hebben. Datgene, waaraan men een mishagen heeft, verafschuwt en veroordeelt men. Wie nu aan zichzelven een mishagen heeft, onderteekent zijn eigen vonnis, hij stemt met God in. Die hem des doods en der verdoemenis schuldig acht. Daarom is hij in groote aanvechting en nood, hij ligt in de diepte; hij kan zichzelven niet redden; geene verontschuldigingen gelden voor hem. Voor d e n z u l k e n is het Heilig Avondmaal gegeven, opdat hij zou weten, dat God hem al zijne zonden vergeeft, en dat Hij hem in Christus, Zijnen geliefden Zoon, aanziet; want Hij heeft in Zijnen Zoon een welbehagen, juist omdat Hij Zichzelven aan het kruis voor ons, zondaren, opgeofferd heeft, daarom heeft Hij ook in hem een welbehagen, die in Christus zich bergt, en Hij ziet zijne zonden niet meer aan.
Zal echter degene, die deelneemt aan het Heilig Avondmaal, daarvan den waren troost ontvangen, zoo is het noodig, dat hij het oprechte geloof heeft, nml. dat zijne gerechtigheid niet in hem zelf is, maar dat hij ze in Christus ziet, dat hem dus de zonden ter wille van Christus vergeven zijn, en dat al zijne overgeblevene zwakheid door het lijden en sterven van Christus bedekt is Immers Hij heeft niet alleen om onze daadwerkelijke zonden geleden, maar ook om onze erfzonde en zondigen aard liet Hij Zich aanvechten, werd Hij zwak en overwon in Zijne zwakheid door het vasthouden aan Gods Woord en belofte.
Hoewel wij dit geloof moeten hebben, om tot het Heilig Avondmaal te komen, zoo is het bij ons toch zeer zwak, en moet altoos woêr gesterkt worden; wij gevoelen er dikwijls niets van, maar het gevoel onzer zonde is sterker; evenwel hebben wij het Woord en de toezegging Gods, en allen, die door God gekend zijn, kunnen niet leven buiten dat Woord. Dit kan wel de wereld, de goddelooze en de vrome, maar de oprechte kan het niet. En zoo spreekt hij dan: „Heere, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!"
Daarom wordt hij door Goda Geest in het Avondmaal gesterkt in dat Woord. Hij was hongerende, naar het brood des levens, en hij wordt gespijzigd, — dorstende, en hij wordt gelaafd. Het lichaam en bloed van Christus zijn werkelijk zijner ziele spijs en lafenis En hij mag er zich in verheugen, dat Christus waarachtig zijne gerechtigheid is. „Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijnen geest"..., zegt reeds Hizkia, (Jes. 38 : 16); — „want Gij hebt al mijne zonden achter Uwen rug geworpen" (Vs. 17b).
Hieruit volgt ook als vanzelf, dat wie aan het Heilig Avondmaal deelneemt met een mishagen aan zichzelven en met een toevlucht nemen tot Christus, van harte verlangt zijn geloof te sterken en zijn leven te beteren; en hiertoe dient hem het Heilig Avondmaal ook. Wij kunnen ons geloof niet sterken, wanneer wij er niet telkens vannieuws van verzekerd worden, dat de weldaad der rechtvaardiging ons ten goede komt; want anders kwijnt ons geloof, en wij verliezen het. En wat is de betering van ons leven, als wij niet eerst met God verzoend en vereenigd worden en Hem tot onzen God hebben? Het zou alles eigen werk zijn en dus dood. Haar wanneer Christus onze gerechtigheid is, zoo is Hij ook ons leven, en in Hem wordt ons leven gebeterd.
Bij het gebruik van het Heilig Avondmaal hebben wij voorts in 't oog te houden, dat wij de rechtvaardiging en de vergeving onzer zonden alleen van God door Zijn Woord hebben, eu dat het Heilig Avondmaal ons die n i e t g e e f t , maar het W o o rd b e v e s t i g t , waardoor God ze ons geeft. Hiertegen wordt veel gezondigd. Reeds in de eerste eeuwen der Christelijke Kerk begon men het Heilig Avondmaal een offer te noemen, omdat men daarbij gewoonlijk geschenken aan de Gemeente gaf, die men offers noemde. De beteekenis van het Heilig Avondmaal, om de geloovigen in hunnen zielennood te versterken, raakte op den achtergrond, en in de plaats daarvan ijverde men voor zulke buitengewone goede werken; straks zeide men, dat men daardoor te meer vergeving zijner zonden ontving. Hieruit ontstond eindelijk de gruwel der Roomsche leer, welke van het Avondmaal een nieuw offer van Christus maakte, en verklaarde, dat de offerande van Christus, aan liet kruis geschied, krachteloos was, tenzij deze nieuwe offerande plaats had. Daardoor werd de daad van Christus, waardoor Hij voor ons gerechtigheid heeft verworven, verzwakt en verloochend, en in de plaats van het geloof in Christus kwam het geloof in den priester. Het is geen wonder, dat de Roomsche Kerk de rechtvaardiging door het geloof verwerpt en vervolgt.
Hieruit kunnen wij zien, hoe de mensch in alle dwalingen vervalt, als hij de leer der rechtvaardiging verzaakt. O, wie in zichzelven gerechtigheid en goede werken ziet, of wie deze aan de „rechtvaardiging door Christus" wil toevoegen, die zal geenen inwendigen nood over zjjne zonden gevoelen; en gaat hij tot het Heilig Avondmaal, zoo is het zonder mishagen aan zichzelven. Hij zoekt den waren troost van dit Sacrament niet, maar hij verheft zichzelven.
En wie met zijne zonde en de wereld niet gebroken heeft, en toch tot het Heilig Avondmaal komt, die zal daarmee Gode eene offerande willen brengen of eenen dienst bewijzen, maar hij heeft het ware geloof niet, en zoo blijft voor hem het genot van dit Sacrament zonder vrucht. Hij gevoelt soms zijne schuld, hij kan ze niet uitdelgen, hij hoort Gods Woord, maar het bestraft hem, en nu wil hij bij het Heilig Avondmaal de vergeving zijner zonden zoeken, en de stilling van zijne consciëntie. Maar hij zal ze niet vinden! want hoe zal de Heilige Geest ons door het gebruik van het Sacrament de weldaad van Christus schenken, terwijl wij Gods Woord verwerpen ? Dan zou Hij de prediking van dit Woord onnoodig maken. De Roomsche Kerk legt in de Sacramenten zelf de kracht, die God aan Zich en aan Zijn Woord en Geest voorbehouden heeft; vandaar dat wereldsche menschen zich veel gemakkelijker in hare inrichtingen kunnen vinden, dan in die der naar Gods Woord gereformeerde Kerk.
Ook de Luthersche en de Duitsche geünieerde Kerken leggen te veel in het Sacrament, wanneer zij het een g e n a d e - m i d d e l noemen. Want daardoor geven zij ook te verstaan, dat men vergeving der zonden zoowel uit het Sacrament, als uit de prediking des Woords zou kunnen ontvangen. Zij maken daardoor eene scheiding, die uiet volgens Gods Woord is. Want wij worden niet gebouwd op het fundament van het Heilig Avondmaal, maar van de p r e d i k i n g der A p o s - t e l e n en P r o f e t e n , w a a r v a n C h r i s t u s J e s u s Z e lf d e u i t e r s t e H o e k s t e e n is. (Ef. 2: 20.) Het Heilig Avondmaal is een zegel en pand van het Woord; neem ik het Woord weg, zoo heeft het zegel en pand zijne beteekenis verloren. Daarom kan en mag ik daaraan de beteekenis en kracht niet hechten, die het Woord heeft. Het laatstgenoemde is de brief, het Avondmaal is het zegel. Zonder den brief heeft het zegel geene beteekenis. Het volk wordt dus in eene groote dwaling gebracht, wanneer men het leert, het Heilig Avondmaal als een zelfstandig genademiddel te beschouwen; en het gevolg is, dat de verzekering door den Heiligen Geest niet kan plaats hebben, en dat de menschen in hunne zonden en aanvechting blijven.
Zoo zien wij, dat de leer der rechtvaardiging door het geloof de toetssteen is, waaraan ook de leer van het Heilig Avondmaal getoetst moet worden, opdat wij aan dit heilig Sacrament geene valsche beteekenis hechten, noch de vergeving onzer zonden weder aan een werk binden. Blijven wij daarbij, dat wij alleen uit genade door God gerechtvaardigd worden, zoo zullen wij in het Heilig Avondmaal waarachtig gesterkt worden, en wij zullen ondervinden, dat de Heere ons den overvloedigen rijkdom Zijner genade schenkt, en dat te meer, naarmate wij meer als arme, naar deze genade hongerende zondaren van Zijn heilig Sacrament gebruik maken. Hij verwerpt ons niet, hoewel wij het verdiend hebben, maar verlost ons uit al onzen dood, door den dood van Zijnen lieven Zoon Jesus Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Over de rechrvaardiging door het geloof

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken