Bekijk het origineel

Oyer de Voorzienigheid,

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Oyer de Voorzienigheid,

3 minuten leestijd

II

De vervolging en al wat daarmede verbonden is, en datgene, wat Gods heiligen overkomt van den kant der oude slang en der menschen, die van deze wereld zijn, beschrijft de Apostel in Hebr. 12 als eene kastijding van God. Hierop toch hebben wij wel te letten, dat ons niets bij geval, maar alles van Zjjne Vaderlijke hand toekomt. De duivel en de menschen zouden tegen ons niets vermogen, wanneer God het hun niet toeliet,-, ook zou al het lijden, dat met de vervolging verbonden is, ons niet overkomen, zoo het niet kwam van onzen Vader, Die in de hemelen is. Alzoo, dit kunnen wij zeggen, is het God Zelf, Die de Zijnen vervolgt, dikwijls middellijk en dikwijls onmiddellijk, gelijk Hij gezegd heeft: „Ik zal u vervolgen, tot Ik u, omgebracht heb". God is het, Die de Zijnen kastijdt.

II

„ L e i d ons n i e t in v e r z o e k i n g , maar v e r l o s onsv a n den b o o z e " (Matth. 6 : 12). Laten wij niet daarover haarklooven, in hoe verre de duivel, die aanklager, bevoegdheid heeft, om bij Gods oordeel tegen ons op te treden, en Gods toorn tegen ons op te wekken; ook niet daarover, in hoe verre hij werken kan, niet alleen op de ziel, op onze gedachten, om ons allerlei denkbeelden in te geven, maar ook op ons vleeschen bloed, d. i. op het lichaam tot in zijne binnenste vezelen, omons tot zonden op te hitsen, en zoodoende onze vrijmoedigheid bij God weg te nemen. Dat het geschiedt, zegt ons de Schrift en bewijst ons de ondervinding.
Voor ons is het de hoofdzaak, de bede zóó te verstaan, dat wij menschen zijn, die met God te doen hebben. Al de vijandenvermogen niets tegen ons, wanneer wjj slechts bij God den Vader in genade staan, en gedurig ootmoedig aanhouden om deze genade. Dit toch behooren wij te weten, dat wij aan God, hoewel Hij door Jesus Christus onze Vader is, genoeg reden gegeven hebben met onzen waan van iets te zijn, tewillen, te kunnen en te moeten, en nog gedurig reden genoeg geven, om ons in verzoeking te laten komen. O, dat God de Vader dit alles, waarmede wij Hem die reden geven, genadiglijk wille bedekken! Evenwel, Hij zegt: „Ben Ik dan een Vader, waar is Mijne e e r ? " (Mal. 1 : 6). Rechtvaardig is Hij, wanneer Hij de zonden vergeeft, maar ook is Hij rechtvaardig tegenover duivel en wereld, j a tegenover onze eigene natuur. Evenmin als een herder, die den hond op een afdwalend schaap loslaat, zal Hij onrechtvaardig zijn, wanneer Hij ons, vanwege onze aanmatiging, neuswijsheid of ongehoorzaamheid, of omdat wij Zijne heiligheid en onze roeping in Zijne heiligmaking niet achten, voor eenen tijd lang tot onze kastijding in de handvan onze vijanden geeft. Dan worden wij gekastijd, opdat wijsidderen voor Hem, opdat wij vanwege onze schande onzen mond niet meer tegen Hem opendoen, opdat wij onszelven beschuldigen, ons verootmoedigen in stof en assche, en wederkeeren tot Zijne genade, tot Zijn heilig gebod. Immers het moet met ons daartoe komen, dat wij belijden, dat wij geheel in zonden geboren en met zonden bevlekt zijn, en dat er it> ons geene kracht is, om heilig en zalig te leven en te sterven, dan voor zooveel als God onze kracht is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 mei 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Oyer de Voorzienigheid,

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 mei 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken