Bekijk het origineel

Het kennen van den Vader en den Zoon. (Betrachting over Mattlieüs 11 : 27.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het kennen van den Vader en den Zoon. (Betrachting over Mattlieüs 11 : 27.)

„En niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en wien het de Zoon wil openbaren."

21 minuten leestijd

Het eeuwige leven bestaat in het kennen van God den Vader en van Jesus Christus, Zijnen Zoon. Daarom sprak de Heere in het hoogepriesterlijk gebed (Joh. 17 : 1—3): „Vader! de ure is gekomen, verheerljjk Uwen Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke. Gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vleesch. opdat al wat Gij Hem gegeven hebt. Hij hun het eeuwige leven geve. En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waaraehtigen God, en Jesus Christus, Dien Gij gezonden hebt'. En aldus luidt bij den Profeet Jeremia de belofte des nieuwen Verbonds: „En zij zullen niet meer een iegelijk zijnen naaste en een iegelijk zijnen broeder leeren, zeggende: Kent den Heere! want zij zullen Mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere" (Hoofdst. 31 : 34).
Dit kennen of deze kennis is het eeuwige leven, dat wil zeggen: als wjj God den Vader en Jesus Christus kennen, dan hebben wij in deze kennis het eeuwige leven. Maar dan kan dit kennen niet bestaan in een bloot weten, als ware het ter zaligheid genoeg, te weten dat God eenen Zoon heeft, Die Jesus Christus heet, en dat God ook den Naam Vader draagt, want dat weten de duivelen ook, zooals wij zien uit Luk. 4 : 4 1 : „En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zone Gods". Het moet daarom meer zijn dan een bloot weten of kennen, meer dan eene verstandszaak, het voor waar en zeker houden, dat God is. dat er een Vader in den hemel en een Zoon Gods aan de Rechterhand der Majesteit is; dit kennen is tevens eene zaak des harten, een kennen in liefde, eerbied en vertrouwen, steunende op hetgeen men daarvan aan zjjne ziel en in zijn leven heeft ondervonden. Deze kennis, waarmee de zaligheid gepaard gaat, heeft geen mensch van zichzelven. Daartoe komt niemand door eigen verstand of kracht. Niemand zal ze verkrijgen door godsdienst of zelfgekozen werken. Daarom spreekt de Heere Joh. 17 : 25 en 26: „Rechtvaardige Vader! de wereld heeft U niet gekend, maar lk heb U gekend, en dezen hebben bekend, dat Gij Mij gezonden hebt. En Ik heb hun Uwen Naam bekendgemaakt, en zal hem bekendmaken".
De kennis van God den Vader en den Zoon, welke het eeuwige leven is, hebben de Vader en de Zoon Zichzelven voorbehouden te geven aan wie zij willen. Daarom lezen wij: „Gij (Vader) hebt deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen", — „ja Vader! want alzoo is geweest het welbehagen voor U " ; en: „Niemand kent den Vader dan de Zoon, en wien het de Zoon wil openbaren".
De Vader openbaart den Zoon, en de Zoon openbaart den Vader. Het is het welbehagen des Vaders en het is de uitdrukkelijke wil des Zoons, slechts aan bepaalde, in de Schrift aangeduide inenBchen te openbaren, Wie de Vader is. Deze menschen zijn onwaardigen, vermoeiden, belasten. Die zullen den Zoon kennen, en zij zullen den Vader kennen. Niemand anders kent den Zoon. Alleen de Vader kent den Zoon, en diegene zal den Zoon ook kennen, wien het de Vader openbaart. Zoo ook kent niemand den Vader, dan alleen de Zoon, en diegene zal den Vader ook kennen, wien het de Zoon zal willen openbaren. Deze openbaring, waardoor de uitverkorenen beide den Zoon en den Vader leeren kennen, wordt hun wel is waar gegeven door het Evangelie, doch zoo, dat zij tevens eene innerlijke openbaring is, zooals de Apostel Paulus schrijft aan de Corinthiërs: „Niemand weet hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijnen Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods" (1 Cor. 2 : 1 1 en 10).
De Vader openbaart den Zoon, en de Zoon openbaart den Vader. Het is het welbehagen des Vaders en het is de uitdrukkelijke wil des Zoons, slechts aan bepaalde, in de Schrift aangeduide inenBchen te openbaren, Wie de Vader is. Deze menschen zijn onwaardigen, vermoeiden, belasten. Die zullen den Zoon kennen, en zij zullen den Vader kennen. Niemand anders kent den Zoon. Alleen de Vader kent den Zoon, en diegene zal den Zoon ook kennen, wien het de Vader openbaart. Zoo ook kent niemand den Vader, dan alleen de Zoon, en diegene zal den Vader ook kennen, wien het de Zoon zal willen openbaren. Deze openbaring, waardoor de uitverkorenen beide den Zoon en den Vader leeren kennen, wordt hun wel is waar gegeven door het Evangelie, doch zoo, dat zij tevens eene innerlijke openbaring is, zooals de Apostel Paulus schrijft aan de Corinthiërs: „Niemand weet hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijnen Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods" (1 Cor. 2 : 1 1 en 10).
De uitverkorenen worden aangeduid als onmondigen, vermoeiden en belasten. Z i j zijn het alleen, wien geopenbaard wordt, wat de Zoon voor den Vader en wat de Vader voor den Zoon ie. De overigen, wien het niet om vergeving hunner zonden te doen is, maar die hunne werken tegen hunne zonden opwegen, en eene gerechtigheid als uit werken zoeken, komen er niets van te weten, gelijk de Heere zegt: niemand weet het. Het is duidelijk, dat de Heere dit triumfantelijk gezegd heeft, ziende op alle Farizeön en eigengerechtigen. dio Hem miskenden, en dus ook den Vader miskenden. Hij dankt den Vader er voor, dat het hun niet is gegeven, den Zoon te kennen, en zegt het hun, die roemden op God (Rom. 2 : 17), en voorgaven, dat God hun Vader was (Joh. 8 : 41), ronduit, dat alleen Hij den Vader kende, maar dat zij Hem, den Vader, niet kenden, en dat alleen diegenen den Vader ook zouden kennen, die het van Hem, den Zoon, leerden, evenals ook alleen zij den Zoon kenden, die het van den Vader hoorden en leerden.
Wij komen nu als vanzelf tot de vraag: wat leeren zij daarvan, hoe de Vader den Zoon kent, en hoe de Zoon den Vader kent? Wij stellen voorop, dat zij op geene andere wijze er iets van leeren, dan in betrekking tot de verheerlijking des Zoons en des Vaders, in verband met hunne zaligheid.
Bij den Evangelist Lukas, Hoofdstuk 10: 22, vinden wij wat onze Heere bedoelde met de woorden: „Niemand kent den Zoon", enz, een weinig duidelijker uitgedrukt. Lukas werd het aldus ingegeven: „Niemand weet, Wie de Zoon is, dan de Vader; en Wie de Vader is, dan de Zoon". Eene dergelijke uitspraak lezen wij bij den Evangelist Johannes (Hoofdst. 10 : 14 en 15): „Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend. Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzoo ken Ik ook den Vader; en lk stel Mijn leven voor de schapen". Uit deze laatste woorden blijkt, dat in Matth. 1 1 : 27 sprake is van een kennen, dat betrekking heeft op de verheerlijking des Vaders door den Zoon en op de verheerlijking des Zoons door den Vader, tot zaligheid van alle uitverkorenen. En dewijl dit kennen daarop slechts betrekking heeft, voor zooverre het ons geopenbaard wordt, zeggen wij met Paulus (2 Cor. 3 : 12 en 13): „Wij gebruiken vele vrijmoedigheid in het spreken; en doen niet gelijkerwijs Mozes, die een deksel op zijn aangezicht leide". Wie niet vermoeid en belast wordt, zal veel en toch niets hebben gezien, — gelijk geschreven is: „Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zoo is het bedekt in degenen, die verloren gaan" (2 Cor. 4 : 3 ) . — Verneemt het, o gij allen, die vermoeid en belast zijt, die bij aanvang of voortgang om troost schreit! Verneemt het, gij kinderkens, die zoo gaarne „Abba" zoudt willen roepen! Komt tot de wateren, o alle gij dorstigen, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet! — De volkomene kennis zij onzen God; het is ons genoeg, zooveel er van te leeren verstaan, als ons tot onze zielsrust noodig is.
Er is hier sprake van een kennen van de volkomenste l i e f de tusschon den Vader en den Zoon, en van het volkomenste vertrouwen, dat de Zoon in den Vader en de Vader in den Zoon heeft gesteld, om naar het eeuwig voornemen der genade het volk, dat Hij te voren had uitverkoren, zalig te maken en tot God te brengen. Aan dezen wordt geopenbaard: in de eerste plaats, hoe de V a d e r den Z o o n kent, m. a. w. hoe de Vader weet, Wie de Zoon is, allereerst ten aanzien van de volgende stukken:
1. De Vader kent den Zoon als hunnen Jesus, als hunnen Borg en Plaatsbekleeder, als hunnen getrouwen Zaligmaker, als hunnen Koning, Priester en Profeet. Hij kent den Zoon als Iemand, Die het werk, dat de Vader Hem op aarde te volbrengen gaf, ook volbracht heeft, en steeds zal volbrengen.
2. De Vader weet, dat de Zoon Hem eeuwig liefheeft, en nooit de liefde des Vaders verdenken zal, ook Zich aan deze liefde des Vaders zal houden, niettegenstaande den gansclien last des toorns, dien de Vader op Hem legt, om de uitverkorenen van dezen eeuwigen toorn te bevrijden. Dit wordt ons op eene troostelijke wijze geopenbaard in het hoogepriesterlijk gebed, in Gethsémané en aan het kruis.
3. De Vader kent den Zoon, d. i.: Hij weet, dat de Zoon Hem, den Vader, eeuwig en onafgebroken voor Zijnen Vader zal houden, ofschoon de Vader in het geheel niet als een vader met Hem handgit, maar Hem prijsgeeft aan den moedwil der duivelen en van alle goddeloozen, ja aan de uiterste verlatenheid en machteloosheid.
4. De Vader kent den Zoon, d.i.: Hij weet, dat de Zoon Hem in alles gehoorzaam zal zijn, ja dat Hij, hoewel Hij de Zoon is. toch uit hetgeen Hij lijdt gehoorzaamheid wil leeren; dat Hij Hem gehoorzaam zal zijn, hoewel het met Hem van den eenen afgrond in den anderen, en eindelijk in den dood gaat.
5. De Vader kent den Zoon, d. i.: Hij weet, dat de Zoon het geenen roof zal achten, Gode evengelijk te zijn, maar dat Hij Zich vrijwillig vernedert, en vrijwillig en van harte des Vaders dienstknecht wordt, — dat de Zoon gaarne een lichaam, gaarne ons vleesch en bloed aanneemt, dat Hij gaarne in het vleesch gekomen is, om in dit vleesch den wil des Vaders volkomen te volbrengen.
6. De Vader kent den Zoon, d. i.: Hij weet, dat de Zoon de Wet Gods in Zijn hart en ingewand heeft, om haar volkomen te houden en te vervullen, en zoo voor de uitverkorenen alle werken voor te bereiden, opdat zij daarin Gode welgevallig zullen wandelen.
7. De Vader kent den Zoon, d. i.: Hij weet, dat de Zoon niets van Zichzelven zal willen weten, niets van Zichzelven zal willen, kunnen of vermogen, dat Hij niets van Zichzelven zal willen doen, zeggen of bevelen, maar in alles en voor alles Zich in alle afhankelijkheid van den Vader zal stellen, niets zonder Hem zal doen of zeggen. Hij wist, dat de Zoon Zich aan Hem zou houden, hoewel Hij den Vader niet zag, Zich aan Hem zou houden als aan Zijnen levenden Vader, Zich zou houden aan Gods Woord en Zijnen geopenbaarden wil.
8. De Vader kent den Zoon, d. i.: Hij wist, dat de Zoon dat alles zou doen tot eer der Vaders, dat Hij alleen des Vaders, nooit Zijne eigene eer zou zoeken. De Vader wist, dat de Zoon den ganschen raad en wil des Vaders tot zaligheid der uitverkorenen zou volvoeren, om zoo te verheerlijken de liefde des Vaders, waarmede Hij eene wereld heeft liefgehad, en te verlossen al degenen, die de Vader Hem gegeven had.
9. De Vader kent den Zoon, d. i.: de Vader wist, dat de Zoon alzoo alle deugden en volmaaktheden des Vaders bij de Hem gegevene kinderen zou verheerlijken. Hij kende des Zoons trouw jegens de uitverkorenen, Zijne eeuwige liefde en lankmoedigheid jegens hen, waardoor Hij niet zou aarzelen, voor hen zonde en vleesch te worden, en Zich in de grootste diepte hunner ellende en verlorenheid te laten werpen, om hen met Zich op te nemen in eeuwige behoudenis, voor eeuwig in God over te zetten. Zoo kende de Vader den Zoon, Hij wist, dat Hij de Wet van liefde Gods en liefde tot de broeders volkomen zou houden.
10. De Vader kent den Zoon, d.i.: Hij wist, dat de Zoon voor gewis zou houden, dat Hij door den Vader was gezonden, en deze zending volkomen zou volbrengen, dat Hij zou haten, wat de Vader haat, en lief zou hebben, wat de Vader liefheeft, dat Hij de vijandschap, in het paradijs gezet, zou handhaven, geene eer van menschen zou nemen, noch macht en kracht van duivelen, dat Hij de gerechtigheid zou handhaven en doen zegepralen voor de Zijnen,'s duivels macht vernietigen, den dood te niet doen, ons aller zonden op Zich zou doen aanloopen, aan Zijn eigen lichaam laten uitwoeden en veroordeelen, en dat Hij zoo uit den dood zou opstaan, om eeuwig Gode te leven, den Zijnen ten goede. De Vader wist, dat de Zoon dit alles op aarde, dit alles in ons vleesch zou volvoeren, dat Hij, trots allen smaad en hoon, trots al het tegenstrijdige en allen tegenstand van alle zichtbare en onzichtbare machten, Zich aan den Vader zou houden, Zijnen God niet zou verloochenen, ofschoon God Hem verliet en Hem liet veroordeelen als eenen Verleider en Godslasteraar. De Vader wist, dat de Zoon door geen hemel, aarde of hel, door geen ontbloot-zijn van allen troost en kracht, ook niet doar de allerdiepste vernedering tot in het stof des doods Zich zou laten weêrhouden, om te zoeken en tot God te brengen, wat verloren was.
In al hetgeen hier gezegd is van hetgeen er ligt in de woorden: „De Vader kent den Zoon", is ook reeds voor een deel gezegd, wat den vermoeiden en belasten geopenbaard wordt van het kennen van den Vader door den Zoon. De Z o o n kent den V a d e r , m. a. w. de Zoon weet, Wie de Vader is, d. w. z.:
1. De Zoon stelde steeds Zijn vertrouwen op den Vader, in het volle bewustzijn en het volkomen geloof, dat de God in de hemelen Zijn Vader was en steeds als een vader voor Hem zou opkomen. Hij hield Hem voor Zijnen Vader in weerwil van al het tegenstrijdige.
2. De Zoon bemint en eert niemand dan den Vader, en bemint om Zijnentwil voor eeuwig allen, die Hij Hem geeft.
3. De Zoon geloofde, dat Hij bij alles, wat Hij op Zich nam en verrichtte, om de liefde, genade en barmhartigheid bjj armen en ellendigen te verheerlijken, niet beschaamd of te schande zou worden. Hij geloofde, dat de Vader Hem altjjd terstond de kracht en macht zou geven, die Hij noodig had, om den Naam des Vaders groot te maken. Hij geloofde, dat de Vader Hem steeds nabij was, dat de Vader steeds in Hem was en bleef, en Hij in den Vader.
4. Zoo geloofde de Zoon, dat alles wat Hij van Zijne innige betrekking tot den Vader tot heil en troost van alle ellendigen en van de betrekking des Vaders tot hen zeide en openbaarde, zeker en betrouwbaar en den Vader welgevallig was, ook als Hij tot degenen, die Hem om genezing aanriepen, zeide: „Ik wil, wordt gereinigd 1" of als Hij, hun geloof ziende, de zonden vergaf, of de huichelaars en Farizeën bestrafte, en zoo over genade en ongenade, over heniel en hel beschikte.
5. De Zoon wist het zeker, dat Hij de Wet uitlegde, zooals de Vader deed, dat de Vader allen verwierp, die de Zoon verwierp, en dat als de Zoon Zich over iemand ontfermde, de Vader Zich dan ook over hem ontfermde, dat de Vader al diegenen zou aannemen en in genade opnemen, voor welke de Zoon met Zijn leven borg blijft. 6. De Zoon wist vast, dat Hij over alles, wat des Vaders was, als over Zijn eigen kon beschikken, om het alles te geven aan degenen, die in Hem, den Zoon, geloofden.
7. De Zoon wist vast, dat Hij de belofte des Geestes, die Hij van den Vader had ontvangen, ook voor de Zijnen zou ontvangen, en dat de Vader Hem aan Zijne Rechterhand zou verhoogen en Hem met de kroon en de eindelijke overwinning zou verheerlijken.
De Vader kent den Zoon en zegt van Hem o. a. Jes. 42 : „Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun", enz.; Jes. 53 : „Doch liet behaagde den Heere Hem te verbrijzelen", enz.. De Zoon kent den Vader en zegt van Hem o. a. Jes. 50 : „De Heere Heere heeft Mij eene tong der geleerden gegeven", enz.
Ziedaar zoo eenige punten, waaruit de vermoeiden en belasten tot hunne eigene zielsrust zien, hoe de Vader den Zoon, en hoe de Zoon den Vader kent. O, hoe kent de Vader den Zoon, als Hij het van den hemel doet weêrklinken: „Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!" (Luk. 9: 35). En wederom: „Ik heb Hem verheerlykt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken" (Joh. 12: 28). En ook, hoe kent de Zoon den Vader, als Hij getuigt: „Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien". „Indien gijlieden Mij gekend hadt, zoo zoudt gij ook Mijnen Vader gekend hebben." „Gelooft gij niet, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelven niet, maar de Vader. Die in Mij blijft, Dezelve doet de werken." (Joh. 14: 7 vv.) En wederom: „Niemand kan Mijne schapen rukken uit de hand Mijns Vaders" (Joh. 10 : 29). En wederom : „Vreest niet, gij klein kuddeken! want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven" (Luk. 12: 32). En wederom: „Dit is de wil des Vaders, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze" (Joh. 6 : 39). En: „Zijn (des Vaders) gebod is het eeuwige leven."
Wij zouden hier nog veel kunnen bijvoegen, om aan te toonen, hoe de Vader den Zoon, en de Zoon den Vader kent, en hoe de Vader en de Zoon dit aan de uitverkorenen o p e n - b a r e n , opdat ook zij den Vader en den Zoon kennen. Wij zouden er nog van kunnen spreken, hoe de Zoon door den Vader in den eeuwigen raad des vredes, dus vóór er nog iets geschapen was, gekend werd. Alleen de Vader wist, mot welke ambten Hij den Zoon zou bekleeden; alleen Hij wist, hoe Hij den Zoon zou zenden, nameljjk in gelijkheid des zondigen vleesches, en dat voor de zonde; alleen Hij wist, dat de Zoon Zich als een schuld en vlekkeloos Lam voor ons ten schuldoffer zou overgeven. Zoo ook wist alleen de Vader, dat Hij aan dezen Zijnen Zoon den Geest zou geven, om door dezen Geest verlorene zondaars door het waarachtig geloof met Hem te vereenigen. Alleen de Vader wist. dat deze Zoon zonder zonde alles zou tot stand brengen, wat God naar Zijn eeuwig voornemen voor de uitverkorenen had bereid. En zoo wist ook alleen de Zoon. welk eene oneindige liefde en groote barmhartigheid de Vader voor eene verlorene wereld had. Hij kende Zijn Vaderhart. Alleen de Zoon kende alle deugden en volmaaktheden des Vaders, die Hij Zich had voorgenomen te verheerlijken in allen, in welke Hij Zijnen Zoon zou openbaren, en de wijze, waarop Hij dit zou doen. Maar wij hebben opzettelijk gesproken van dat kennen, waarmee Zich de Zoon hoeft getroost in de dagen Zijns vleesches, toen geen der Joden Hem wilde kennen, en allen Hem miskenden, waarom Hij herhaaldelijk tot hen zeide: „Gij kent noch Mij, noch Mijnen Vader". Wij spreken van zulk kennen, dat alle menschelijk kennen uitsluit, zoodat het alleen vrije ontferming is, als ons daarvan iets tot onze zaligheid geopenbaard wordt en geopenbaard werd. O, welk eenen rijken troost putten alle kinderkens, alle vermoeiden en belasten uit de openbaring van zulk eene kennis! want daaruit weten zij, wat de Vader voor Zijnen Zoon, en in desen Zoon voor hen is, en wat de Zoon voor den Vader, en door don Vader voor hen is. O, hoezeer hebben wij reden, om met Johannes den Dooper te belijden: „En ik kende Hem niet" (Joh. 1 : 33), — hoezeer reden, om met alle begenadigden met een berouwvol en verbrijzeld hart te zeggen: „Hij had geene gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zoo was er geene gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht, en de onwaardigste onder de menschen". Ach, dat wij toch geene tjjden kenden, waarin wij het openlijk of in 't verborgen uitspreken in onze vijandschap tegen God: „Wijk van mij, want aan de kennis Uwer wegen heb ik geenen l u s t ! " Maar zoo dikwijls wij door de krachtige hand Gods verootmoedigd zijn, — maar zoo vaak Hij Zelf ons staande hield op onzen zondigen weg en ons Zijne genade liet hooren, — zoo vaak de Vader Zelf ons met kracht tot Zijnen Zoon trok, en dezen Zoon in ons openbaarde, — zoo dikwijls Jesus Christus Zelf al Zijne lankmoedigheid aan ons betoonde, ons niet verstiet, als wij tbt Hem kwamen, maar ons barmhartigheid schonk, en ons door Zijnen Geest het „Abba" leerde roepen, ons het „Onze Vader, Die in de hemelen zijt" leerde bidden, — zoo dikwijls leerden wij er iets van verstaan, hoe de Vader den Zoon, en hoe de Zoon den Vader kent, — hoe de Vader weet, Wie de Zoon is, en hoe de Zoon weet, Wie de Vader ie. Nog meer loeren wij daarvan verstaan, nog meer wordt ons daarvan geopenbaard, als wij bij voortgang de ellende onzer zonde meer en meer leeren kennen, deswege ten hoogste bekommerd worden, en er alle aanleiding voor ons is, om te bidden: „Neem uwen Heiligen Geest niet van mij". Want hoe zouden wij ooit verzekerd worden van onze zaligheid, ja meer nog: verzekerd blijven, vooral in de vele aanvechtingen en verdrukkingen, indien de Vader ons niet openbaarde, Wie de Zoon is, en wat Hij voor den Vader ons ten goede is, — en indien de Zoon ons niet openbaarde, wie de Vader is, en wat Hij voor zjjnen Zoon ons ten goede is. O, alleen de Vader kan ons het hart des Zoons jegens Hem en jegens ons ontsluiten. Door deze openbaring verstaan of ervaren wij eeuwige gunst, liefde, barmhartigheid, genade en goedertierenheid, macht en trouw, beide van den Vader en den Zoon, om ons voor eeuwig behouden en door dit leven heen geholpen te weten, zoodat wij in deze kennis alle zokerheid onzer zaligheid smaken, ook alle zekerheid hebben, dat wij vrucht dragen, gelijk de Heere Jesus heeft gezegd: „Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Yader is de Landman, — alle rank, die vracht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage", en: „Zonder Mij kunt gij niets doen '.
Daarom zijn ook de Apostelen van de openbaring dezer kennis zóó vervuld, dat zij niet kunnen ophouden den Gemeenten voor te houden, dat daarin al hunne zaligheid en al het vruchtdragen ligt. Van de vele bewijzen daarvan slechts deze drie: Col. 2 : 2 : „Opdat hunne harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Yader, en van Christus". — Col. 1: 10 en 11: „Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behaaglijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God". Vergelijk Ef. 1 : 17 : „Opdat de God van onzen Heere Jesus Christus, de Yader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijne kennis". — Eindelijk 2 Petr. 1 : 2 en 3 : „Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jesus, onzen Heere: gelijk ons Zijne Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd". Vergelijk hiermee, wat hjj verder zegt tot Vers 8.
Terwijl ik allen, die geen verlangen hebben naar de openbaring dezer kennis, verzeker, dat liet hun grootste ongeluk is, dat zij God, den levenden Vader, en Jesus Christus niet kennen, — betuig ik allen bedroefden, allen vermoeiden en belasten, dat zij de vergeving hunner zonden en de zekerheid hunner zaligheid volgens het Evangelie mogen gelooven, en dat, als zij tegen alles in gelooven, zij God zullen kennen, zullen kennen beide den Vader en den Heere Jesus Christus, Zijnen Zoon; en voor allen, in wier harten gebaande wegen zijn, besluit ik met des Ileeren onbedrieglijke belofte, die wij vinden Joh. 1 4 : 2 3: „Zoo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken".
Zalig zijn de kinderkens en dwazen, wier harten zijn deelachtig geworden de verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het Aangezicht van Jesus Christus! (2 Cor. 4 : 6.)

27 October 1861.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 september 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Het kennen van den Vader en den Zoon. (Betrachting over Mattlieüs 11 : 27.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 september 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken