Bekijk het origineel

Betrachting over Johairaes 14:18—24. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Johairaes 14:18—24. (2de Gedeelte. — Slot.)

15 minuten leestijd

De Heere geeft nu den toetssteen: „ D i e M i j n e g e b o d en h e e f t , en d e z e l v e b e w a a r t , die is h e t , d i e Mij l i e f h e e f t ; en die Mij l i e f h e e f t , zal van M i j n en V a d e r g e l i e f d w o r d e n ; en I k z a l h e m l i e f h e b b e n, e n Ik zal M i j z e l v e n aan hem o p e n b a r e n " . Het gaat hier allereerst om het hebben, dat men de geboden des Heeren h e e f t . Dat nu zijn geene andere geboden dan de tien woorden der Wet, die de Heere Jesus Christus op den berg Sina'i aan het volk Israël gaf; wij hebben dus niet te spreken van eene „Wet van Mozes" en eene „Wet van Christus", — de Wet van Mozes is de Wet van Christus, en de Wet van Christus is de Wet van Mozes; de geboden van Mozes zijn de geboden van Christus, en de geboden van Christus zijn de geboden van Mozes, in 't bijzonder de Tien Geboden.—Intusschen, men kan de geboden van den Heere Jesus hebben, en er zich ook over verheugen, maar het komt er op aan, dat men ze houde. Vers 23 zegt de Heere Jesus : „Zoo i e m a n d Mij l i e f h e e f t, d i e zal M i j n W o o r d b e w a r e n " , en hier: „Die Mijne geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft". Men kan de geboden van den Heere Jesus hebben en er zich ook over verheugen, dat men ze gevonden heeft, maar eene andere vraag is het, of wij deze geboden houden. De geboden, die de Heere God op Sinaï gaf, zijn niets anders dan de regel van Zijn eeuwig genadeverbond. Daarover mag zich een mensch verheugen, dat God gezegd heeft: „gij zult", en: „gij zult niet"; „gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, niet echtbreken" enz.; dat God dus beloofd heeft: dieven, moordenaars, echtbrekers, valsche getuigen zijt gij, maar Ik ben u genadig, en zal u door Mijnen Geest zóó maken, dat gij niet zult doen, wat gij anders naar vleesch zoudt doen. — Dat is dus het eerste: dat God en de Heere Jesus niet vergeten worde; maar het Christelijke vleesch ziet gewoonlijk alleen op de tweede tafel der Wet, om met deze tweede tafel der Wet over deze dingen als het ware te theologiseeren, een theologisch stelsel en zedenstelsel te makeu, daarnaar vergeving van zonden en geloof te leeren, zóó echter, dat men toch met zijnen wandel zich van de tweede tafel afmaakt met de verontschuldiging, dat men geene kracht en geen vermogen heeft. Dat komt daarvan, dat men steeds het eerste gebod vergeten is: „Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb; gij zult geene andere goden voor Mijn Aangezicht hebben". Wij hebben het echter wel geleerd, dat wij eerder alle schepselen hebben te laten varen, dan ook het geringste tegen Zijnen wil te doen. Niet wat vleesch en bloed zeggen, maar wat God zegt, dat is het eerste; niet wat onzen naam en onze eer betreft, niet wat ons aangaat, maar wat de broederen aangaat, de kinderen Gods; dat dit het hoogste zij: God, Christus, Gods Geest en waarheid. — Deze geboden moeten gehouden zijn; dat is de somma der leer van den Heere Jesus, bijv. in de bergrede, — daar heeft Hij den waren, geestelijken zin der Wet aangegeven en gezegd: „Tenzij uwe gerechtigheid overvloediger zij dan der Schriftgeleerden en der Parizeen, zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan". Ook heeft Hij gezegd: „Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden?" en ook: „Gij zijt het licht der wereld; eene stad, boven op eenen berg liggende, kan niet verborgen zijn; noch steekt men eene kaars aan, en zet die onder eene koornmaat, maar op eenen kandelaar, en zij schijnt allen, die in huis zijn".
Christus geeft dus geboden en noemt ze Z i j n e geboden. Het zijn geene andere geboden, dan die op Sinaï gegeven werden, maar Hij heeft alles geestelijker uitgelegd, opdat wij de bedoeling des Heiligen Geestes te beter zouden verstaan; en nu gaat het er om, dat wij Hem eeren, dat wij den Yader eeren en den naaste eeren. Dat heeft Hij gezegd: „Gij zult liefhebben den Heere, uwen God, met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand, en uwen naaste als uzelven. Aan deze twee geboden hangt de gansche Wet en de Profeten". De Heere Jesus wil dus liefde. Hij zegt: „Die Mijne geboden heeft en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft". Daar geeft Hij ons den toetssteen, waarmee wij hebben te onderzoeken, of wij Hem liefhebben. Dat is geene liefde, dat men zoo ziekelijk vroom weet te praten en zegt: „Hij heeft mij mijne zonde vergeven, o ik heb Hem zoo lief, zoo lief!" en elkander zoo lichtvaardig vraagt: „Hebt gij den Heere Jesus ook lief?" Wie de hand in den boezem steekt, moet zuchten : „Ach, dat ik Hem liefhad!" Deze liefde ligt niet in gedachten, in het hoofd of in het gevoel, maar in het nuchtere geloof, gelijk de Heere Jesus zeide: „Die Mijn discipel wil zijn, die neme zijn kruis dagelijks op zich, verloochene ziehzelven, en zóó volge hij Mij na". Dat is dus Zijne geboden bewaren, dat wij Hem en Zijn Woord hooger achten dan alle andere dingen.
De liefde komt van den Vader, de genade van Christus; Hij alleen is ons leven, Zijne heerschappij is genade, Hij is eeuwig getrouw en verlaat de Zijnen niet „I)ie Mij eeren, zal Ik eeren", heeft Hij gezegd. God do Vader heeft er het beste, wat Hij had, voor overgegeven; van tweeën één: óf alles, wat Hij in Zijn Woord zegt, i9 leugen, of het is waar, dat God Zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, en dat Hij met Hem ons ook alle dingen toewerpen, genadiglijk schenken wil. Of alles, wat ik zie, is leugen, öf God de Vader en God de Zoon kunnen mij niet in den Bteek laten. Maar iedere offerande zal met zout gezouten worden, en een ieder zal met vuur gezouten worden (Mark. 9 : 49). Als de Heere komt en Zijne geboden geeft, zoodat een mensch ze heeft, dan begint voor hem de strijd. Men gaat niet zoo dadelijk het paleis binnen, men legt zich niet terstond op het bed der liefde en op het zachte kussen, maar Hij, de Heere, gaat voorop op het witte paard, met het groote zwaard, dat uit Zijnen mond gaat, en achter Hem gaan al Zijne rechtvaardigen en heiligen en uitverkorenen. (Openb 13 : 11 vv.) Het gaat door vuur en door water, het gaat en moet gaan door alle machten der hel en des doods, door aanvechting en droefenis, door ljjden en nood heen, opdat men slag op slag, stoot op stoot krijge, en daar gaat het er om, niet alleen Zijne geboden te hebben, maar ook ze te bewaren. De gansche Christenheid heeft de geboden van den Heere Jesus, en de een weet heel goed, hoe de ander zich te gedragen heeft, en weet hem ook goed te bestraffen of achter zijnen rug van hem te vertellen, dat hij niet naar de waarheid wandelt, en daarbij ziet men zeer scherp; maar het hebben van de geboden en het doen van de geboden, dat is heel iets anders. Men heeft vrouw en kind, huis en hof, eer en goed, men heeft dit en dat en wie wil het opofferen ? wie verloochent zichzelven ? Menigeen meent, dat toen de Christenen den brandstapel moesten beklimmen en honderdduizenden geslacht werden, het moeilijker was Gods geboden te bewaien, bij Zijne genade, Zijn Woord en Evangelie te blijven en van al het andere te zeggen: „Laten zij het mij ontnemen, het brengt hun geen gewin en zij missen hun doel t o c h ! " Als de duivel houtmijt en brandstapel opricht, is zijne Ü9t echter niet het meest te vreezen, maar veeleer wanneer hij met zachtheid komt en spreekt: „Yrede, vrede, en geen gevaar!" — wanneer hij tot den mensch komt en zegt, dat hij moet gelooven, alleenlijk gelooven en steeds gelooven, en ir.tusschen Gods Wet uit hoofd en hart wegtoovert. Ja, als de vijand zoo rondsluipt en alles rustig zijnen gang laat gaan, dan is hij nog veel gevaarlijker. Ik blijf er bij staan, dat de Heere — het zij nog eens herhaald — zoowel met betrekking tot het kleine als tot het groote gezegd heeft: „Die Mijne geboden heeft en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft". Daarin geeft de Heere dus eenen toetssteen, waaraan men het weten kan, of men Hem liefheeft: dat men namelijk Zijne geboden bewaart, dat men vaandel en parool niet ontrouw wordt, dat men blijft bij Zijn heilig Evangelie, er niets van afdoet en er niets aan toevoegt, dat men zichzelven verloochent, den naaste in waarheid liefheeft, het ook in huis met daad eu wandel bewijst, dat men zichzelven prijsgegeven heeft.
„ E n die Mij l i e f h e e f t , zal van M i j n e n V a d er g e l i e f d w o r d e n " , aldus gaat de Heere voort. De Vader heeft den Zoon lief, de Vader wil, dat de Zoon geëerd worde. Nu is het allen ouders eigen, dat zij dengene. die hunne kinderen liefheeft, weder liefhebben; en wie aan de kinderen van een rechtvaardig man weldaden bewijst, dien wordt het vergolden. Zoo is God de Vader, de Vader van onzen Heere Jesus Christus, een Vader, Die liefheeft al degenen, die den Heere Jesus liefhebben, en dit bewijzen door belijdenis en wandel. Dat spreekt Christus uit in Vers 23: „ E n M i j n V a d e r zal h e m l i e f h e b b e n " , evenals in het reeds genoemde 2ls t e Vers: „Die zal van Mijnen Vader geliefd worden", waarop Hij laat volgen: „en I k z a l h e m l i e f h e b b e n " . Kunt gij dan eerst de geboden van God en Christus bewaren en dan pas Zijne liefde deelachtig worden? Geenszins, want er staat geschreven: „ W i j hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft" (1 Joh. 4 : 19). De Heere Jesus werkt voor den Vader, voor de eere des Vaders, opdat Zijne almachtige souvereine genade verheerlijkt worde, opdat Zijne macht en sterkte verheerlijkt worde, — daarvoor werkt Hij. Heeft Hij daarvoor nu geijverd en het Zijne gedaan, dan houdt Hij Zichzelven verborgen en brengt het werk aan den Vader, nadat Hij des Vaders wil gedaan heeft, en wanneer de Vader het nu liefheeft en goed heet, dan heeft Hij het ook lief en heet het ook goed. Daarom zegt Hij: „Die zal van Mijnen Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben". Dat is tot troost gezegd, en er volgt op: „ I k zal M i j z e i v e n a a n hem o p e n b a r e n ".
De Heere bedoelt hier: openbaren in Mijn Woord, in den troost des Heiligen Geestes, opdat de mensch er van verzekerd worde, dat Ik zijn Heiland en zijn Herder ben, dat Ik hem bij de hand heb gevat en hom leiden zal. De Heere verstaat dit niet van de eerste openbaring, waarbij de mensch uit de zonde en de wereld tot God wordt geroepen, maar de bedoeling is als volgt. Als gij Gods gebod, als gij Christus' gebod bewaart, dan komt gjj in aanvechting, nood en gevaar; wanneer men er kans toe ziet, dan jaagt men u uit stad eu land, men zal u overal de deur sluiten, gij hebt den ondersten weg te gaan, en wordt door de wereld gehaat met eenen bitteren haat, verdoemd en uitgespuwd. Wie Christus' geboden heeft en bewaart, die kan de geboden der menschen niet bewaren, zooals de wereld en de valsche Kerk pleegt te doen, die aan Christus' geboden geboden der menschen toevoegt, die zij wil bewaard hebben, waarom zij ook roept: „ W e g met zulk eenen! Kruis hem!'' De geboden van Christus te houden, gaat dus zoo gemakkelijk niet; men moet daarbij den ondersten weg gaan, men wordt verworpen, men deugt niet in de oogen der vromen en eigengerechtigen, die er zelfs op uit zijn, om iets te vinden, waarmee zij dengene, die rechte wegen voor zijne voeten maakt, verdriet kunnen aandoen. En nu is dit de bedoeling: wie Mijne geboden bewaart en daarom moet lijden, dien zal Ik het leed wel verzoeten; Ik zal hem toonen, dat Ik met hem in den strijd ben, dat Ik zijn God, zijn Heiland en Verlosser ben, dat Ik de kroon der gerechtigheid voor hem bewaard heb en ze hem geven zal als een rechtvaardig Rechter.
Dat verstond echter Judas — niet de Iskariot — niet en daarom vroeg hij: „ H e e r e , wat is h e t , d a t G i j U z e l v en a a n o n s z u l t o p e n b a r e n , en n i e t aan de w e r e l d ?" Hij dacht: „openbaren", dat wil zeggen: openbaren als Koning; hij dacht, dat de Heere Zich voor aller oog als Koning in den tempel zou zetten, dat welhaast het Woord en de kennis des Heeren de aarde zou bedekken als water, dat de Heere Christus Koning en Paus zou zijn in de geheele wereld, en dat deze Hem daarvoor zou aanzien en erkennen; dat Hij in Zijne glorierijke macht en heerlijkheid met uitwendige oogen zou gezien worden. Zoo dacht hij naar zijne Joodsche begrippen van het Koninkrijk van Christus en van het Heilige Land. Daarom verstond hij dit „openbaren'' niet. Daarop geeft de Heere hem tot antwoord : Wat het is, dat Ik Mij aan u zal openbaren, en niet aan de wereld, dat zal Ik u zeggen: „ Z o o i e m a n d Mij l i e f h e e f t , d i e zal M i j n W o o r d b e w a r e n " , — de wereld doet dat niet; al zegt zij het ook, zij bewaart het toch niet; en daarom heeft de Vader de wereld niet lief, en omdat de Yader de wereld niet liefheeft, heb Ik ze ook niet lief, en de Yader en Ik komen niet tot de wereld. De wereld k a n den Heere Jesus niet liefhebben, al zegt en predikt zij het ook duizendmaal en al heefc zij Zijnen Naam ook in den mond; zij k a n Hem niet liefhebben, dewijl de Heere met de Zijnen door diepe wateren en door het vuur heengaat, en dat schuwt de wereld; zij heeft er eenen afkeer van, hare voeten nat te maken, en trekt ze altijd weèr terug. — Daarom zegt de H e e r e: Aan de wereld zal Ik Mij niet openbaren; maar aan degenen, die Mijn Woord bewaren, - aan hen zal Ik Mij openbaren. Zij komen met Mijn Woord in den smeltkroes en in groot gevaar, zij moeten worstelen met de wereld en met alle duivelen, zij zijn voortdurend in zielsangst en zielenood, meenen, dat de Vader hen niet liefheeft, en dat zij, dewijl zij door de wereld uitgestooten zijn, ook van den hemel zijn uitgestooten. Zoo gevoelen zij dan niets dan nood en ellende; zij willen zichzelven niet rechtvaardigen ; dit alleen weten zij, dat zij Christus' Woord moeten bewaren, en omdat zij dat in dezen nood doen, zal Mijn Vader hen liefhebben, e n zoo k o m e n W i j d a n t o t h e n en z u l - l e n w o n i n g b i j h e n m a k e n.
Dit „woniug bij hen maken" is reeds voorzegd Lev. 26 : 11 en 12: „En Ik zal Mijnen tabernakel in het midden van u zetten", of: Mijne woning onder u hebben; „en Mijne ziel zal van u niet walgen. En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot eenen God zijn; en gij zult Mij tot een volk zijn". Een einde wordt dus gemaakt met de stad Jerusalem, dat het in eeuwigheid niet zal gebouwd worden; een einde wordt gemaakt met gansch Palestina, dat het in eeuwigheid niet meer een land der rust zal zijn. De Kerk, waarin God de Vader en God de Zoon wonen, waar Zij komen en woning maken, is eene, die om der getuigenis wil ter aarde geworpen, vertreden en verwoest is; daar komen echter de Vader en de Zoon en vervullen alles met Hunne schatten, zoodat men juicht en zegt: „Als ik U maar heb". (Ps 7 3 : 2 5 naar Luther.)

21 November 1858.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juni 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Betrachting over Johairaes 14:18—24. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juni 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken