Bekijk het origineel

Uit de geschiedenis van de regering der hertogen, graven en bisschoppen. (922-1581)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit de geschiedenis van de regering der hertogen, graven en bisschoppen. (922-1581)

27. De hagepreeken, De Beeldenstorm. (1566.) (2e Gedeelte. — Slot.)

10 minuten leestijd

Koning Eilips ontstak, toen hij van de beeldstormers hoorde, in hevigen toon: „Dat zal hun duur te staan komen", riep hij, terwijl hij aan zijnen baard rukte, vik zweer liet bij de ziel mijns vaders/" Eu van eenen dweepzieken koning als Filips was het te verwachten, dat hij het niet bij woorden zou laten. Ook was aan de beloften van Margaretha weinig waarde te hechten, daar zij alleen uit vrees voor nieuwe uitbarstingen en eene algeheele omwenteling waren gegeven. De Landvoogdes had dan ook terstond aan den Koning geschreven, dat hij de verleende vrijheid had te beschouwen als tegen wil en dank gegeven, als door den nood afgeperst, waarom zjj hem dringend verzocht zich er niet aan te houden, maar zelf over te komen <>11 de ketters voorbeeldig te straffen.
Al spoedig ondervonden de Hervormden, dat zij zich te vroeg hadden verblijd.
Een eerste gevolg van den Beeldenstorm was, dat er eene diepe klove ontstond tusschen Roomschen en niet-Roomschen.
De Graaf van Egmond, die als de held van St.-Quentin en Grevelingen de aangewezen man ware geweest om zich aan het hoofd van Nederlandsche troepen te stellen en elk Spaausch leger buiten onze grenzen te houden, was plotseling in eenen kettermeester herschapen, die de beeldstormers zonder toegeeflijkheid, ja zelfs met schending van Margaretha's beloften vervolgde en ter dood bracht. Terecht zegt een geuzenlied van dezen edelman, die zooals wij te voren reeds opmerkten, ïn het geheel geen hart voor 's volks teederste belangen had :
De Grave van Egmont, hier op let,
Heeft de Geuseu gebracht in het net,
Met sijne valsche wereken
Street hy voor de Roomsche Kercken.
Hoe geheel anders was het gedrag van Oranje, die, door Margaretha naar Antwerpen gezonden, wel toeliet, dat baldadigheden door de Overheid gestraft werden, maar het tolerantieedict deed eerbiedigen en zelfs zorgde, dat den Protestanten drie kerken werden ingeruimd.
De scheiding tusschen Roomsch en Onroomseh ging door, en een tweede gevolg was, dat het Verbond der Edelen uiteenviel. Nu greep ook Margaretha weêr moed, en, ongezind om hare beloften te houden, begon zij aan hare woorden te draaien. Intusschen wierf zij troepen, om, zoodra zij zich sterk genoeg gevoelde, de ketterij met geweld te onderdrukken.
Zeker zag niemand beter in dan Oranje, hoe hachelijk de toestand des volks was. Waarschijnlijk was het hem bekend, dat te Bayonne eene samenspreking was gehoudon tusschen Isabella, Filips' gemalin, en Alva met Karei IX, koning van 175 Frankrijk, en diens moeder, de bloeddorstige, in alle schelmerij volleerde Catharina de Medici, waarbij men van weerszijden hulp toegezegd had ter uitroeiing van de ketters. Bovendien had hij kennis gekregen van eenen brief, geschreven door den Spaanschen gezant te Parijs aan de Landvoogdes, waarin aan deze den raad werd gegeven, zich vriendelijk tegenover Oranje, Egmond en Iloorne te gedragen en hen tot haar doel te gebruiken, totdat Filips zich aan hen wreken zou Het is dus te begrijpen, dat Prins Willem een tegenwicht tegen Margaretha bij zijne vrienden zocht. Hij lichtte hen omtrent den waren staat van zaken in, en trachtte hen over te halen, om Margaretha te dwingen tot bijeenroeping van de Staten- Generaal, doch vond geen geloof bij Egmond, die zich tot niets meer wilde leenen, dat Margaretha niet naar den zin was, denkende, dat hij bij Hertogin en Koning in blakende gunst stond; Iloorne wilde evenmin iets van Willems plannen weten en trok zich uit het ambtelijk leven terug.
Waar zou Oranje nu nog steun vinden tegen den verdrukker ? Het Verbond der Edelen bestond feitelijk niet meer, en de weinige getrouwen vermochten zoo weinig. Gaarne zou hij hulp in Duitschland gezocht hebben, doch de Duitsche vorsten waren Lutliersch, en tusschen de Lutherschen en de Hervormden of Calvinisten bestond zulk eene verwijdering wegens het verschil in de leer van het Heilig Avondmaal, dat de eersten niet genegen waren zich voor de laatsten groote opofferingen te getroosten.
Eindelijk maakte Margaretha het hem zelfs onmogelijk, nog langer in 's Konings dienst te blijven. Zij vorderde nml. van al hare ambtenaren eenen eed „ter handhaving van het Roomsche geloof, straffing der beeldstormers en uitroeiing deiketterij"; tevens eischte zij van alle leenmannen, dat zij zouden zweren den Koning te zullen „dienen tegen ieder, zonder uitzondering".
Egmond en vele anderen legden terstond dien nieuwen eed af, maar Prins Willem weigerde en verzocht den Koning hem uit al zijne ambten te ontslaan, opdat hij naar Duitschland kon vertrekken. De aanvrage om ontslag werd echter niet ingewilligd. Margaretha ging intusschen op den ingeslagen weg voort en vernietigde het edict van tolerantie. De stad Valenciennes, die geen afstand wilde doen van de eens door haar toegestane vrijheid van godsdienstoefening, werd rebel verklaard en door hare troepen belegerd.
Nu verzamelde Brederode zich eenige benden. Zijn doel was een sterk punt te bezetten, van waaruit hij met goed geluk den strijd tegen Margaretha's troepen kon ondernemen. Ook wilde hij Valenciennes ontzetten. Doch zijne ongeregelde troepen, onder aanvoering van Aldegonde's broeder, J a n van M a r n i x, heer van T o u l o u s e , werd bij Oosterweel (of Austruweel) in de pan gehakt. Het gevolg was, dat Valenciennes zich moest overgeven. De poorten werden geopend op voorwaarde, dat niemand aan lijf of goed zou gekrenkt worden. Maar Noircarmes, de bevelhebber van Margaretha's troepen, brak zijn woord en richtte, na de poorten gesloten te hebben, een gruwzaam tooneel van plundering en moord aan. Honderden Hervormden boetten hunnen tegenstand met den dood. Ook twee predikanten moesten hun geloof met hun bloed bezegelen. Een dezer was niemand anders dan Guido de Brés, de opsteller van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Met den dood voor oogen riep hij zijnen medegevangenen deze gedenkwaardige woorden toe: „Heden sterf ik voor den Naam van Gods Zoon. Gode zij dank! Ik ben zeer verblijd. Nooit had ik geduclil, dat God mij die eer zou doen. Van oogenblik lot oogenblik word ik bekrachtigd en mijn liart springt op van vreugde in mij. De dood is mets-, o hoe zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven! Het is, alsof mijn geest vleugelen heeft om zich ten hemel te heffen, waar ik heden genoodigd ben ter bruiloft van mijnen Heer, van den Zoon van mijnen God".
Met den val van Yalenciennes was de laatste tegenstand gebroken. Margaretha kon nu zonder vrees voor opstand de inquisitie haar moordenaarsbedrijf laten voortzetten, en Filips mocht tevreden zijn. Doch de Koning, in wiens oog de Beeldenstorm eene vreeselijke, onvergeeflijke misdaad was, bereidde intussehen eene geduchte wraakoefening voor, en weldra werd het hier bekend, dat hij besloten had een leger van 10.000 welgeoefende Spaansche soldaten te zenden, onder bevel van den H e r t o g van A l v a , een ervaren generaal, die ook aan Karei V belangrijke diensten bewezen had.
Toen dit besluit ruchtbaar werd, sloeg de schrik den Nederlanders om het hart, want Alva was niet slechts een bekwaam bevelhebber, maar ook een meêdoogenloos wreed mensch, die de ketters haatte met eenen bitteren en doodelijkeii haat Oranje begreep, wat hem en heel het volk boven het hoofd hing en dat zijne aanwezigheid den verdrukten Nederlanders voorshands van geen nut kon zijn. Daarom schreef hij aan den Koning, dat hij zijn stadhouderschap had neergelegd en naar Duitschland ging.
Den l l d t " April 1567 verliet hij Antwerpen.
Des morghens ten seven uren,
Den elfden Aprillis voorwaer,
Quam de Prince met getrueren
Op die Meyrbrugge aldaer,
En hy sprak tot de ghemeyne schaer:
Die Godts woort liefhebben, volgen my naerj
Hy weende voor die ghemeynte,
Want haer gheschiede soo grooten vercleyntc

Aan menschen, die den Prins naar den vreemde volgden, ontbrak het niet. Al wie zich van de zoogenaamde ketterij verdacht wisten en bij hun geloof wilden blijven, verlieten in aller ijl het land. Het getal dergenen, die zich in Duitschland, Engeland en elders in veiligheid stelden, wordt op meer dan 100.000 begroot. Ten slotte werd het Margaretha zelfs te erg, waarom zij bij plakkaat het vluchten verbood, en voerlieden en schippers, die den vluchtenden behulpzaam waren, met den dood bedreigde.
Dat alles was een gevolg vau den Beeldenstorm. En evenwel mag van dezen „storm" gezegd worden, dat hij heilzaam in de gevolgen was, want hij maakte door eene scheiding tusschen Hervormden en Roomschen — die toch, zoo zij niet een van beide hunne leer willen verloochenen, nooit ofte nimmer kunnen samengaan — de toestanden zuiverder, zoodat de oorlog, die straks zou uitbreken, beslist een godsdienstoorlog was. Wel eischte men ook eene nationale regeering met eerbiediging van de landswetten, doch de kern dergenen, die het antinationale bewind bestreden, deed zulks alleen om der religie wil. T en andere hadden de Gereformeerden na den Beeldenstorm, die menigon vriend in eenen bitteren vijand verkeerde, gelegenheid om te zien, hoe dwaas het is, op menschen te vertrouwen, zoodat eene andere vrucht was, dat men zijn vertrouwen van vleesch aftrok en op God vestigde.
Want onse hope die hadden wy ghestelt
Op Heeren en Torsten groot vau staten,
Ende oock hier op der eooplieden gheldt,
Maer alle dese hebben ons nu verlaten.
Dan 't is loon nae werek; want al ons praten
Was van Oraengiens gheweldt en Breeros macht,
Dus is 't wel weert dat men ons belacht.
En ook voor den Prins van Oranje was het heilzaam, dat hij teleurgesteld het land moest ruimen, opdat hij zijne sterkte zocht niet in staatsmanswijsheid of wapengeweld, maar in Hem, Die alleen machtig is alle instrument, tegen de Zijnen bereid, te verbreken; opdat hij vóór alles door tegenspoed en lijden op het Woord Gods zou leeren acht geven en zich met de geestelijke wapenrusting laten bekleeden. Intussehen was de toestand van het verdrukte volk nu verre van benijdenswaardig, ja uiterst hachelijk. Donker was de toekomst. Oranje en de vervolgde Hervormden gingen den smeltkroes der ellende in, waarin God hen wilde louteren.


1) Getieur, droefheid.


„Jan Melis inde halve Maen" in het bisdom Haarlem. 1)

Allen, die beseffen, welk een gruwel de misofferdienst der Room8che Kerk is, zullen zeker met ergernis voor eenigen tijd gelezen hebben van de bisschoppelijke mededeeling, dat in het bisdom Haarlem zal worden ingevoerd „eene voortdurende aanbidding van het Allerheiligste, zoo namelijk, dat het gansche jaar door, over dag zoowel als des nachts, het II. Sacrament plechtig zal zijn uitgestald, nu eens in deze, dan in gene kerk of kapel van het bisdom, opdat Jesus Christus, Die uit liefde tot ons daar dag en nacht verblijft, ook dag en nacht daar aangebeden en gehuldigd worde".
Dat is zeker een van de vele gruwelen, waardoor het land verteerd wordt Het is wel verre met ons land gekomen, dat zulke dingen geduld worden (door wetten, die de onderdanen aan de overheid afdwongen) op den bodem, die het bloed der martelaren heeft ingedronken, welke stierven voor het geloof, dat zich verlaat op de offerande van Christus, e e n m a a l aan I h e t k r u i s g e s c h i e d.
Maar niet minder erg is het zeker, dat men onder de j Protestanten, ook onder de Hervormden of Gereformeerden, j eene leer aanhangt, die in den grond der zaak is eene I krachteloos-verklaring van de gerechtigheid, die onze Heere Christus door Zijn allerheiligst lijden en sterven ons heeft verworven. Die leer t^ch is juist de kracht van Rome; zij is de wortel van alle afgoderij.
Doch dat ziet men niet, of telt men niet; en vandaar dat betrouwen op het gezond verstand van onze boeren tegenover den boerenbond op zoogenaamd Christelijken grondslag, dien men van Roomsche zijde tracht op te richten en waarvoor Rome ook de Protestanten zal zoeken te winnen


1) Zie voor dit opschrift het slot van hot stuk over de hagepreeken en den Beeldenstorm in N° 18.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 mei 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

Uit de geschiedenis van de regering der hertogen, graven en bisschoppen. (922-1581)

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 mei 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken