Bekijk het origineel

Geschiedenis der Waalsche en der Fransche Gereformeerde Gemeente te Wezel. (1 ste Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geschiedenis der Waalsche en der Fransche Gereformeerde Gemeente te Wezel. (1 ste Gedeelte.)

7 minuten leestijd

Onder de Waalsche Gereformeerde Gemeenten, die in de 16'e eeuw op Duitschen bodem een toevluchtsoord vonden, neemt, zoowel wat ouderdom als geschiedkundige beteekenis betreft, die te W e z e l aan den Neder-Rijn, in het voormalige hertogdom Kloef, eene eerste plaats in. Een machtige invloed ging van deze Gemeente uit op de vorming en ontwikkeling van het Gereformeerd kerkelijk leven aan den Neder-Rijn en voorts oak in het gansche westen van Duitschland. Haar bcstaan dagteekent van September 1544. Keizer Karei Y, die destijds over de zeventien Nederlandsche gewesten regeerde, liet daar de belijders des Evangelies op gruwzame wijze vervolgen. Meer dan 30 000 martelaars verloren er het leven om der waarheid wil. Velen redd'en zieh door de vlucht en zochten in don vreemde eene woonplaats, waar zij ongehinderd hun geloof konden belijden.
De eersten, die te Wezel kwamen, waren drie serge-wevers uit Doornik in Henegouwen: W i l l e m L i b a r t , D a n i ël I v e r o t t en E u s t a c h i u s W i l l e m . Daar hun werd toegestaan , hun handwerk met hunne gezellen uit te oefenen, werden zij weldra door anderen gevolgd. In het volgende jaar kwam een vrij groot getal met hunnen predikant. Ofschoon toenmaals te Wezel de Luthersche belijdenis heerschte en het geloof dezer vreemdelingen het stempel van de hun uit Fransch Zwitserland toegekomen ideeën droeg, had men toch de opneming niet geweigerd. Eerst in 1540 had de stad, na menigen strijd met de Wederdoopers, de caricaturen der Hervorming, zich voor de Reformatie verklaard. Ten aanzien van onze vluchtelingen, die alles verwierpen, wat niet door het Woord Gods gerechtvaardigd werd, werd evenwel aan het Hof te Kleef allerlei bezwaar gemaakt. Was ook Hertog Wilhelm IV of de Rijke geen tegenstander van de Hervorming, zoo vreesde hij toch na de Munstersche gruwelen niets zoozeer in zijn land als anabaptistische elementen. En daaraan ontbrak het onder de gevluchte Walen, die in kleinere groepen zich ook op andere plaatsen in het Kleefsche, als Duisburg. Emmerik, Goch, Rees en Gennep, nederzett'en in het vervolg helaas niet, al kwamen zij ook slechts hier en daar, als onkruid onder de tarwe, voor.
Ten einde nu den Hertog gerust te stellen, en deze vreemdelingen, die meerendeels de tot dusver in Duitschland nog onbekende serge-weverij uitoefenden, te helpen, droeg de stedelijke raad den superintendent Nicolaas Buscoducensis op. met de nieuwgekomenen te onderhandelen, opdat zij eene belijdenis mochten overleggen, die de stad tegen onaangenaamheden met het Hof zou vrijwaren. De superintendent, ook een Nederlander, wiens eigenlijke naam Bruchhofen was, ontwierp nu zelf eene geloofsbelijdenis, waarin de overeenstemming met de Apostolische, de Nicenische en de Athanasiaansche Geloofsbelijdenis beleden werd. In tegenstelling met de wederdoopersche dwalingen wordt in § 2 gezegd: „Bovendien gelooven en belijden wij, dat er een doop is tot vergeving der zonden, en dat de kleine kinderen, die in zonden ontvangen en geboren zijn, moeten gedoopt worden; want hun komt de belofte toe van de verlossing door Christus". Met betrekking tot hot Avondmaal luidt § 3: „Ook belijden wij, dat het Avondmaal des Heeren moet gevierd en aan allen medegedeeld worden onder twee gestalten, te weten brood en wijn, volgens de instelling en het bevel van Christus, den goeden als St. Petrus en den slechten als Judas, en dat waarlijk het lichaam van Christus onder of in de gestalte van den wijn wordt ter hand gesteld en medegedeeld". Yerder wordt tegenover de anarchie, de gemeenschap der goederen en vrouwen, door de Anabaptisten en andere sekten verdedigd, op de gehoorzaamheid aan de Overheid zoowel als op de heiligheid van den eigendom en van het huwelijk de nadruk gelegd. Aan het eind lezen wij: „Ten slotte gelooven wij, dat wij zalig geworden zijn alleen door het geloof, door de genade Gods, om den wille van Zijnen Zoon Jesus Christus, onzen Heere, zonder onze eigene verdiensten".
Deze Belijdenis, waarin het geweten der vreemdelingen in de leer van het Heilig Avondmaal voorzeker geweld werd aangedaan en ook de grond werd gelegd tot langdurige twisten, onderteekenden den 4l l e n Februari 1545 acht en veertig mannen, een knaap en achttien vrouwen.
Wel zagen de vorstelijke raadsheeren ook na de onderteekening der Confessie van Buscoducensis niet gaarne, dat Wezel de Walen opnam ; maar zij erkenden het stoffelijk nut, dat de nijvere vreemdelingen der stad zouden aanbrengen, en zorgden terstond voor de noodige weverswerkplaatsen.
Met dankbaarheid maken de vluchtelingen in hunne brieven melding van de gastvrijheid onzer stad, die zij, om den vijand op het dwaalspoor te brengen, dikwijls met den naam Kopenhagen aanduiden, en die reeds in 1543 Y e s a l i a h o s p i t a l i s - en de h e r b e r g d e r v e r v o l g d e k i n d e r e n G o d s genoemd werd.
Spoedig voegden zich nieuwe vluchtelingen bij hen, en telkens nam de raad der stad hen in stilte op, ten einde de opmerkzaamheid der Regeering, die vermoedde, dat er Libertijnen en Wederdoopers onder waren, niet tot hen te trekken.
Wat ons nog heden in deze Waalsche Gemeente zooveel belang doet stellen, is de omstandigheid, dat wij in haar de eerste eigenlijk Gereformeerde Gemeente in deze landen hebben. De eenvoudige Gereformeerde vorm van eeredienst, dien de vreemdelingen meêbrachten, was intusschen niet in overeenstemming met de in Wezel reeds ingevoerde Luthersche vorm, die den predikanten zelfs het misgewaad nog gelaten had. De Walen konden echter niet besluiten, dit aan te nemen. Daarover ontstond allerlei geschil met den superintendent, waarom P e t e r M a r t y r en M a r t i n B u c e r aan den destijds te Straatsburg vertoevenden V a l e r a n d u s P o l l a n u s (Poulain) den raad gaven, tot beslechting van den twist naar Wezel te gaan, opdat de Walen zonder beding en zonder dingen als het misgewaad, en met behoud van hunne gezangen, het Avondmaal zouden mogen vieren. Pollanus schijnt half December aan deze opdracht te hebben voldaan. Den 3'l , n December schrijft hij aan Calvijnr dat hij op het punt staat, naar Wezel te gaan, nadat hij reeds kort te voren over den toestand der Walen aldaar aan den Hervormer had geschreven en zijnen raad gevraagd had. Aan het slot van zijnen brief handelt Calvijn over de moeilijkheden wegens de ceremoniën, die men hun wilde opleggen. „Wat dat betreft", schrijft hij, „zoo geldt als regel: hoe minder ceremoniën, hoe beter; want wij weten, hoe groot het gevaar is, dat zij tot bijgeloof aanleiding geven. Wanneer echter de beslissing niet aan ons staat, dan mag zij ons niet weerhouden, altijd naar de hoofdzaak te streven. Dit is evenwel niet van zoo grootebeteekenis, dat wij ons bjj deze gelegenheid vrijwillig van het Heilig Avondmaal des Heeren zouden moeten berooven. Laat ons altijd wenschen, wat wij voor het beste houden, en dan zorgen, dat het, zooverre het aan ons staat, ook gebeure. Wanneer het niet in onze macht staat, daartoe te geraken, zoo laat ons eenige onvolkomenheden verdragen, zonder ze tebillijken, mits ze niet iets zijn, dat tegen het Woord Gods is. Als zij echter eenigen schijn van afgodendienst hebben, dan moet gij ze tot den dood toe wederstaan".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juli 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Geschiedenis der Waalsche en der Fransche Gereformeerde Gemeente te Wezel. (1 ste Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juli 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken