Bekijk het origineel

Over de rechrvaardiging door het geloof

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over de rechrvaardiging door het geloof

18. De rechtvaardiging en de Kerk. (Overdenking van Efeze 2 : 20 en 21.)

24 minuten leestijd

.Gebouwd op het fundament der Apostelen eu Profeten, waarvan Jesus C'hristns is de uiterste Hoeksteen; op Welken het geheele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast t o t eenen heiligen tempel in den Heere."

De gave der rechtvaardiging wordt ons door het geloof toegeëigend, en niet daardoor, dat wij onszelven zoeken Gode aangenaam te maken door onze eigene werken, want dat kunnen wij niet; als wij dit wel konden, dan zou zij ons niet toekomen uit genade, dan zou God Zijnen Christus niet in ons vleesch hebben moeten zenden, noch ons Diens gerechtigheid schenken. Maar Hij weet, dat wij ons Hem niet aangenaam kunnen maken, dat wij „van onzer moeders buik af overtreders genaamd zijn"; daarom delgt Hij onze zonden uit om Zijns Naams wil. Ook ons geloof is niet ons eigen werk, maar Hij geeft het ons uit genade (Filipp. 1 : 29), en Hij sterkt en onderhoudt het door het gebruik der heilige Sacramenten.
Wij hebben thans nog te spreken over de vruchten der rechtvaardiging. Deze zijn: ééne a l g e m e e n e en verscheidene p e r s o o n l i j k e . Het zou voor de hand liggen, eerst te spreken van de laatstgenoemde, daar zij in het nauwste verband staan met de rechtvaardiging; want gelijk deze eene daad Gods is, die wij persoonlijk aan onze zielen ondervinden, zoo zijn ook die persoonlijke vruchten of gevolgen inwendig. Maar wij hebben oorzaak thans de algemeene vrucht eerst in het oog te vatten, nml.: de Kerk van Jesus Christus, omdat zjj te gelijk van haren Ileere en Koning de taak heeft Zijn Woord te verkondigen, waardoor de Heilige Geest het geloof in de rechtvaardiging uit genade schept, en Zijne Sacramenten te bedienen.
Wij beschouwen deze vrucht in het licht van de woorden, die wij opgeteekend vinden Ef. 2 : 20 en 21: „ G e b o u wd op het f u n d a m e n t der A p o s t e l e n en P r o f e t e n, w a a r v a n J e s u s C h r i s t u s is de u i t e r s t e H o e k s t e e n; op W e l k e n het g e h e e l e g e b o u w , b e k w a m e l i jk s a m e n g e v o e g d z i j n d e , o p w a s t t o t e e n e n h e i l i g en t e m p e l in den H e e r e ".
Laat ons aan de hand van dit Schriftwoord overdenken: dat de rechtvaardiging uit louter genade de grond is, waarop do Kerk gebouwd is; dat zij het middel is, waardoor de Kerk opwast; en dat zij ook tot het doel leidt, waartoe de Heere de Kerk bestemd heeft, t w. een heilige tempel te zijn in Hem.
De r e c h t v a a r d i g i n g uit l o u t e r g e n a d e is de g r o n d , w a a r o p de K e r k g e b o u w d is.
De Apostel schrijft aan de Christenen te Efeze, die voor het grootste deel vroeger Heidenen waren, dat zij eenerzijds zich de genade Gods niet moeten laten betwisten, die hen in Christus zalig gemaakt of verlost heeft, en dat zij dus niet meer vreemdelingen en bijwoners zijn, zooals eertijds de Hethieten onder Israël, maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods; en dat zij anderzijds zich dit voorrecht waardig beliooren te gedragen. Zij zijn immers met de geloovig geworden Joden in Christus ééne Kerk, ééne gemeenschap, gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jesus Christus is de uiterste Hoeksteen. De Apostel gebruikt hier het beeld van den geestelijken tempel, hetwelk in de Heilige Schrift dikwijls voorkomt. Zij zijn de steenen, die aan elkander gevoegd worden, om de muren en wanden van het gebouw te vormen. Deze muren en wanden moeten eenen vasten en effen grondslag hebben, anders staan zjj niet vast. De grondslag is het fundament der Apostelen en Profeten, en de uiterste Hoeksteen, die steen, die de muren aan den hoek samenhoudt en steunt en die bij uitnomendheid sterk moet zijn, is Jesus Christus.
Bedoelt nu Paulus met „Apostelen en Profeten" hunne personen, zooals de Roomsche Kerk beweert, die den Apostel Petrus tot persoonlijken grondslag meent te hebben? Geenszins; want dan had de Apostel de Profeten hier niet genoemd. Maar hij bedoelt hunne prediking, door welke de Heilige Geest de Efeziërs tot het geloof in Jesus Christus gebracht heeft. Na Zijne opstanding heeft de Heere Jesus aan Zijne Apostelen de Schriften uitgelegd en gezegd: „Alzoo is er geschreven en alzoo moest de Christus lijden en van de dooden opstaan ten derden dage, en in Zijnen Naam gepredikt worden bekeering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jerusalem". (I,uk 2 4 : 4 6 en 47.) En aangaande de Profeten in het bijzonder zegt Petrus Hand. 10: 43: „Dezen geven getuigenis al de Profeten, dat een iegelijk, die iu Item", nml. Christus, „gelooft, vergeving der zouden ontvangen zal door Zijnen Naam". Zoo is volgens Jeremia (31 : 31—34) de vergeving onzer zonden de grondslag van het Nieuwe Verbond; in Jes. 53 is de Knecht des Heeren Degene, Die om onze ongerechtigheid lijdt, opdat Hij velen zou rechtvaardig maken door de kennis van Hem. In de Psalmen ontmoeten wij dikwijls de gedachte, dat de mensch geen heil, geene welvaart kan hebben of hopen, tenzij door de vergeving zijner zonden. Het is dus het Evangelie van onze rechtvaardiging in Christus, hetwelk ons zegt, dat de Heere God uit louter genade onze zonden ons niet toerekent, maar ons de gerechtigheid van Christus schenkt. Zóó is Christus onze uiterste Hoeksteen, zonder Hem hebben wij geenen stand, kunnen wij geen tempel des Heeren zijn, dienen wij God niet, noch verkondigen wij Zijne deugden.
„ C h r i s t u s o n z e g e r e c h t i g h e i d " , deze waarheid verlost ons van het eeuwig verderf, en maakt ons zalig ; zij wordt ons door de Apostelen en Profeten overal verkondigd; en zoo hebben wij hier als het ware een gelijkvloers-fundament, waarop alle geloovigen komen te staan of te liggen, en waarvan zij leven. Dit fundament onzer rechtvaardiging in Christus en der vergeving onzer zonden vereenigt ons allen, die Christus in waarheid kennen. En die vereeniging is de Kerk des Heeren Christus vergadert haar door Zijn Geest en Woord in eenigheid des waren geloofs uit het gansche menschelijk geslacht van het begin tot het einde; en zij is tot het eeuwige leven uitverkoren, zij is dus deelachtig Gods genade, hare leden hebben deel aan Christus en al Zijne weldaden; Hij is haar Koning, Die haar Zich gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed, Die haar liefheeft als Zijne Bruid, Die haar beschermt en verlost van alle kwaad, en haar versiert met Zijne kostelijke kleederen en sieraden, welke zij voor God mag dragen. Dit alles zou onmogelijk zijn zonder die ééne gave der rechtvaardiging door het geloof. Alle kerken, die deze waarheid prijsgeven, moeten steunen op hare uitwendige macht, op haren invloed en de geheele inrichting harer hiërarchie; zij stellen zich der wereld gelijk, want in zichzelven hebben zij geenen steun. Hare werken moeten zij z'elven onvolkomen noemen, hare leden vergelijken zich onder elkander, de een wil meer zijn dan de ander, een ieder staat op zichzelven en meent zichzelven genoeg te zijn. Wat voor steunpilaren zijn dat echter, als hunne werken voor God geene waarde hebben en de Geest des Heeren daarin blaast? Zij verderven en vergaan.
Het is echter niet alleen de Roomsche en de Grieksche Kerk, die het fundament der Apostelen en Profeten en den uitersten Hoeksteen, Christus, verwerpt, maar ook bij ons Gereformeerden of Hervormden en Lutherschen en bij sekten, die zich van de Kerken losgemaakt of afgescheiden hebben, zijn er velen, die dat doen. Zij zien meer op den v o r m , hoe eene Kerk uitwendig geleid en geregeerd wordt, dan op den g e e s t , die daarin heerscht, en op de prediking des Woords. De leer der rechtvaardiging treedt op den achtergrond; de vraag, of deze of gene partij zal heerschen, op den voorgrond ; men gebruikt de tuchtmiddelen niet op de juiste wijs, maar om aan de eigen partij de overwinning te verschaffen. Ook zijn er velen, die zich voor te vroom en te heilig houden, om naast den zondaar te zitten. Zoekt men zijne zaligheid in eene zelfgemaakte vroomheid, of maakt men het vrome volk tot eenen steunpilaar, ontziet men hunnen raad en woord meer dan Gods Woord, dan, voorwaar! is men niet gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten. Of gaat men andere wegen en stelt andere ordeningen in, die niet volgens Gods Woord zijn, dan volgt men eigene wijsheid en gerechtigheid, en maakt deze tot een fundament; en men zal den voornaamsten troost, dien van de vergeving onzer zonden, missen. Willen wij dus in ons geloof en in ons leven gezond blijven, zoo hebben wij vooral op onze rechtvaardiging in Christus te zien, zoowel opdat wij niet hooger van ons denken, dan wij zijn, als ook opdat wij de genade des Heeren in Christus als den eenigen grond erkennen, waarop wij mogen staan. En het is dus volkomen naar waarheid, wat Luther gezegd heeft en wat wij in ons eerste Artikel (Zie N°. 2) aangehaald hebben, dat a l l e e n d e z e l e er d e K e r k v o e d t en o p b o u w t.
De rechtvaardiging uit louter genade is ook h e t m i d d e l, w a a r d o o r de K e r k o p w a s t.
Vers 21 luidt: „Op W e l k e n h e t g e h e e l e g e b o u w, b e k w a m el i j k s a m e n g e v o e g d z i j n d e , o p w a s t " . In plaats van „op Welken" lezen wij volgens den grondtekst: „in W e l k e n " , want doordoor worden de woorden des Apostels ons duidelijker. Hij wil zeggen, dat in Christus het geheele gebouw, al de enkele steenen, naar den aard der steenen en van het bestek des gebouws, samengevoegd worden.
De Kerk is in de leer van de vergeving der zonden door Christus gegrond, daarin wast zij ook op. De leden der Kerk hebben allen hunne eigenaardigheden, naardat zij geschapen zijn, al naar het volk, waartoe zij behooren, al naar den uitwendigen stand, waarin zij zich bevinden. Een Israëliet van geboorte is anders dan een Griek, een Oosterling anders dan een Europeaan Er zijn mannen en vrouwen, ouden van dagen en kinderen, er zijn koningen en vorsten, er zijn burgers en onderdanen, armen en rijken. De een heeft de gave der regeering, de ander die van het dienen en helpen; een derde om te leeren, weêr een ander om God te loven en te zingen; de een is geschikt om te handelen, de ander heeft meer gevoel en de gave oin te onderscheiden. Maar allen hebben é én g e l o o f , nml. d a t C h r i s t u s h u n n e g e r e c h t i g h e i d is. Deze waarheid is dus niet slechts hun fundament, maar ook de b a n d , die hen allen verbindt en vereenigt; het was hunne eerste melk, waarmee zij gevoed werden, het is ook hunne bestendige spijs. Want daar wij allen zondaren zijn, zoo kunnen wij voor God niet leven, tenzij de Heere ons bestendig de zonden vergeeft, en ons reinigt door het bloed van Christus; zijn wij niet verzoend met God, zoo zijn wij buiten God en mitsdien dood door onze misdaden en zonden. De Kerk of ook eene enkele gemeenschap kan dus niet opwassen, tenzij wij met Christus verbonden zijn. Waar Christus niet is, twist men ook met den naaste, vergelijkt zich met hem, houdt zich voor beter, bekwamer dan hem, en veracht en verdrukt of kwelt hem. Maar wanneer ons Christus of het geloof in Hem als in onze gerechtigheid verbindt, dan weten wij, dat wij in onszelven niets zijn, maar in Christus het leven hebben, dan weerhoudt ons deze waarheid onszelven hooger te achten dan onzen broeder, en leert ons daarentegen hem van harte lief te hebben als onzen broeder.
Om nu de rechtvaardiging uit louter genade bij de Gemeente te bewaren, heeft Christus aan de Kerk het ambt vau de sleutelen des hemelrijks gegeven. (Matth. 16 : 19, Joh. 20 : 23.) Deze bestaan in de prediking des Evangelies en in de kerkelijke tucht of den Christelijken ban. De Ileere gaf aan alle Apostelen gelijkelijk de volmacht, op aarde te ontbinden en te binden, zoodat hunne verklaring in den hemel zou gelden, wat ook de menschen daarvan zeggen zouden. Het ontbinden is losmaken van de banden van het oordeel Gods, waardoor Hij den mensch verklaart der verdoemenis schuldig te zijn om zijner zonden wil; het binden is het uitspreken van Gods oordeel over den mensch. Het eene is de verkondiging en toezegging van de vergeving der zouden, het andere het houden der zonden. De Heere had volgens Johannes tot de Apostelen eerst gezegd: „Ontvangt den Heiligen Geest", en op hen geblazen. Deze macht heeft de Kerk bijgevolg alleen wanneer zij deu Geest Gods heeft en dus in Christus is, hebbende in het geloof de vergeving der zouden.
Heeft zij dezen Geest niet, zoo is zij buiten Christus, buiten den Heiligen Geest; en wanneer zij de sleutelen dan nochtans gebruikt, zal zij de goeden uitwerpen en de kwaden behouden. Het kan niet anders, of zij moet zich dan zelf in de plaats van Christus stellen. Hiertoe worden zij, en die bij haar de eerste plaatsen innemen, veelvuldig verleid. Haar rijk wordt vleeschelijk, blijft niet meer geestelijk, zij dorst naar de uitwendige, wereldlijke heerschappij over alle volken, zooals de Roomsche Kerk gedaan heeft en nog doet. De zonde tegen God. de afval van Christus wordt niet meer als zonde beschouwd, maar wel het verzet tegen de bevelen der kerkelijke machthebbers, en er wordt niet gevraagd, of deze bevelen volgens Gods Woord zijn, al of niet. De mensch stelt zich in de plaats van Christus. Dit is het groote verderf onzer kerken, en wij kunnen zeggen: deswege wassen onze kerken niet, maar kwijnen. De leden der Kerk voegen zich niet aan elkander, en als het uitwendige belang der kerkelijke goederen hen niet bijeenhield, zouden zij uit elkander vallen. Voor zulk een verderf der Kerk bewaart alleen de leer van de rechtvaardiging door het geloof Daarom moet zij de grondslag zijn van de prediking des Evangelies, en wanneer wij haar verkondigen, verzekeren wij allen geloovigen, dat zij door het geloof in Christus vergeving hunner zouden hebben; dengenen echter, die in hun ongeloof en ongehoorzaamheid jegens Christus blijven, dat God hunne zonden houdt, wie zij ook zijn mogen. Door zoodanige prediking onderhoudt de Heilige Geest het geloof, en vermeerdert de Kerk, en de leden worden zich bewust, dat zij eenerzijds niets in zichzelven zijn, anderzijds alles in Christus hebben, wat tot hunne zaligheid van noode is.
Insgelijks dient de rechtvaardiging, om ook den tweeden sleutel wel te gebruiken t w.: den Christelijken ban of de kerkelijke tucht. Deze wordt toegepast, wanneer leden der Kerk, die tegen haar zondigen, alle vermaningen verachten, in hunne zonde voortgaan en haar daardoor ergernis geven, of wanneer zij door openbare misdaden zich des Evangelies gansehelijk onwaardig maken. Wat is de oorzaak daarvan ? Dat zij voor God geene arme zondaren willen zjjn, maar zichzelven rechtvaardigen. Het is dus eigengerechtigheid en de lust tot hunne zonde, die hen drijft. Hierbij komt, dat zij de macht hunner erfzonde en booze natuur geringachten. De Heere Jesus vermaant Matth. 18: 15—17 de l e d e n der Gemeente, die van den geringsten stand even zoowel als die van den hoogsten, met de zondigende broeders onder vier oogen te spreken, en als dezen hen niet willen hooren, twee of drie andere leden met zich te nemen, opdat door het eensluidende getuigenis hun hart des te eer gebroken worde; eindeljjk, als zij ook dezen niet hooren, het der Gemeente te zeggen, en wanneer zij ook de Gemeente niet hooren, hen dan als Heidenen en tollenaars buiten te sluiten. Het is blijkbaar de bedoeling des Heeren, door de bestendige vermaning op het gemoed van het zondigende lid te werken, opdat hij niet meer meene, dat hij geene zonde deed, maar zich aan Gods getuigenis onderwerpe en erkenne, dat hij onder het zware oordeel Gods is, en de genade van Christus van noode heeft; hem dus tot het geloof in de rechtvaardiging uit louter genade te leiden. De uitsluiting uit de Gemeente moet slechts in de uiterste noodzakelijkheid plaats hebben, nml. wanneer hij naar de gansche Gemeente of degenen, die over haar gesteld zijn, niet hoort.
De Apostel Paulus sluit 1 Cor. 5 eenen bloedschender als misdadiger om de ergernissen der Gemeente terstond uit.
De uitsluiting zelve geschiedt door ontzegging van het recht, de heilige Sacramenten te gebruiken; want daar deze de vergeving der zonden verzekeren, zoo wordt den hardnekkigen en overtreders verklaard, dat zij daaraan geen deel hebben en hunne zonden door God niet vergeven zijn, zoolang zij zich niet bekeeren De uitsluiting als zoodauig is echter niet hoofddoel van dezen sleutel, maar het inwerken op zijn gemoed, opdat hij tot inkeer kome, eenen indruk ontvange van Gods heiligen toorn over zijne ongerechtigheid, zijne zonde belijde en zich voor God verootmoedige, „de verderving van zijn vleesch, opdat zijn geest gered zou worden" (1 Cor. 5 : 5 ) ; dus dat hij vergeving zijner zonden erlange en Christus zijne gerechtigheid zij. Zoodra hij dus berouw en betering zjjns levens toont, moet hij weder in de gemeenschap aangenomen en tot de Sacramenten toegelaten worden, opdat hij de verzekering ontvange, dat hem al zijne zonden vergeven zijn.
De leer van de rechtvaardiging door het geloof verlangt dus niet, dat de Christelijke Gemeente aan het zondigende lid eene s t r a f oplegge, een vonnis tegen hem wjjze, want hij bewijst door zijne woorden en gedrag, dat hij reeds onder het strafoor de el Gods ligt, en ten andere houdt zij zelf vast, dat Christus voor allen, die God de Vader Hem gegeven heeft, het strafoordeel reeds heeft gedragen. Zij heeft niet het recht, van den zondigenden broeder genoegdoeningen te verlangen, zooals de Roomsche Kerk doet, terwijl zij op deze verordeningen dan weder den gruwehjken handel in aflaten grondt. Zij heeft veeleer den zondigenden broeder tot Christus te leiden, Die voor hem genoegdoening gebracht heeft, hem met woord en daad betuigende, dat hij buiten Christus verdoemd en verloren is, maar in Hom gerechtvaardigd van zonden en behouden is' Indien zij dat niet doet, wekt zij den toorn Gods op over ziehzelve en breekt het Verbond Gods.
Wanneer de Kerk zich derhalve door den geest der rechtvaardiging laat leiden, wast zij op door genade in de kennis van Christus, en hetgeen ziek is wordt gezond, hetgeen stervende is wordt gesterkt. Doordat de Kerk op dit Hoofdartikel zoo weinig acht sloeg, w e r d z i j k r a n k en g e e s t e l i jk s l a p e n d e (1 Cor. 11: iSO), hoewel het dikwijls scheen, dat zij machtig en rijk was. In 't algemeen kan men zeggen, dat het opwassen der Kerk meer in het verborgen geschied is, en in tijden van verdrukking, dan in 't openbaar en in rustige tijden, en de uitwendige geschiedenis der Kerk toont ons veeleer eene bestendige afwijking van do leer der rechtvaardiging, en dientengevolge de grootste twisten en krakeelen, dan dat zij geestelijk sterker werd. Gelijk de Heere Israël vermaande en opwekte, om tot Hem weder te keeren, en het volk zich toch weder afkeerde, alzoo is het ook met de Christelijke Kerk gegaan. Wij liehben echter daarom geene oorzaak, het woord des Apostels te loochenen, dat i n C h r i s t u s de Kerk o p w a s t , bekwamelijk samengevoegd zijnde. Zoodra hare leden door de rechtvaardiging op hunne juiste plaats gesteld zijn, zoowel tegenover God, als tegenover de Gemeente, zal deze ook zeker opwassen en niet kwijnen.
De rechtvaardiging' door het geloof moet ook het richtsnoer zijn bij de beoordeeling van zoodanigen, die een ambt in de Kerk bekleeden, maar 'daarin ontrouw zijn. Zij geven der Gemeente grootere ergernis dan hare gewone leden en brengen haar veel schade toe. De Apostel Paulus is in dit opzicht zeer scherp. Hij zegt Gal. 1 : 8 : „Doch al ware het ook, dat wij of een engel liit den hemel u een evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt". Hij legt in den Naam des Heeren den vloek op zulke predikers, die de blijde boodschap van de vergeving der zonden, zoo als hij ze verkondigd had, verkeeren; want hij weet, dat de zwakke geloovigen daardoor van den vasten grond hunner behoudenis beroofd worden. De Kerk mag dus zulke valsche dienaars niet dulden, daar zij verscheurende wolven zijn, die in de schaapskooi des Heeren dringen. Deze uitoefening van hare macht dient echter te worden onderscheiden van het eigenlijke ambt der sleutelen. Al vergeeft hun de Gemeente, zoo kan zij hen daarom nog niet terstond weder in hun ambt inzetten, maar moet afwachten, totdat zij blijken geven, dat hunne ambtsbediening voor haar nuttig kan zijn. Zij heeft haren wasdom in 't oog te houden, en moet zich wachten van alles wat haar doet kwijnen.
De r e c h t v a a r d i g i n g d o o r h e t g e l o o f is ook de w e g , d i e t o t h e t d o e l l e i d t , w a a r t o e de H e e re Z i j n e K e r k b e s t e m d h e e f t , nml. d a t z i j e e n h e i l i ge t e m p e l zij in H e m . De Apostel blijft bij het beeld van het gebouw. Zijn de enkele leden der Kerk de bouwsteenen, en worden zij door het geloof gelegd op het fundament des Woords, door de Apostelen en Profeten verkondigd, en verbonden met Christus, den uitersten Hoeksteen, zoo formeeren zij één geheel, en dit is naar het bestek en voornemen Gods die heilige tempel. Dat de Apostel aldus herhaalt: „In den Heere", heeft zijne groote beteekenis, want zonder Hem is zij niets; Hij maakt haar door Zijnen Heiligen Geest tot zulk eenen heiligen tempel. Indien H i j dat echter doet, zoo is het, omdat Hij h a r e g e r e c h t i g h e i d is. Een tempel dient tot eene woning Gods, alzoo wil God in de Kerk wonen; van den tempel uit verhoort de Heere het gebed van Zijn volk, zegent Hij hetzelve met Zijne gaven en weldaden, regeert het en heelt het van zijne gebreken.
Zoo is de ware Kerk eene h e i l i g e w o n i n g G o d s in d e n G e e s t , omdat Hij haar hiertoe bestemd en haar door Christus gereinigd heeft, dat zij gansch heilig zijn zou. En zij heet dan ook de d r a a g s t e r van a l l e w e l d a d en G o d s Wij hebben dit gezegde echter met voorzichtigheid op te vatten, en wel zóó, dat C h r i s t u s Degene is, Die ons de hemelsche zegeningen schenkt, niet de Kerk zelve; anders vervallgn wij tot de willekeur der Koomsche Kerk, die Christus verloochent en ziehzelve in Zijne plaats stelt.
In de Kerk als woning Gods h e e r s c h t de H e i l i ge G e e s t , vermaant, bestraft, vertroost en beurt op. Hij verwekt hare ledon tot het gebed, tot een lofzingen den Heere voor alle Zijne deugden en volmaaktheden. En waar is een heerlijker lofzang, dan waar men Hem prijst voor Zijne barmhartigheden, waarmede Hij ons zondaren van onze zonden bevrijd en verlost heeft, van alle macht des doods, des duivels en der hel? Petrus zegt in zijnen eersten Zendbrief (Hoofdst. 2 : 5 ) : „Zoo wordt gij ook zeiven als levende steenen gebouwd tot een geestelijk buis. tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jesus Christus". En Vers 9b : „üpdat gij zoudt verkondigen do deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht." In dezen tempel is God en het Lam het licht, en geene duisternis is e r ; daar koint niets onreins in, maar zij zijn allen gereinigd. Daar verblijdt men zich in Gods gerechtigheid en heiligheid.
De Kerk is een g e e s t e l i j k h u i s , geen aardseh, en heeft zich met de aardsche koninkrjjken niet gelijk te stellen; zij heeft een veel kostelijker goed, dan deze haar kunnen geven. Daarom is het zeer storend, wanneer zij eene aardsche macht is, gelijk de Koomsche Kerk, en wanneer men, zooals vooral in den tegenwoordigen tijd, hoe langer hoe meer het denkbeeld van een uitwendig duizendjarig rijk op den voorgrond stelt. Men vergeet, dat men in de rechtvaardiging door het geloof reeds over de geheele wereld heerscht, dat de macht van Gods Woord zijne tegenstrevers bindt. Men acht de vergeving zijner zonden gering, en wil veeleer uitwendig heerschen, uitwendig geluk en welvaart genieten, en daarbij zijne vroomheid bewaren. De Schrift zegt echter, dat de rechtvaardigen verdrukking zullen lijden, en dat de geloorigen door veel verdrukking en lijden in het Koninkrijk Gods zullen ingaan. (Hand. 14: 22.) Wie dus in waarheid de rechtvaardiging uit genade gelooft, kan geen uitwendig duizendjarig rijk verwachten, maar hij schat zijne gerechtigheid, die bij in Christus heeft, zoo hoog, dat hij gaarne verdrukking lijdt en wacht- op de heerlijkheid, die de Heere Christus hem openbaren zal, wanneer Hij hem van hier haalt.
Door de verdrukking wordt de Kerk gelouterd en bereid gemaakt, om haren Bruidegom te ontvangen; Die beloofd heeft tot haar van den hemel te komen en haar te verlossen van al hare smarten. Gelijk het lid, als het sterft, naar Hem verlangt, alzoo doet ook het geheel; zij weet dat zij dan, afgelegd hebbende hare sterfelijke, aan do zonde en den dood onderhevige gedaante, met het kleed der gerechtigheid overkleed eeuwig bij den Hoere zijn zal, en dat zij zien zal hetgeen zij hier op aarde maar geloofd en gehoopt had. Daarom zegt zij hier: „Kom, Heere Jesus", en Hij antwoordt haar: „Ziet, Ik kom haastelijk''.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

Over de rechrvaardiging door het geloof

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken