Bekijk het origineel

Van den mensch

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van den mensch

9 minuten leestijd

„ M e n s c h e n z i j t g i j " , spreekt de Heere door den Profeet Ezechiël C34 : 31). Letten wij nauwkeurig op hetgeen de Schrift elders in denzelfden zin van on9 getuigt, zoo is dat alles vervat in hetgeen de Prediker zegt. Hoofdstuk 6 : 10: „Wat ook iemand zij, aireede is zijn naam genoemd, en het is bekend, dat hij een mensch is; en dat hij niet kan rechten met Dien, Die sterker is dan hij".
M e n s c h heet van den beginne af datgene, wat stof en aarde is, wat aardsch en derhalve niet hemelsch is, gelijk geschreven staat 1 Cor. 15 : 47: „De eerste mensch is uit de aarde, aardsch".
Wat moet nu zulke aarde? Zij wordt weder tot aarde, waaruit ze genomen is. „Stof zijt gij, en gij zult tot stof wederkeeren", spreekt God, de Heere. Daar wij belijden, dat God alles uit niets gemaakt heeft, wat zijn wij dan meer dan een niets in onszelven ; daar wij toch, wat wij zijn, alleen door Gods schepping zijn en alleenlijk door Gods bewaring blijven? Wanneer God Zijnen adem uit ons terugtrekt, dan zij wij immers lijken, die verrotten: kan een maaksel werken, of kan het bepalen, wat het werken zal? Hangt het niet geheel af van de bepaling desgenen, die het gemaakt heeft, opdat hij daarmede doe, wat hij wil? Ivan een mensch verzinnen, trachten, willen, zich bewegen, zien, oordeelen, beslissen, handen en voeten uitstrekken, kan hij eten, drinken, slapen, werken, kan hij hooren, voelen, kan hij, met één woord, een oogenblikje ademen en leven z o n d e r God? O hue waar is het, wat geschreven staat Jes. 40 : 15 en 17; 41 : 23 en 24. Als dit de volken geldt, hoeveel te meer een enkel mensch; daarom wee dien, die met zijnen Formeerder twist, namelijk de potscherf met den pottenbakker des leems! (Jes. 45 : 9.) O hoe geldt van ons allen, wanneer wij ons onafhankelijk van God wanen, of meenen, dat wij toch ook iets kunnen en daarom iets moeten, het woord: „Maar de menschen zijn immers als niets, groote lieden missen ook; zij wegen minder dan niets, zooveel als er ook zijn" (Ps. 62 : 10, naar het Hebr.)
Mochten wij deze afhankelijkheid van God en onze eigene hulpeloosheid toch indachtig blijven ! Aan wien hebben wij het te danken, dat wij ontvangen en geboren werden, dat wij niet versmoorden, eer wij het levenslicht aanschouwden? Hoe hulpeloos waren wij als jonggeborenen, en hoe lang bleven wij hulpeloos! Wat weet de mensch, dan slechts dit, wat hij. bij al zijn weten toch niet weten wil, of niet weet, zooals hij liet weten moest: dat hij geboren werd, om te sterven! En wie weet den dag zijns doods, als God hem dien niet te voren openbaart ? ü, wel zijn wij menschen, van wier gansche leven gezegd kan worden, wat Job betuigt Hoofdstuk 14 : 1—3 eo 2 2 ; 3: 18—20; 9 : 12. (Ps. 4 9 : 21; 90: 10.)
„ M e n s c h e n z i j t g i j ' , spreekt de Heere. En wat is het lot onzer lichamen ? — zij worden ten laatste door de wormen gegeten. Ziet het er beter met onze zielen uit? Is het daarmede niet zoo gesteld, dat onze kennis en verstand beperkt en onvolkomen is in al ons denken? Of het verstand ook al vele dingen begrijpt, zoo is er toch oneindig veel meer, waarvan het niets begrijpt. Hoeveel is er niet, dat wij niet weten! Hoeveel, wat den mensch op eens van zijne zinnen berooven kan! Hoe weinig kennen wij onszelven! Wie weet bij zichzelven, wat voor eene werking de ziel op het lichaam, het lichaam op de ziel uitoefent? — Is het geheugen, hoe scherp het ook zij. aan zichzelf overgelaten, niet de gewichtigste dingen vergeten? De wil mag groote dingen, ja het hoogste goed willen, wat helpt het ? — dit willen maakt den mensch slechts des le ongelukkiger, dewijl hjj zichzelven niet gelukkig kan maken, dewijl hij het geluk niet teweeg kan brengen, dewijl hij gevoelt, dat hij het niet bezit. Met alle krachten en al het vermogen van het verstand en van het willen zijn wij niet in staat, wat buiten ons is te bewegen, of ook slechts één eenigen hartstocht in ons te overwinnen. Als men wil, kan men niet, en wanneer men kan, wil men niet. Alles heeft zijnen tijd, en geen mensch kan gebieden over de omstandigheden.
M e n s c h e n z i j t g i j , spreekt de Ileere, en daar mogen wij wel met Job zeggen: „En Gij doet over zulk eenen Uwe oogeu open, dat Gij mij betrekt in het gericht met U" (Iloofdst. 1 : 3, Hoogd overzett.) God betrekt ons voor Zich in het gericht; voor dit gericht wordt het nog op eene andere wijze openbaar, wat wij zijn, en hoe God ons kent, als Hij van ons getuigt, dat wij menschen zijn. „Wie gelooft het, dat Gij zoozeer toornig zijt, en wie vreest voor deze Uwe grimmigheid ?'' lezen wij Ps. 90 : 1 (Hoogd. overzett.); want het is toch alles toorn en grimmigheid Gods, dat wij aan allerlei ellende en dood onderworpen zijn. Ofschoon wij van aarde zijn, schiep God ons toch in Zijn beeld en naar Zijne gelijkenis. (Gen. 1 : 26.) Indien het nu in de volle beteekenis van ons gezegd wordt, dat wij menschen zijn, waarvan komt dit anders, dan van onze zonde en moedwillige overtreding? En waar zullen wij beginnen, waar eindigen, om het recht duidelijk te maken, wat het in zich heeft, als God tot ons zegt: „Menschen zijt gij"? O, wij hebben het wel voor God te bekennen, dat wij, dat ons gansche wezen, verzinnen, denken en handelen zonde is, een non-ens et non-sens voor God en Zijne heilige Wet.
De volgende uitspraken der Schrift mogen ons nog verder onderrichten, wat het zeggen wil, dat wij menschen zijn, want wat zou ons wel meer kunnen aangaan? — : Ezech. 1 6 : 2 — 5; Ps. 51 : 5 ; Gen. 6 : 2 1 ; Job 15 : 14 — 1 6 ; Spr. 30 : 5 ; Jes. 1 : 3 ; Mark. 7 : 21 en 22; Pred. 9 : 3 ; Jer. 17 : 9.
M e n s c h e n z i j t g i j , spreekt God, dat is: dezulken, die de eeuwige straf te wachten hebben, als Ik Mij niet over u ontferm. Deze eeuwige straf hebben wij wel verdiend. Yan de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan ons, als God komt, om ons te bezoeken; het hart is verhard, de ooren zijn onbesneden, de neus riekt gaarne hellestank; de oogen zijn vol overspel, de mond is vol van vervloekingen en Godonteeringen, de tong giftig, de handen vol onreinigheid, de voeten snel om bloed te vergieten, en van den weg des vredes ia er in 't geheel geene kennis; Rom. 3 : 10 — 1 7 ; Jak. 3 : 8—10


Van de gevolgen van den val des mensclien.

I.

De duivel is heer over de wereld, en de mensch is zijn eigendom geworden, want hij heeft in het paradijs geloof geslagen en slaat nog voortdurend geloof aan des duivels woorden: „ E r i t u s s i c u s D e u s , — gjj zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad". Zoo zijn dan nu de duivelen de geweldhebbers der wereld en doen daarin wat zij willen Wel is de Heere Jesus alleen in waarheid Heer der wereld; dat is intusschen door het kruis, door het bloed van Christus, door den Geest in werkelijkheid waar: dat is waar door het geloof. Is echter het geloof niet aanwezig, dan zijn naar het zichtbare de duivelen heeren. Zij heerschen bij de keizers, koningen, vorsten en diplomaten, welke den Zoon Gods niet kussen (Ps. 2); daar zetten zij alles door, wat zij willen. Zij kennen de natuurlijke geaardheid des menschen door en door, van alle kanten; zij gebruiken den mensch tot hunne doeleinden, en de mensch volgt hen Zoo leven wij dan in dezen treurigen en gruwelijken tijd, gelijk het heden ten dage is, en den ellendigen blijft niets over, dan te roepen: „Kom haastelijk, Heere Jesus!"

II.

Dat de duivelen, onze vijanden, vreeselijk, listig, boosaardig en in hunne macht schier onweerstaanbaar zijn, moet niet zóó verstaan worden, als bestonden er twee beginselen: God en de duivel. God is God, en dat de duivel macht heeft, dat vloeit voort uit de toelating Gods. De duivel kan niets doen zonder God; eigenlijk is hij overwonnen en ligt aan de keten van de macht der opstanding van Jesus Christus. Hij kan en vermag eigenlijk niets; maar in werkelijkheid wordt de macht van den duivel, zonde en dood niet weggenomen vóór den jongsten dag. Alleen voor het geloof zijn duivel, zonde en dood overwonnen, in dien zin, dat het geloof den duivel, den verderver en menschenmoorder, het bloed van Christus voorhoudt, en dat de zonde den geloovigen niet toegerekend wordt; intusschen is de zonde wel in hen aanwezig en houdt niet op te woeden tot den laatsten ademtocht, evenmin houden dood en duivel op met woeden. God laat den duivel tot op den jongsten dag duivel zijn, tot straf der menschen, nu zij van God afgevallen zijn, tot straf der goddeloozen. Yoor de goddeloozen moet de duivel, evenals de paus, blijven bestaan, opdat zij binnen zekere perken gehouden worden, en opdat het meer en meer in hunne eigene gewetens geopenbaard worde, hoe goddeloos zij zijn. Zij zijn aldus in de macht des duivels, niet als iets onvermijdelijk noodzakelijks; neen, die macht is over hen gesteld als eene straf, waarvan zij spoedig bevrijd zijn, indien zij den Heere Jesus hart en hand geven. Yoor de geloovigen echter moet de duivel ook nog duivel blijven, tot hunne oefening in den strijd hierbeneden, en opdat zij ondervinden, hoe God de Vader alle dingen ten beste keert.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Van den mensch

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken