Bekijk het origineel

Betrachting over Efeze 4:15—21,

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Efeze 4:15—21,

20 minuten leestijd

Het 83Me Lied in den Hoogduitschen Gezangbundel is van eenen Oostenrijkschen Hervormer i). Luther kende den man niet, en hij kende Luther niet; maar Luther hoorde dit lied eens op straat zingen, en het deed hem goed aan zijne ziel, om de waarheden, die op grond der Heilige Schrift in dit lied zijn vervat. Het schijnt wel, vooral als men het 13e en 14" vers leest, alsof de dichter het ten slotte toch nog in de werken zocht; toch is dit niet zoo. Maar als ik voor de Gemeente optrad en zeide geen woord, zou zij mij niet voor dood houden? Of als gij eenen knecht of eene meid hadt gehuurd, en zij deden niets, zoudt gij ze niet eveneens voor dood houden? — Gjj weet, dat ieder mensch, die het leven heeft, leeft, maar gij weet ook, dat het leven niet mag stilstaan, dat de mensch niet op het kussen mag blijven liggen, om niets te doen, niet te werken, maar dat wij de oogen hebben ontvangen, om te zien, de voeten, om te loopen, do handen, om er wat goeds meê te verrichten, de tong, om er wat nuttigs meê te spreken, en vóór alle dingen het verstand, om te trachten naar hetgeen loffelijk i s .— Nu zegt de dichter in het 13de en 14'le couplet:
Al wie gena van God den Heer
In Christus heeft verkregen,
Houdt Hem voor oogen, buigt zich neêr,
Zoekt Hem in al zijn wegen;
Hij looft en dankt Hem, prijst Zijn' Naam,
Bedwingt zijn vleesch en lusten saam :
Zoo loopt de weg ten leven.

Maar die gerust daarhenen gaat,
Om naar zijn' lust te leven,
En 't vleesch den vrijen teugel laat,
Zijn' zin genoeg wil geven,
Den Heer niet bidt, dat Hij hem leid'
En door den Ileil'gen Geest bereid',
Die loopt den weg ter helle.


1) T. w. Paulus Speratua. Zie Jaargang 1890, bladz. 293, waar de vertaling van het geheele lied te vinden is.


Zou diegene waarlijk genade bij God hebben verkregen, die wel daarvan praat, maar God niet voor oogen houdt ? Dat ware immers de genade misbruiken en haar veranderen in ontuchtigheid (Br. v. Jud., Vs. 4) en allerlei goddeloosheid. Neen, als men genade heeft verkregen, dan drijft de genade, om voor alles genade te zoeken, om Hem voor oogen te houden, van Wien men vrijspraak van al zijtie schuld heeft ontvangen. Wie genade van God heeft verkregen die zal geen en raad zoeken bij den duivel, bij de wereld, of bij zijn eigen hart, waaruit alle booze dingen voortkomen, maar wie waarlijk genade bij God heeft verkregen, die zal alleen bij Hem, den Almachtige en Alwetende, raad en hulp zoeken, en niet luisteren naar den raad van het verdorven vleesch en bloed. Wie genade bij God heeft verkregen, die heeft het hoogste verkregen, wat een mensch van God kan ontvangen, en hij weet, dat alles, wat hij daarenboven heeft aan woning, kleeding, voedsel, het met eere doorkomen door de wereld, eveneens uit Gods hand komt, en zoo zal hij alles, wat hij ontvangt, niet beschouwen, alsof hij het te danken had aan zijne wijsheid en de vlugheid van zijn verstand, maar hij zal voor alles God loven en danken, hij zal God in erkentenis houden voor hetgeen Hij hem gaf, en zal al deze gaven beschouwen, niet alsof hij daarover naar willekeur kon beschikken, maar als gaven Gods, waarbij hij den Heere zijnen God niet vergeet, maar Hem dankbaar is voor alles. Wie dat erkent, die is tevreden met zijnen stand, die tracht niet naar hooge dingen, ook niet in handel en wandel, maar voegt zich tot de nederige. (Ps. 131.) Wie genade bij God heeft verkregen, die bedwingt zijn vleesch en zijue lusten, zooals het lied zegt, en leeft in de vreeze Gods, niet gedwongen, maar vrijwillig. Hij zegt niet: „Ja, als de Wet het maar niet verbood, maar nu moet ik het wel laten! ik zou het anders wel gaarne doen, maar ik mag niet!" — neen! maar er is vrijwilligheid en vrijheid van beweging in de vreeze Gods, zoodat men niet in toom behoeft gehouden te worden als een paard of muilezel, maar inen is blij en vroolijk en vol goede werken in de vreeze Gods. Wie genade bij God heeft verkregen, die weet, wat het zijnen God heeft gekost, om hem van de lusten des vleesches af te krijgen, daarom kan hij ze niet meer najagen, maar als zij hem overvallen, wederstaat hij ze en stelt alles in het werk, opdat de duivel hem niet in 't verderf storte, de wereld hem niet in hare strikken krijge. — En dat is de weg ten leven. „De weg ten leven? wel, ik dacht, dat Christus de Weg ten leven was." Zeer zeker! Maar ik vraag: Is Christus dood? of leeft Hij in Zijne leden? En als Hij in Zijne leden leeft, geeft Hij hun dan niet den Heiligen Geest? schrijft Hij niet in hunne harten Zijne geboden? Christus is onze Weg ten leven, maar ook: wilt gij een kenteeken, dat gij op den weg des levens zijt, zoo maak de toepassing op uzelven en zeg: Als ik niet zóó ben, als het in dit lied wordt beleden, dan bevind ik mij niet op den weg ten leven. Ik weet wel, dat het den oprechten gegeven is, ziehzelven te veroordeelen, niets aan zichzelven te zien; maar aan den anderen kant weet ik ook, dat het allen oprechten gegeven is, zichzelven te verloochenen, de wereld prijs te geven; en of zij al zichzelven voor Gods Rechterstoel veroordeelen, er is toch heiligheid des levens bij hen, zoodat zij den naaste geenen aanstoot geven, en mochten zij het al eens hebben gedaan, dan is er ook hartelijk berouw, verbrijzeling, verootmoediging en beterschap. — Zoo is dan de weg ter helle dit: dat men zichzelven wijsmaakt, dat er geen gevaar is, dat God niet zoo schrikkelijk over de zonde toornt, maar wel wat door de vingers ziet; of men heeft het van hooren zeggen, men heeft een gestolen geloof, meenende, dat men een lid van Christus is, terwijl het toch niet waar is, het hart is niet veranderd; en zoo leeft men in stille gerustheid voort, men kan de zonde indrinken als water, zonder het te zien, — men kan liegen en stelen, en denken, dat men eerlijk is, — men kan haat, toorn en nijd koesteren, en toch zichzelven voor den beminnenswaardigsten mensch houden, en de schuld op eenen ander werpen. Wie dus zoo gerust daarhenen gaat, niet vraagt naar Gods gebod, maar leeft naar eigen lust, derhalve niet leeft naar het harte Gods, maar naar de lusten van zijn eigen hart, zijn vleesch vrij spel laat, alles wil en begeert, en er op uit is de begeerlijkheid van het vleesch te volbrengen, maar niet vraagt naar God, om te weten, wat hij te doen en te laten heeft, denkende, dat hij zijnen plicht kent, en doet wat hij schuldig is, en niet wil weten, dat de mensch terstond op eenen dwaalweg is. als God hem niet leidt, — God derhalve niet bidt, dat Hij hem leide, niet smeekt om den Heiligen Geest, opdat Die hem regeere, — ik zeg: zoo zeker als het Woord Gods waarheid is, zoo zeker gaat die mensch met al zijne christelijkheid, met zijn kerk- en ten Avondmaal gaan, ter helle. Ik heb iemand gekend, die naar zijne eigene meening zoo vroom was als men maar ooit kan zijn, maar op eene wandeling, die ik met hem deed, loog hij in één uur driemaal en misbruikte zevenmaal den Naam des Heeren, en toen ik hem daar eindelijk opmerkzaam op maakte, hield hij stijf en strak vol, dat hij het niet had gedaan, ja dat hij het niet kon, omdat hij een kind Gods en wedergeboren was! Ik was als op den mond geslagen en wist niets beters te doen, dan te zeggen : „Komaan, wij willen niet twisten, dat is mijne gewoonte niet, maar één ding zult gij mij toch wel toestaan: als ik u weêr hoor liegen of vloeken, dan zal ik u op den schouder kloppen en er u opmerkzaam op maken, en dan geeft gij mij telkens eenen gulden voor de armen". Van toen aan paste hij op, en zeide het niet weêr; want zoo zijn die huichelaars, het gaat hun in den grond der zaak alleen om het geld; zij komen wel in schaapskleêren, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.
Ziedaar het een en ander aangaande een der beste liederen uit den tijd der Hervorming. Laat ons nu stilstaan bij een zuiver Apostolisch woord. Ik zeg niet, dat het lied niet ook Apostolisch is, maar dit woord is zuiver Apostolisch. Ik bedoel Ef. 4 : 15—21.
„ M a a r opdat wij", zoo schrijft de Apostel Paulus, „de w a a r h e i d b e t r a c h t e n d e in l i e f d e , a l l e s z i n s zouden o p w a s s e n " , want wat stil staat is dood; wat leeft, heeft groei, breidt zich uit, neemt toe of wast; een kind groeit, een boom breidt zijne takken steeds verder uit; niets is er in de natuur, dat geene innerlijke aandrift heeft, om te wassen. Daarom: „alleszins zouden opwassen" in wien ? — „ i n H e m , D i e h e t H o o fd i s , n a m e l i j k C h r i s t u s . Uit W e l k e n het g e h e e le l i c h a a m , b e k w a m e l i j k s a m e n g e v o e g d en s a m en v a s t g e m a a k t z i j n d e , door a l l e v o e g s e l e n d e r t o e - b r e n g i n g , n a a r de w e r k i n g v a n e e n i e g e l i j k d e el i n z i j ne m a a t . . ." Heeft iemand pijn in zijn oog of aan zijnen voet, dan steekt hij er de hand naar uit, als om de pijn der wonde te verzachten. Wil men ergens heen, dan bedient men zich van zijne voeten, om er te komen. Als men iets wil maken, dan maakt men gebruik van oogen en handen. Alle leden dienen de maag, en deze op hare beurt alle overige leden. Alles echter wordt geregeerd door het verstand, door het hoofd. Zoo hangen ook alle leden van het lichaam van Christus samen, geregeerd wordende door het Hoofd: Christus, en niets is dor en onvruchtbaar, maar alles leeft, en het eene lid is bereid het andere te helpen, „naar de werking van een iegelijk deel in zijne maat", in datgene, waartoe elk lid geschapen is, — opdat dus elk lid „den w a s - d om des l i c h a a m s b e k o m t , t o t z i j n s z e l f s o p b o u - w i n g i n de l i e f d e " ; want alle leden helpen elkander in den wasdom, tot betering, als één lid krank en zwak is, opdat alles worde weggenomen, wat den wasdom kan schaden. En dit alles, het gansche werk, dat van het Hoofd, Christus, uitgaat, is een werk in de liefde, niet in de schrikkelijke eigenliefde, die slechts zichzelve zoekt, naar zichzelve vraagt en denkt: „Als ik er maar kom, wat gaat mij man, vrouw, kind, vriend aan!" neen. het is een werk in die liefde, die de Heilige Geest in de kinderen Gods heeft uitgestort. „Ik z e g d a n d i t " , en dit zeggen is niet genoeg, maar: „en b e t u i g h e t in d en I l e e r e " , — dat is: ik bezweer u bij den Ileere, ik houd het u in allen ernst voor, als iets, dat van het hoogste gewicht is voor uwe rust, voor een gezond, gelukkig doorkomen met God en met eere, voor eenen gezegenden, vroolijken ouderdom en een rustig sterfbed, —- „ik zeg dan dit, en betuig het in den Heere, d a t g i j n i e t m e e r w a n d e l t , g e l i j k a l s de a n d e r e H e i d e n e n w a n d e l e n in de ij d e l h e i d huns g e m o e d s " .
De Apostel heeft vóór zich eene Gemeente, die hij aanspreekt als heiligen en geloovigen. Ja, dat waren zij, wijl de Heere, wijl het Woord des levens tot hen was gekomen; als een koning in eene stad komt, die tot zijn gebied behoort, dan heeft hij de gansche stad bezocht, allen een bezoek gebracht. Maar alles, het moge nog zoo goed zijn, is ook blootgesteld aan bederf. Zoo kan het ook in de Gemeente gebeuren, dat leden, hoewel zij leden zijn, en meenen, dat zij de eerste drie Vragen van den Heidelbergschen Catechismus goed kennen, nochtans wandelen als de andere Heidenen- in de ydelheid huns gemoeds! Waarlijk? In deze heilige Gemeente des Heeren Jesus Christus ? De Apostel vermaant, en omdat hij niemand openlijk wil bekend maken, schrijft hij in 't algemeen: „dat gij niet meer wandelt...", dat is: houdt daarmee op! maakt er een eind aan! Wat zegt hij van de Heidenen ? Hun gemoed, hun verstand, wat de philosophie noemt den koning van den ganschen mensch, is ijdel, al hun denken en doen is ijdel, dat ziet men aan hunne werken. In zulk eene ijdelheid zouden •zij niet meer wandelen. En wat is dan al zoo ijdelheid ? Het is geene ijdelheid, als gij in het huis Gods komt, als gij er vroeg genoeg zijt, om den Psalm meê te zingen, het is geene ijdelheid, als gij aandachtig luistert naar het Woord, dat gepredikt wordt; maar dat is ijdelheid, als gjj 's daags daarna doet, alsof er geen Woord Gods was, en gij God vergeet, Hem niet voor oogen houdt, Hem niet vreest, maar u van den Maandag tot den Zaterdag in den maalstroom des levens werpt zonder God en zonder Zijn Woord; want dan denkt de mensch aan niets anders dan aan eten en drinken, weinig werken, op « e n e gemakkelijke manier aan geld te komen, den grooten heer en rijke dame te spelen, zonder te vragen: Waar komt het -vandaan? Zoo is men dan niet spaarzaam, maar verkwistend, men beschouwt Gods gaven niet als Gods gaven, en begrijpt niet, dat men geenen cent, veel minder eenen gulden mag stelen, maar men volgt eigen zin en wil, en gaat in hoogmoed zijnen gang ; men is niet tevreden met God en met zijne eenvoudige tafel, maar men wil al hooger en hooger, wil al meer en meer, en alles is ijdelheid, ijdelheid, pffï — weggeblazen is ' t ! — Wandelt -daarin niet meer, betuigt de Apostel, hij bezweert de geliefde broeders te Efeze, nadat hij hen eerst op den goeden grond heeft gezet. Dan spreekt hij verder van de Heidenen en noemt hen „ v e r d u i s t e r d in h e t v e r s t a n d " . Dit nu noem ik duisternis, schrikkelijke duisternis, als een mensch daarhenen gaat en niet meer gelooft, dat hij slechts een damp is, heden eene bloem, morgen hooi. Dit is duisternis, dat de mensch zijnen weg gaat zonder God, zonder naar God en Zijne Wet te vragen, maar slechts zijnen eigen lust, zijnen eigen wil volgt, en op eens is alles weg! Zoo gaat het ook met de industrie hier in het dal, en ten laatste loopt alles op ijdelheid uit; de een liegt den ander wat voor, ieder jaagt er slechts naar, om rijk te worden en in Huweel en zijde gekleed te gaan, paard en rijtuig te houden, totdat God komt en er in blaast, aoodat de een voor, de ander na alles weêr verliest, en hun rijkdom zelden komt tot de erfgenamen in het derde of vierde lid. Dat is de geschiedenis van Elberfeld sinds eeuwen. Er is geen verstand om te erkennen: Ik ben een schepsel Gods, en Z i j n e zon. maan en sterren zijn meer waard dan duizend gulden! om te weten en te gelooven, dat alles alleen van Gods zegen afhangt. Dat is derhalve duisternis: te leven zonder God, en vooral als het uitloopt op huichelarij, als toen zich vroom voordoet, en doet, alsof men God vreest. Dat is een „ v e r v r e e m d zijn van h e t l e v e n G o d s " . De adem des levens, die in ons is, is uit God, en is alleen in Gods hand, en dat niet alleen, maar in den grond der zaak is er toch geen ander leven, dan het eeuwige leven, en dat ontstaat alleen daar, waar een mensch berouw heeft over zijne zonde en schuld, waar hij bij God aanhoudt om genade en ontferming, zich verootmoedigt vanwege zijne zonde, en vergeving zoekt in het bloed van Jesus Christus, en als hij dan vergeving vindt, komt er een adem des levens uit God, de Heilige Geest, — Die verandert den mensch, maakt hem tot eenen nieuwen mensch, zoodat -voortaan zijn geheele leven is met God en in God. Dan is niet meer in hem „de o n w e t e n d h e i d d o o r de v e r h a r d i ng d e s h a r t e n " , maar hij ziet het en houdt het voor oogen: zoo bloeit do mensch, en zoo ligt hij in de doodkist; hij ziet, hoe God de zonde straft, hoe Hij om de zonde eenen mensch verootmoedigt, hoe Hij den mensch, die hoog wil klimmen, op eens doet neerstorten en te schande maakt. Omdat dat zoo is, zegt de Apostel het der Gemeente, en ik als Gods dienaar roep het ook der Gemeente toe: Wandelt niet meer zoo! dat is een leven zonder God en niet uit God! Nog eens, als niet de Heilige Geest u verlicht en uw hart vernieuwt, zoo zijt gij onwetend en blind, zoodat gij niets weet en ziet van God, niets van uw wezenlijk geluk, niets van de hel, want gij gelooft er niet aan, niets van den hemel, want gij kent den hemel en het hemelsche leven niet. Dan is men „ o n g e v o e l i g ", men heeft geen geweten, maakt zich niet ongerust over zijne zonden. Alleen een kind Gods is teêr van gevoel en nauw van geweten. Ik weet het, wij leven onder menschen en zijn zeiven menschen, en daar houden wij ons niet altijd zoo rein van alles; maar al gebeurt het ook, dat een kind Gods soms met de wereld meedoet, dan klopt het toch van binnen, dan laat het geweten hem niet met rust. Waar men echter ongevoelig is en geene gewetenszaak van do zonde maakt, daar is men voorwaar niet op den weg ten hemel, maar daar zal men van de eene zonde in de andere vallen, en ten slotte gaat de ziel verloren. En als men geen geweten heeft, wat is daarvan het eerste gevolg ? Daar vergeeft men zichzelven de onkuischheid, daar komt het tot echtbreuk, daar zijn onkuische oogen, daar is onoprechtheid jegens de vrouw, daar bewandelt men verkeerde wegen, daar komt men tot allerlei ontuchtigheid en onreinheid, alsmede gierigheid. Dat moet wel is waar voor de wereld bedekt bljjven, maar komt het eindelijk toch aan het licht, dan moet het voor de wereld een ongeluk heeten. Men pleegt ontucht en overspel, men woekert en jaagt de gierigheid na, maar ieder wil ongestraft bljjven en geëerd worden, alsof er geene vlek of rimpel aan hem was. Ja, bedenken wij het wel: in de Gemeente, die de Apostel begroet als heiligen in Christus, zijn er zulken, die, „ o n g e v o e l i g g e w o r d e n z i j n d e , z i c h - z e l v e n h e b b e n o v e r g e g e v e n tot o n t u c h t i g h e i d, o m a l l e o n r e i n h e i d g i e r i g l i j k te b e d r i j v e n " , — men wil in fluweel en zjjde gekleed gaan, dit en dat doorzetten, zich een huis bouwen, men moet vooruit in de wereld; daarbij stapelt men schulden op schulden, betaalt niet, en gaat naar sociëteit of kroeg, om de zorgen wat op zij te zetten; daarbij komt nog de vreeselijke wisselruiterij, waarmee zoovelen zich verderven, en ten laatste is er geen geld en betaalt men niet! Had men toch liever van den beginne aan met God en met eere er zich doorgeworsteld, was men toch tevreden geweest met zijne eenvoudige tafel in plaats van zonder God met 's duivels hulp ter helle te varen! — Zulks moet de Apostel aan de heilige Gemeente te Efeze voorhouden; want zulke dingen waren er in de Gemeente voorgevallen. Maar hij roept haar toe: Wandelt niet meer alzoo; want „ g i j h e bt C h r i s t u s a l z o o n i e t g e l e e r d ". „ I n J e s u s is de w a a r h e i d " ; wie in Hem is, geeft zich, zooals hij is, hij schaamt zich niet hetgeen hij is, hij belijdt zijne zonde en schuld, en geeft God en den naaste hot zijne. Dat is het léven van hem, die Christus heeft leeren kennen. Hij bekommert zich slechts oin dit eene: C h r i s t us e n m i j n n a a s t e.

21 Januari 1872.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 augustus 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Betrachting over Efeze 4:15—21,

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 augustus 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken