Bekijk het origineel

HET CHILIASME, de leer van het duizendjarig rijk.1) ( 1e Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET CHILIASME, de leer van het duizendjarig rijk.1) ( 1e Gedeelte.)

10 minuten leestijd

Te allen tijde is er in de Kerk eene leer gehuldigd, welke men, ofschoon zij zich in verschillende gestalten vertoonde, aanduidde met den algemeenen naam van C h i l i a s m e , naar het Grieksche woord Chilioi, dat d u i z e n d beteekent en dat in Openb. 20 voorkomt, volgens hetwelk Christus duizend jaren regeert Op dezen tekst bouwde men verschillende leerstelsels aangaande de laatste dingen Aan al deze leerstelsels ligt éénzelfde hoop ten grondslag, nml. dat de Kerk te eeniger tijd hier op aarde een glanstijdperk beleven zal, hetzij dan als rechtgeloovige. historische Kerk, die zich altijd meer volkomen ontwikkelt, of als separatistische gemeenschap, die door uitwendigen druk en vervolging allengs rijp moet worden, om in staat te zijn, met Christus te heerschen over de ongeloovige wereld.
Omtrent het midden der 2d c eeuw schijnt de Kerk zoodanige verwachtingen algemeen gevoed te hebben, want Justinus Martyr zegt, dat er wel is waar rechtgeloovigen waren, die de hoop op eene aardsche volkomenheid der Kerk niet deelden, — hij zelf echter ziet in de handhaving dier leer zuiverheid des 1) Overgenomen uit het Amerikaansche maandblad „Der Reformirte Wachter", Garner, Jowa. (IId e Jaargang, No. 8.) geloofs. Wel vindt men in de schriften der zoogenaamde apostolische vaders, Clemens van Rome, Ignatius en Polycarpus, niet het geringste spoor daarvan, maar Irenaeus, die aan het duizendjarig rijk geloofde, beriep zich op getuigen, die de Apostelen van aangezicht tot aangezicht gezien hadden. De Montanisten waren Chiliasten; tot hen behoorde Tertullianus, die voorzeker niet zoo ver ging als zijne sekte, maar in deze woorden alleen eene geestelijke vreugde beloofd zag. In Egypte kwam het door het verschil in opvatting eenmaal zelfs bijna tot eene scheuring: toen bisschop Nepos, die zeer bijbelvast was, aanmerkingen maakte op de kunstig verzonnen uitlegging der profetische uitspraken, ontstond onder de gemeenteleden zoowel als onder de leeraars eene groote beweging, want men wilde zich een toekomstig r i j k v a n C h r i s t u s , v a n d e z e w e r e l d , niet laten ontnemen. Tot eene kerkelijke vaststelling van dit leerpunt, zooals van andere voorname leerstukken, kwam het niet. Het waren verwachtingen, die onder het volk sluimerden, door sommige leeraars versterkt, door andere bestreden, tot op den tijd dat de Christeljjke religie onder keizer Constantijn staatsgodsdienst werd. Augustinus heeft eerst ook nog aan eenen geestelijken wereldsabbat in de gemeenschap des Heeren geloofd, maar hij is spoedig van zijn ideaal teruggekomen, en met hem is langzamerhand het lot dezer leer beslist, wat reeds daaruit is te verklaren, dat die verwachtingen, welke toch slechts vleeschelijke verwachtingen waren, in de z i c h t b a r e h e e r s c h a p p i j der Kerk bevredigd geworden zijn.
In enkele kringen intusschen is het Chiliasme door de Middeleeuwen heen bewaard gebleven. Hadden de Papisten met hunnen aanhang hun duizendjarig rijk in hunne heerschappij over keizers en koningen, was de wereldschgezindheid met deze macht der zichtbare Kerk volkomen tevreden, zoo waren er toch ook nog genoeg, die met do komst van het beloofde rijk op eenen beteren toestand, eene reiniging en loutering hoopten; weder anderen verwachtten een rij k des Geestes, apostolische armoede, bezieling der liefde, navolging van het leven van Jesus, broederlijke gemeenschap, misschien eenen van God gezonden heiligen paus.
Gelijk alle daden Gods van buitengewonen aard eene beweging onder de menschen veroorzaken, zoo geschiedde het ook in de Hervorming; het komt er echter op aan, of de geesten der menschen zich buigen onder Gods Woord, en alzoo hunnen natuurlijken godsdienst en hunne vroomheid laten varen; slechts dan kunnen hun Gods daden ten zegen gedijen. De aardschgezinden, die vergeten, dat Christus' Koninkrijk niet van deze wereld is, grepen bij het wankelen van den pauselijken stoel een nieuw anker der hope aan; zij geloofden, dat ten slotte de val van dezen stoel ruimte maken zou voor het zoo vurig verbeide duizendjarig rijk van Christus. En het ontbrak niet aan pogingen, om den Heere den weg te bereiden, opdat toch ten minste bij Christus' komst een meer of minder goed begin zou gemaakt, ja wellicht de stichting van dat rijk door de heiligen reeds zou voltooid zijn, zoodat Christus Zijn rijk nog slechts had in bezit te nemen. De Wederdoopers hebben in 1534 te Munster dat nieuwe Zion met gemeenschap van goederen en vrouwen gegrondvest, en daarbij de schrikkeljjkste gruwelen gepleegd. Iets later heeft zekere David Joris het godsrijk te Munster verwoest, maar enkel wijl hij zelf de Christus (David) wilde zijn, wien alleen de oprichting van dat rijk toebetrouwd wan. De theosofen Paracelsus en Bühme schilderden het wederkeerend paradijs af' met eeuwige jeugd en volheid van goederen. Yalentijn Weigel sprak van eene zalige heerschappij van Christus in o n s , van eenen tijd, waarin er geene predikers en geleerden zouden zijn. Ez. Meth reisde rond en predikte de komst van het Nieuwe Yerbond des Heiligen Geestes, in hetwelk do wedergeborenen niet meer zondigen konden; de Geïnspireerd en togen van de Cevennen uit over een groot deel van Europa, rampen voorspellende en vrede predikende, waarbij zij aan de hevigste zinsverrukkingen ter prooi waren. De Labadisten gaven vóór 200 jaren eene verklaring hunner leer, waarin op de veelbelovende beginselen van Christus' rijk en de spoedige wederopbouwing der stad Jerusalem gewezen wordt; daar zou dan de bekeering der wereld beginnen. Dertig jaren later had Jane Leade in Engeland vertrekkingen van zinnen, en zij verzamelde geloovigen, die zich Engelenbroeders noemden, aan welke zij eene godskracht toezeide, waardoor zij bij de wederoprichting aller dingen grootere wonderen doen zouden, dan eens de Apostelen en Profeten. Den vromen Spener heeft men beschuldigd in den grond der zaak het Chiliasme te leeren, wijl hij hoopte op toekomstige betere tijden. Door den Berleburger Bijbel en de schriften van genoemde Jane Leade vond het Chiliasme bij schier alle gemeenschappen in de vorige eeuw ingang, terwijl ook geleerde, vrome mannen het huldigden en het in overeenstemming met de leer der Kerk zochten te brengen: Bengel, Oetinger, Stilling, Lavater waren Chiliasten. In het jaar 1845 heeft Prof. Delitzsch gezegd, dat de chiliastische verwachtingen van de wederkomst des Heeren de overtuiging zijn van elk geloovig Christen uit den tegenwoordigen tijd. Sedert 1832 hebben de Irvingianen ingang gevonden in Duitschland met hun geroep, dat het rijk der heerlijkheid op aarde nabij gekomen is. Ook maakten zich velen op naar het Beloofde Land, teneinde daar, zoodra de lang verwachte ure mocht aanbreken, tegenwoordig te zijn. Eene bijna gelijktijdige verschijning is het nieuwe Jerusalem der Mormonen in de Zoutmeerstad.
Onder de Protestantsche theologen van den jongsten tijd hebben Kurtz, Auberlen, Thiersch, J. P. Lange en Ebrard een zeker Chiliasme geleerd.


1) Overgenomen uit het Amerikaansche maandblad „Der Reformirte Wachter", Garner, Jowa. (IId e Jaargang, No. 8.)


Zoo verschillend de voorstellingen omtrent het duizendjarig rijk in het algemeen waren, zoo verschillend zijn ook de aanwijzingen omtrent zijn begin en zijnen duur. Het zijn meest berekeningen, die slechts op waarschijnlijkheid berusten en die met te meer vertrouwen geloofd worden, naarmate de berekeningen scherpzinniger zijn. De gewone opvatting der kerkvaders was, dat gelijk op de zes scheppingsdagen de Sabbat der rust gevolgd is, zoo ook na zes duizend jaren, van de schepping af gerekend, de groote Sabbat moest aanbreken, die natuurlijk ook duizend jaren zou duren, volgens liet Schriftwoord, dat bij den Heere een dag is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag Anderen hebben aldus gerekend: het rijk zou beginnen in het jaar 365 na Chr. of in het jaar 500; en toen daarvan niets kwam, d. w. z. toen de vleeschelijke verwachtingen niet vervuld werden, zou het jaar 1785 het verlangen bevredigen, en toen ook dat teleurstelde, zou volgens Bengel 1836, volgens Jung Stilling 1816, volgens Sander 1847 het begin van het duizendjarig rijk zijn. Weder anderen verdeelden de kerkgeschiedenis in perioden, die tijdmaten zouden wezen, en zoo kwam het getal tusschen 1879 en 1857. Hoelang zou het intusschen duren? 500 jaren, 100 jaren, 2000 jaren, die op elkander volgen zouden tweemaal duizend jaren................... dat alles moeten wij gelooven !
Uit de tallooze meeningen over degenen, die de uitverkorenen van dat rijk zullen zijn, geven wij slechts eene bijna overal verbreide opvatting. Het vleeschelijk Israël zal volgens deze zich bekeeren, weder naar Kanaiin trekken of teruggevoerd worden en zoo van Zion uit als het heerschappij voerende volk Gods aan de spits der menschheid staan; het zal de kern en. het middelpunt van Christus' rijk zijn. De natuur zal met nieuwe heerlijkheid bekleed worden. En zoo zal, hetgeen in het rijk van David en Salomo slechts afgebeeld was, nu werkelijk aangebroken zijn, t. w. een rijk des vredes en der heerlijkheid op aarde, wijl Christus persoonlijk in het midden der Zijnen regeeren zal. Natuurlijk zal dit slechts een overgangstoestand zijn, want de eeuwige zaligheid is van het duizendjarig: rijk nog onderscheiden. De geloovigen zullen in den omgang met den Heere tot onsterfelijkheid geraken, naardien het zedelijk onvolmaakte allengs wegvalt. Bij deze leer moet men tot de gevolgtrekking komen, dat wanneer de Heere lichamelijk in het duizendjarig rijk op aarde woonde, de reeds gestorveneheiligen in den hemel zonder Zijne zalige tegenwoordigheid zouden zijn, maar men helpt er zich uit, door te zeggen, dat Christusvan tijd tot tijd een bezoek in den hemel brengt, en dat Hij gedurende Zijne afwezigheid het rijksbestuur laat waarnemen door eenen nakomeling van David.
Hoe ziet het er nu in dit hersenschimmige rijk uit? hoewordt daar geleefd? Het is een dagelijks vernieuwd bruiloftsmaal met heerlijke spijzen en de schatten van eenen Croesusaan goud en edelgesteenten, het is eene heerschappij over de tot slaven gemaakte Heidenen. Bronnen, van melk en honig en wijn overvloeiende, buitengewone vruchtbaarheid der natuur en der nakomelingschap worden in 't vooruitzicht gesteld. Waar men niet zoo zinnelijk te werk wil gaan, wordt ons engelenbrood beloofd en de „voortplantingskracht der liefde Gods" voorgespiegeld. Volgens anderen is de voortplanting in het geheel niet meer noodig, wijl de stoffelijke natuurorde volkomen opgeheven is. Het grondkarakter van het rijk zal (naar Joh. Peter Lange), in overeenstemming met het verheerlijkte lichaam van Chrietus, een „geestelijk-lichamelijk zijn, d. w. z. een feestelijk werken en eene eeuwige rust". De afgodendienst is afgeschaft; in de plaats daarvan treedt eenheid en geestelijkheid der Godsvereering, erkentenis der waarheid en aanschouwing der Godheid zonder beelden. Volgens Ebrard en Lavater is men zoo ver nog niet, maar er wordt geijverd voor de zending onder Joden eu Heidenen; de uitverkorene rijksgemeente zal dit als hare voornaamste roeping beschouwen. Men zou nog eene menigte voorbeelden kunnen aanvoeren, om de staalkaart der verwachtingen van het duizendjarig rijk vollediger te maken De beroemdste en geleerdste theologen van onzen tijd hebben hunne bouwsteenen voor den tempel der phantasie geleverd, opdat de Babelstoren toch tot stand mocht komen; z i j h e b b e n de K e r k hetgeen haar voor de voeten ligt in het n e v e l a c h t i g v e r s c h i e t leer e n z o e k e n.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

HET CHILIASME, de leer van het duizendjarig rijk.1) ( 1e Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken