Bekijk het origineel

Overdenking van Efeze 1 : 2—6. (5de Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Efeze 1 : 2—6. (5de Gedeelte.)

11 minuten leestijd

„Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den tleere Jesus Christus! Gezegend zij de God en Vader onzes Heeren Jesns Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den heinel in Christus; gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zonden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde : Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jesus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen vau Zijuen wil ; tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde."

Vestigen wij nu onze aandacht op het doel, waartoe
God ons uitverkoren heeft. God heeft ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, o p d a t w i j z o u d e n h e i l i g e n o n b e r i s p e l i j k z i j n v o or H e m (Vs. 4). „Ons", schrijft de Apostel. Bedoelt hij daarmee wellicht zichzelven en zijne mede-Apostelen, als medearbeiders Gods, gelijk sommigen beweerd hebben. Wij antwoorden: Daarvan staat hier niets. Vooreerst schrijft de Apostel te dezer plaatse niet Van zijne verkiezing en roeping tot het Apostelambt, maar hij spreekt van „geloovigen en heiligen in Christus Jesus". En ten andere spreekt hij niet van een doen, niet van eenen arbeid, maar van het heilig en ouberispelijk zijn voor Gods Aangezicht, van eenen Gode welbehaaglijken wandel.
Hier is dus sprake van de verkiezing, waarmede God verkoren heeft Zijn volk, Zijne Gemeente, degenen, die Zijne zijn; en dezen zijn Gods eigendom uit alle geslacht, taal, natie en v o l k ; én wij worden gewezen op het Godverheeriijkend doel der verkiezing. Bij dit doel staan wij dan nader stil.
Het oogmerk, dat de Heere met Zijne uitverkorenen heeft, is volgens het tweede gedeelte van Vers 4 : dat zij h e i l i g zijn. Zoo schrijft ook de Apostel Petrus „van de uitverkorenen naar de voorkennis Gods in de h e i l i g m a k i n g des G e e s t e s tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jesus Christus". Het komt dus aan op de heiliging of heiligmaking. Daarop hebben wij met allen ernst acht te geven. Hij, Die ons in Christus Jesus heeft uitverkoren, is de h e i l i g e God, van Wien de serafs zingen: „Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirseharen!" „God kan niet anders dan de reinheid, het licht en het leven liefhebben; daarin alleen woont Hij; daarom zondert Hij de Zijnen ook af vau alle onreinheid, van iederen dood, van elke duisternis, en maakt hen heerlijk in en bij Zich eeuwiglijk; daarom ook bestraft Hij de onreinheid en alle werken der duisternis."
God spreekt tot Zijn volk: „Zijt heilig, want Ik, de Heere, uw God, ben heilig". Of zou Hij, Die ons uit de zonde en onze verderfenis wil gered hebben, o n s in de o n r e i n h e id l a t e n l i g g e n , zoodat wij toch zouden sterven in onze zonden? Met eerbied gezegd: wat zou dat voor eene verkiezing zijn, waarbij de begenadigde in Jesus Christus in zijne schande bleef zitten p zoo zou hij, aan de onreinheid overgegeven, eene prooi des verderfs zijn! Och, wat al kwade gedachten maakt een mensch toch van den Heere! Neen, wien God tot de zaligheid verkoren heeft, dien laat Hij niet weêr varen, maar maakt hem geheel zalig. Dezen mensch heeft Hij zóó begenadigd, dat hij geheel en al met Zijne heiligheid en heerlijkheid bedekt is. Wij verstaan het dan ook gansch verkeerd, indien wij meeuen, dat met het heenwijzen op het doel van Gods verkiezing hier een gebod tot heiligmaking wordt opgelegd, zoodat de in Christus uitverkorene en begenadigde zich zou moeten bevlijtigen, om zooveel mogelijk daaraan te beantwoorden. Dat is de leer des vleesches, en in die vleeschelijke, inderdaad kleine gedachten over Gods doen maken wij tot wet, wat Evaugelie is. Evangelie toch is het, wat de Apostel schrijft, dat God ons in Christus heeft uitverkoren, om heilig te zijn. Het predikt den armen mensch, die verslagen en bedroefd is over zijne zonde en onreinheid, niet: „Gij moet u op de heiligheid toeleggen", maar: „God heeft u in Christus verkoren, opdat gij heilig zijt". Maar h o e heilig? In onszelven? in o n s oog? naar o n s oordeel? Wol neen, voor God, dat is: in Z i j n oog, voor Z i j n gericht. Derhalve: in C h r i s t u s , in Wien onze verkiezing vast is; door het geloof in Hem, in Zijne gemeenschap; Hij is onze heiligheid.
Maar welke vrucht levert dat op? Het heeft deze vrucht, dut wij Gode behagen, onberispelijk zijn voor Hem. Zie, God wil de Zijnen zonder vlek of rimpel, onberispelijk, hebben. Maar, — zegt er een, er valt zoo veel te berispen; ja, bij de heiligen en geloovigen in Christus Jesus is zooveel te berispen. Zeker, dat is zoo. Vooreerst naar hun eigen oordeel; want hun geweten klaagt hen aan van voortdurende overtreding vau al Gods geboden; bij het licht van Gods heiligheid roept de geloovige uit: „Wee mij onreine! ik verga". Vervolgens naar het oordeel van wereld en duivel; deze zeggen, dat aan de heiligen Gods niets deugt; de wereld lastert hen; de duivel houdt niet op te beschuldigen. En toch, in het gericht Gods, heden en in de toekomende eeuw, heeten zij onberispelijk. Hoe is dat mogelijk? Ja, dat is den geloovigen zeiven een wonder; o het is inderdaad een wonder der ontferming Gods over hen. Welaan, laten zij dan in eigen oog en voor wet en geweten, voor wereld en Satan berispelijk zijn, wat schaadt het?! in Gods oogen, voor Hem, met Wien wij te doen hebben, zijn zij onberispelijk. En vraagt men nogmaals: Hoe? dan luidt wederom het antwoord: Niet anders dan in Christus Jesus, Die "hen gereinigd heeft in Zijn dierbaar bloed, Die Zijne Gemeente alzóó den Vader voorstelt zonder vlek of rimpel.
Over wien dan God de Heere Zich in Zijnen eeuwigen vrederaad ontfermd heeft in Christus Jesus, dien zal geene zonde, dood, wereld of duivel kunnen verderven. Alle beschuldigers moeten verstommen, verstommen voor hetgeen God in Christus gedaan heeft. In dat doen Gods zijn de uitverkorenen Gods heilig en onberispelijk voor Zijn Aangezicht.
„ I n de l i e f d e " , voegt de Apostel er bij Wat wil dat zeggen? Sommige uitleggers voegen het bij het voorgaande, aldus lezende: „heilig en onberispelijk in de liefde". Nu, het kan zeer wel zóó gelezen worden en drukt dan uit de vervulling der Wet, welke is de liefde. Het geheel zegt dan: God heeft in Christus Jesus ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden zijn in volkomene overeenstemming met Zijne eeuwig geldende Wet, d. i. geheel rechtvaardig en heilig. Dit ligt evenwel reeds opgesloten in het heilig en onberispelijk zijn. Daarom wil het ons voorkomen, dat die uitleggers juist zien, die de woorden „in de liefde" verbinden met het volgende. En zóó wijzen deze woorden ons op de liefde Gods als de oorzaak Zijner eeuwige verkiezing, en de bron van ons kindschap door Jesus Christus; doch daarover eenen volgenden keer nader. Ditmaal zij het ons genoeg er op gewezen te zijn, dat God ons vóór de grondlegging der wereld in Christus Jesus heeft uitverkoren, en dat Hij dit gedaan heeft met het God verheerlijkend doel: opdat wij voor Hem heilig en onberispelijk zijn. Ja, dat verheerlijkt God, en niet ons; daarbij worden wij met al het onze te schande en te niet gemaakt. Do uitverkiezing maakt ons dus klein, een niet voor den Heere; zij doet onzen hoogmoed en alle aanmatiging der eigengerechtigheid aHeggen, en stelt ons in onszelven als goddeloozen vo,r Gods gericht, die om niet gerechtvaardigd, uit loutere genade behouden worden. En, waar zij alzoo eiken grond in het zichtbare ons ontneemt, daar geeft zij ons eenen vasten en eeuwigen troost onder allerlei kruis, droefheid, vervolging en bestrijding. Onze zaligheid wortelt in de eeuwige, almachtige, genadige en vrije daad vau Gods ontfermende liefde in Christus Jesus. En weigeborgen zijn wij op dezen eeuwigen Rotssteen onzes heils, die allen vijanden te hoog is.
En of nu de lastertong der wereld deze goede leer hoont, alsof zij goddelooze en zorgelooze menschen maakt, — dat moet ons niet verwonderen; want het is de laster van den geest uit den afgrond, van den Booze, den overste dezer wereld, den vorst der duisternis. Zóó verblindt de god dezer eeuw de zinnen d f r ongeloovigen, opdat hen niet bestrate de verlichting van het Evangelie van Jesus Christus; zóó houdt Satan hen in zijnen rampzaligen dienst.
De duivel is bang voor deze leer, juist omdat de eeuwige vrije genadeverkiezing hem zijne onderdanen ontrukt. Ja, deze leer, die naar de godzaligheid is, doet afbreuk aan het rijk der goddelooze en der vrome wereld. Zij ontdekt aan de goddeloozen, dat zij geenen vrede hebben, maar dat zij met al hunne werken ter helle varen, tenzij zij zich bekeeren tot God en gelooven in Zijnen Zoon Jesus Christus. Zij handhaaft het eeuwiggeldende van Gods Wet, zoodat geen vleesch in zijne vroomheid zich rechtvaardigen kan, maar te schande gemaakt zij met al zijn doen. Zij snijdt alle uitvluchten van: „Ik kan niet, ik durf niet", zoovele jamaars des vleesches, op eens af; want zij stelt ons voor Gods Aangezicht als goddelooze, machtelooze en wederhoorige menschen, die de hel verdiend hebben, maar tot wie de Heere God naar Zijn eeuwig voornemen der genade komt met de prediking Zijns Evangelies: In Mij, in Christus Jesus, is uw heil alléén; Ik ontferm Mij, wiens Ik Mij ontferm; Ik ben genadig, wien Ik genadig ben.
In deze ontferming alléén ligt ons behoud; door haar hebben wij alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, en zullen in leven en in sterven en in den dag van het toekomstig oordeel onberispelijk en onbestraffelijk voor God bevonden worden in vrede. Waar deze ontferming heerscht, daar wordt men verbroken onder de woorden der Heilige Schrift: „Noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch die bij mannen liggen, noch ontuchtigen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geene lasteraars, geene roovers zullen het Koninkrijk Gods beërven".
Voorwaar, als onze wandel en handel, hetzij in het verborgen, of in het openbaar, niet goed is, dan hebben wij, of wij ook in het geloof roemen, en ons op de uitverkiezing verheffen, of wel er rneê spotten, geen goed geweten tot God. En zoekt men ook den innerlijken onvrede met uiterlijke heiligheid en allerlei werken, die God niet geboden beeft, te verjagen, die onvrede blijft, zoolang het hart niet is gereinigd door geloof. Maar daar is en wordt het hart gereinigd en het binnenste vernieuwd, waar men met zijn onreine, zondige hart en met al de onreine en zondigende leden zich houdt aan Christus Jesus, in Wien God ons uitverkoren heeft, in Wien wij onze heiligmaking hebben en onberispelijk zijn voor Gods Aangezicht. Zijne genade heerscht door gerechtigheid ten eeuwigen leven.
Het staat niet op onze voorhoofden te lezen, of wij uitverkorenen Gods zijn. Er staat geschreven : „De Heere kent degenen, die Zijne zijn"; èn: „Een iegelijk, die den Naam vau Christus noemt, sta af van ongerechtigheid". De tollenaar, lezen wij in het Evangelie, stond vau verre, sloeg op zijne borst en riep: „O God, wees mjj zondaar g e n a d i g ! " en hij ging gerechtvaardigd naar huis. Wie verdoemt zichzelvfn alzoo en stelt God in het r e c h t ? De eeuwige, vrije genadeverkiezing predikt ontferming bij God over zulk eenen goddelooze in Christus Jesus, Wiens bloed en gerechtigheid ons heilig en onberispelijk stellen voor Gods gericht. Zóó heeft God zalig gemaakt en maakt Hij zalig zonder ons, j a tegen ons, naar den Raad van Zijn eeuwig welbehagen in menschen. Loof Hem, zegge onze ziel, — prijs Zijnen Naam: Hij alléén is te eeren; Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 juli 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Overdenking van Efeze 1 : 2—6. (5de Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 juli 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken