Bekijk het origineel

HET CHILIASME, de leer van het duizendjarig rijk, (2 de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET CHILIASME, de leer van het duizendjarig rijk, (2 de Gedeelte. — Slot.)

13 minuten leestijd

Uit hetgeen in het voorgaande gezegd is, blijkt, dat er é é n e g r o n d g e d a c h t e is, die op onderscheidene en menigvuldige wijze te voorschijn treedt, nml. eene v 1 e e s c h e l i j k e , a a r d - s c h e v e r w a c h t i n g , in tegenspraak met het woord van Christus: „ M i j n K o n i n k r i j k is n i e t v a n d e z e w e r e l d ", en: „ H e t K o n i n k r i j k G o d s k o m t n i e t met u i t e r l i jk g e l a a t " . Het is ongeloof en bijgeloof in zijnen gevaarlijksten vorm, daar het zich kleedt in het gewaad der Christelijke hoop, evenalB het ongeloof, dat eenmaal Christus verworpen heeft en dat toch ook ten strijde getogen was onder de banier van de hope Israëls. De tweede Helvetische Geloofsbelijdenis (Conf. Helvet. II, door H. Bullinger) slaat den spijker op den kop, als zij in de l i 1 " Afdeeling zegt: „ W i j v e r o o r d e e l e n de Joodsche droomen, d a t er v ó ór d e n o o r d e e l s d a g een g o u d e n t i j d p e r k op de a a r d e zal a a n b r e k e n en d a t de v r o m e n na o n d e r - d r u k k i n g h u n n e r g o d d e l o o z e v i j a n d e n het r i j k der w e r e l d z u l l e n i n n e m e n , want de E v a n g e l i s c he w a a r h e i d en de l e e r der A p o s t e l e n t o o n e n ons g a n s c h a n d e r e d i n g e n " . Joodsche droomen zijn het voorwaar, al hebben zij ook eenen Christelijken schijn, want Israël verwachtte met eene vaste hoop den Gezalfde als den Heerscher der wereld, en het wilde van een rijk, dat g e l o o f d m o e t w o r d e n, maar niettemin w e z e n l i j k is, niets weten, vooral in de dagen, toen de Heere in knechtsgestalte was en van Zijn Rijk op aarde deze dingen verkondigde. Het volk zou zich nog hebben laten tevredenstellen, indien onze Heiland als Profeet het heerlijke, aardsche rijk voor latere geslachten aangekondigd had, want dan had hunne verwachting niet gefaald en z i j waren de wijzen gebleven. Men zegt wel, dat de toestand van uitwendigen druk en kwelling voor de Christenen in den vervolgingstijd een vruchtbare bodem voor chiliastische verwachtingen geweest is, maar zou het niet veel meer voor de hand gelegen hebben, zich te troosten met de verlossing van alle ellende, te meer daar de verdrukten voor zichzelven weinig nut konden trekken uit dingen, die eerst na eeuwen verwezenlijkt zouden worden? N e e n , m e n g e l o o f d e en g e l o o f t n i e t , d a t de d u i v el o v e r w o n n e n is, d a t h e t K o n i n k r i j k G o d s g e b o u wd is, dat de heilige stad Gods als eene versierde bruid volmaakt voor haren Bruidegom staat; men wil alles z i e n , al is het dan ook in de verwachting voor latere tijden, wijl eigenlijk nog geene volle waarheid zou zijn, hetgeen ons beloofd is. Wel heeft men zulke chiliastische verwachtingen met Bijbelteksten trachten te bevestigen en te versieren, maar deze staan als gouden kronen op het hoofd dergenen, die narrenkleèren dragen.
Bij de beoordeeling van godsdienstige vraagstukken mogen wij niet vergeten, dat Gods Woord zichzelf niet wederspreekt. Hen, die eene Paulinische, eene Johanneïsche en eene Petrinische opvatting, een wettisch en een evangelisch Christendom, eenen oud- en eenen nieuwtestamentischen heilsweg aannemen, laten wij voor hetgeen zij zijn, en twisten met hen niet, dewijl hun standpunt ten eenenmale verkeerd is. Gelijk de Heilige Schrift van liet begin tot het einde slechts é é n e gerechtigheid kent, die voor God geldt, zoo leert zij ook slechts é é n e waarheid omtrent de laatste dingen. Naar Matth. 25 : 31 vv. is de wederkomst van Christus geene andere als ten wereldgerichte; hieraan gaat vooraf algemeene afval: goddeloosheid, die de overhand verkrijgt, vleeschehjke zekerheid en verleiding in de bedrieglijkste gestalte. Geene rust en genot, maar haat en vervolging zal het lot der Christenen zijn. Het zou echter eene ongehoorde tegenstrijdigheid zijn, als men al dat heerlijke, wat in de voorspellingen van de heerlijkheid van Christus' Rijk aangekondigd is, in eenen tusschentijd, t. w. v ó ór het wereldgericht en na onzen tijd, moest plaatsen. Wij verwijzen o. a. naar Ps. 45 on 72, Jes. 9 en 11, Jer. 23 en 33, Ezech. 17, Hos. 2 en andere plaatsen, waaide grootste heerlijkheid voorzegd is. „Dochters van koningen zijn onder uwe kostelijke staatsdochteren. Des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig. In Zijne dagen zal de rechtvaardige bloeien en de veelheid van vrede. Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult den Heere kennen. Ik zal zeggen tot dien, die niet Mijn volk was: Gij zijt Mijn volk; en het zal zeggen: Gij zijt onze God. Alle schoeisel (zóó is de juiste vertaling van Jes. 9 : 4 ) en alle kleederen zullen in het bloed gewenteld en verbrand worden tot een voedsel des vuurs, w a n t een K i n d is ons g e b o r e n En de wolf zal met het lam verkeeren, — een zuigeling zal zich vermaken over het hol van eenen adder, — men zal nergens leed doen noch verderven op den ganschen berg Mijner heiligheid, want de aarde zal vol zijn van kennis des Heeren. Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik aan David eene rechtvaardige Spruit zal verwekken ; Die zal, Koning zijnde, regeeren en voorspoedig zijn en recht en gerechtigheid doen op aarde. In Zijne dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn Naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De Heere onze gerechtigheid." Ook spreekt Amos (Hoofdst. 9) van de verwoesting des tempels, maar zegt ook, dat t e r z e l f - d e r t i j d de vervallene hut Davids weder opgericht zal worden. In al deze plaatsen is sprake van Christus en Zijn Rijk ; de beloften dienaangaande zijn in verhevene beelden gekleed, zij behoeven evenwel niet eerst nog vervuld te worden, maar z i j n vervuld, naar 2 Cor. 1: 20, want daar getuigt dezelfde Heilige Geest, Die door de Profeten gesproken heeft: „ W a n t z o o v e l e b e l o f t en G o d s als er z i j n , die z i j n in H e m — dat is in C h r i s t u s , — j a en z i j n in H e m a m e n , G o d e tot h e e r l i j k h e i d d o o r ons".
In dergelijke verheven beelden spreekt de Heilige Geest ook in de Openbaring van Johannes, om ons geestelijke dingen voor te houden, opdat zij ons dienen tot troost en onderrichting, maar met allerlei kunstige berekeningen, op de letterlijk opgevatte getallen toegepast, komt men niets verder. Wat zou er worden van het woord des Apostels: „Kinderkens, het is de laatste ure", als die ure een uur van 60 minuten moest beteekenen; die het door hem geschrevene ontvingen, zouden die ure niet eens gezien hebben, wanneer op het oogenblik, dat de Apostel daarover schreef, die laatste ure van 60 minuten aangebroken was. Alle profetieën der Schrift doelen op Christus en Zijn Rijk. Met Zijne hemelvaart en Zijne e e r s t e k o m st ten gerichte over de tot eene hoer gewordene stad Gods (de verwoesting van Jerusalein in het jaar 70) is de laatste ure gekomen, de ure, waarin alle heerlijkheid van Christus onder Zijn uitverkoren volk aanwezig is, en wel door Zijn heilig Woord, — de ure, waarin dat volk gansch verheerlijkt is i n w e n d i g , waarin voor eene vleeschelijke, aardsehe heerlijkheid geene verwachting is, waarin integendeel de arme bruid van Christus in de voorteekenen des gerichts het onderpand heeft, dat haar Heer ten eindgerichte komt, om te oordeelen de levenden en de dooden.
Het getal d u i z e n d is een symbolisch getal en beteekent eene overvloedige volheid, eenen rijkdom en een afgesloten geheel, eene volkomenheid, zooals blijkt uit andere plaatsen der Heilige Schrift, waar dit getal gebruikt wordt, bijv.: „Gij doet barmhartigheid aan d u i z e n d e n " ; „de Heere komt met Zijne vele d u i z e n d heiligen"; „één zal er d u i z e n d jagen"; „zoo de men8ch lust heeft, om met God te twisten, niet één uit d u i z e n d zal hij Hem beantwoorden". Ook wjj gebruiken in het dagelijksch leven het woord d u i z e n d , wanneer wij willen doen denken aan eene groote som of aan een groot getal, tevens een rond getal. Derhalve beteekent dit getal de g r o o t e, r i j k e , h e e r l i j k e , maar b e p a a l d e t i j d r u i m t e t u s s c h en de v o l e i n d i n g van het v e r l o s s i n g s w e r k door C h r i s t u s en Z i j n e w e d e r k o m s t ten e i n d g e r i c h t; zij is er intusschen voor degenen, die dat Rijk g e l o o v e n , wijl het in Christus werkelijkheid is; die het gelooven, zonder dat het als rijk v a n d e z e w e r e l d te voorschijn treedt; en dezen hebben leering geput uit het gericht, dat kwam over het Joodsche volk in zijne vroomheid, wettisch drijven, eigene gerechtigheid en heiligheid, — het volk, dat altijd gehoopt heeft, en toch door het verderf werd overvallen.
Hoe laat zich dit echter overeenbrengen met het g e b o n d en z i j n van den Satan gedurende duizend jaren? Schijnt het niet, alsof alle duivelen los zijn en altijd meer los komen? De duivel heeft zijn werk in de kinderen des ongeloofs; ook in velen dergenen, die zich het geloof aanmatigen, op hun kindschap roemen en zich een duizendjarig rijk naar hunnen zin scheppen, om de goddelooze wereld aan hunne voeten te zien Hij heeft zijn werk bovendien in hen, die het er voor houden, dat hij nog niet gebonden is, die zich vermoeien in de veelheid hunner wegen, opdat de Satan toch gebonden worde. Johannes schrijft intusschen aan de jongelingen, dat zij den booze overwonnen h e b b e n , — natuurlijk omdat zij het levende Woord geloofd hebben, dat der slang de kop vermorzeld i s, en: „Ons geloof is de overwinning, die de wereld overwint", overwonnen heeft. Indien men denken moest aan een werkelijk binden aan handen en voeten, — welke touwen of ketenen zouden sterk genoeg zijn, om den „menschenmoorder van den beginne ' in bedwang te houden?! Er is s l e c h t s één m i d d e l om h e m o n s c h a d e l i j k te m a k e n , en dat is de heers c h a p p i j van het W o o r d G o d s ; w a a r de g e l o o v i g en z i c h aan het W o o r d h o u d e n , d a a r is h i j g e b o n - d e n ; w a a r e c h t e r de C h r i s t e n h e i d het onbedrieglijke W o o r d v e r l a a t en op v r o m e b e v i n d i n g e n en erv a r i n g e n b e t r o u w t , daar wordt hij losgelaten; — zulks zal echter vooral in den laatsten tijd geschieden. De Heere laat hem los tot een oordeel over de afgevallene Christenheid, die zichzelve leeraars verkiest naar hare begeerlijkheid ; wanneer de profeten droomen vertellen, en men niet meer weet, wat tarwe en wat kaf is, of beide met elkander vereenigen wil, — wanneer dus het w a a r a c h t i ge W o o r d G o d s er n i e t m e e r i s , en de keten dus gebroken is. Dan zouden ook de uitverkorenen verleid worden, indien het mogelijk ware. Doch de Heere verkort deze dagen. Ter ure, dat men het niet verwacht, als zij spreken: „Er is geen gevaar", en zij zich opmaken over de breedte der aarde, om te omsingelen de legerplaats der heiligen, de heilige stad, het ware Jerusalem, waar de miskende maagd, de verachte en geringe bruid, die slechts inwendige heerlijkheid heeft, ten dood» toe verdrukt wordt, valt het vuur van God uit den hemel, — het gericht is daar! (Openb. 20 : 9.) Wij leven in het duizendjarig Rijk, en het is weldra ten einde. Wie het anders verwacht, voedt Joodsche droomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

HET CHILIASME, de leer van het duizendjarig rijk, (2 de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken