Bekijk het origineel

Overdenking van Psalm 22 : 23. (2e Gedeelte. — Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Psalm 22 : 23. (2e Gedeelte. — Slot.)

„Ik zal Uwen Naam Mijnen Jbroederen vertellen; in het midden der Gemeente zal Ik U prijzen."

12 minuten leestijd

Overwegen wij thans, w i e n d e z e v e r k o n d i g i n g van onzen hoogsten Leeraar en Profeet g e l d t , w i e n z i j ten g o e d e k o m t . Onze Heere zegt: „Ik zal Uwen Naam Mijnen b r o e d e r e n vertellen". Het is waar, de verkondiging van den wil en raad Gods onzer zaligheid zou het eerst komen en is in de eerste plaats gekomen tot Christus' broederen naar het vleesch, daarna tot de Heidenen; toch doet zich de vraag op: vond deze Profeet inderdaad broederen, ware medegenooten, om zich met Hem te verblijden in den Naam des Heeren? zou Hij, Die door God gezalfd is met den Heiligen Geest, de Eengeborene des Vaders, onder zondaren de zoodanigen vinden, die Hij, de Heilige, broeders kon noemen. Antwoord op deze vraag hebben wij in des Apostels getuigenis Hebr. 2 : 1 1 en 12, hetwelk luidt: „En Hij, Die heiligt, èn zij, die geheiligd worden, zijn allen uit Eén; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen, zeggende: Ik zal Uwen Naam Mijnen broederen verkondigen, in het midden der Gemeente zal Ik U lofzingen".
Onder de zondaren op zichzelven aangemerkt vond Hij dus geene broederen; maar Zijne prediking van den Naam des Heeren, Zijne ontvouwing van het Evangelie van het genadeverbond Gods, de openbaring van het heil des Heeren in en door Hem, verklaarde en maakte zondaren rechtvaardig, heilig en zalig. Naar dien eeuwigen vrederaad heeft God de Vader Hem, den Zoon, broederen verwekt, broederen uit hen, die kinderen der ongehoorzaamheid en des toorns waren, die het Vaderlijk huis moedwillig verlaten hadden, om hun Vaderlijk goed te verkwisten in den vreemde en door te brengen in den dienst der zonde en des duivels.
Zoo legt dan deze van God gezegende Profeet, naar het genadig bestel van den eeuwigen Ontfermer, den Naam des Heeren op menschen, die Gods vijanden waren, en verklaart hen daarmede tot Zijne vrienden. Een kind des duivels is nu Gods kind en erfgenaam. Verlorene zonen zijn weêrgebracht in het huis des Vaders. Door het eeuwig voornemen der genade zijn dienstknechten der zonde door en in Christus Jesus tot Zijne broederen geheiligd. — Heerlijk ambt, dat Profetisch ambt van Christus! Daarin komt Hij met het Evangelie van het genadeverbond Gods tot zondaren, die vijanden zijn van God en Zijne genade, tot menschen, die zich verderven op hunnen weg der goddelooze en vrome werken, — op het pad der zonde en der eigengerechtigheid, — en Zijn Woord gaat uit Zijnen mond met onweerstaanbare macht, allen tegenstand verbrekend; en door Zijne alles overweldigende liefde, door Zijne almachtige hand worden de steenen harten verbrijzeld; de hoogmoedige mensch wordt vernederd, en bekent: „De Heere is God!" en smeekt om ontferming. Zoo werkt het Evangelie van Jesus Christus met Goddelijke kracht in de harten van verlorene zondaars en zondaressen, en verheerlijkt de genade Gods, Die wederhoorigen bij Zich wil doen wonen, Die Zijnen hemel opent voor wie de hel verdiend hebben. Zoo bewerkt dit Evangelie, dat wie nog pas te voren den Naam des Heeren smaadde, voortaan in dien Naam zijne vreugde en eere, zijn eenig heil en eeuwige zaligheid heeft. En dat bereikt onze Profeet Christus bij den een langs dezen, bij den ander op genen weg. Hij kent Zijnen tijd, Zijne wijze en ure, en Hij heeft de omstandigheden in Zijne hand. Zoo worden uit alle geslachten, talen, tongen en natiën vergaderd in éénigheid des waren geloofs allen, die ten eeuwigen leven verkoren en giroepen zijn; zij worden door Zijn Woord en Geest gerukt lit de macht des Satans en overgezet in Gods heerlijk Koninkrijk. Geroepen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, verkondigen zij Zijne deugden, en zullen zich den ganschen dag verblijden in den Naam des Heeren. Als zonen van hetzelfde huis zullen zjj als broeders samenwonen, verbonden door de eeuwige liefde Gods in Christus Jesus, onzen Heere.
Dat Evangelie is en wordt ook ons verkondigd. Het roept luide, dat er bij den Heere onzen God genade is voor den allersnoodsten zondaar. Het predikt verzoening en verlossing van zonde en schuld, vrede en leven, eeuwige behoudenis om niet, uit eeuwige, vrije ontferming in Christus Jesus. Wie niet hoort naar Zijne stem, wie Zijn getuigenis versmaadt, die zij gewaarschuwd! er staat geschreven: „Het zal geschieden, dat alle ziel, die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke". Voorwaar, zonder dezen Profeet zijn wij verloren, voor eeuwig verloren! Wie echter naar dezen Profeet hoort, dien zegt Hij eeuwige zaligheid toe; dien verzekert Hij eene woning in het huis Zijns Vaders in de hemelen. O, waarachtig is Zijn getuigenis. Wij kunnen er staat op maken. Hij heeft het verzegeld met Zijn bloed. Niet alleen heeft Hij den raad en wil Gods van onze verlossing geopenbaard, maar ook volbracht. „Eén met den Vader, heeft Hij, de Zoon, Zicli voor het verlorene in de verlorenheid doen nederzinken, opdat Hij weder met de verlorenen in volkomene zegepraal tot Zijnen Vader zou opvaren." O, heerlijk, heerlijk Evangelie voor al het ellendige en arme volk, dat op den Naam do Heeren hoopt, dat volk, dat de schepping is van Gods eeuwige liefde.
D i t E v a n g e l i e v e r h e f t dan ook a l l e e n de e e r e G o d s. Christus, als Profeet verkondigende den Naam des Heeren, bedoelt Diens verheerlijking. Immers, Hij spreekt: „ln het midden der Gemeente zal Ik U prijzen". Hij heeft niet Zijne eigene eer op het oog, maar steeds en in elk opzicht zal de Zoon den Vader verheerlijken. O, als Hij in de dagen Zijns vleesches de ongerechtigheid bestrafte, den huichelaar ontmaskerde, zos handhaafde Hij daarmeê des Vaders eere, Gods heilige Wet, Zijne waarheid en gerechtigheid. Als Hij Zijne discipelen, in hun ongeloof en onverstand ten aanzien van de dingen van Gods Koninkrijk, in de hardheid hunner harten met geduld, in liefde droeg, — als Hij niet ophield hun den Naam des Heeren, den Naam Zijns Vaders, bekend te maken, — zoo was het, om hun oog en hart te openen voor Gods eeuwige liefde en goedertierenheid, opdat zij Hem zouden loven en prijzen als Dengene, die Zich ontfermt over het verlorene. En als Hij voor het oog Zijner jongeren de melaatschen reinigde, de dooven hoorende, de blinden ziende maakte, kranken genas, aan dooden het leven gaf, — dan deed Hij dat alles, opdat in de Gemeente God verheerlijkt zij; opdat al het volk zou moeten bekennen: God alleen is groot. Zijn Naam is heilig en geducht, Hij is barmhartig on genadig. — En zóó heeft Hij volgehouden en niet gezwegen. — ofschoon ook al de machten der hel tegen Hem woedden, — om den Naam Gods Zijns Vaders te verheerlijken. Ja, dien Naam heeft Hij geprezen, geëerd, verheerlijkt aan Zijn kruis, als Hij vior de overtreders gebeden heeft, en Zijne ziel heeft uitgestort in den dood tot eenen losprijs voor velen. O, in heel Zijn leven en strijd op aarde, in Zijn lijden en sterven heeft Hij klaailijk getoond, dat Gods eere in het behoud van zondaars Zijne eere. Zijne blijdschap en kroon was. — De duivel had booie en verkeerde gedachten over God in des menschen hart gewonen en kweekte slechts vijandschap tegen God en Zijne heerichappij; onze Profeet Christus komt en laat alle leugen en geweld der hel op Zich aanstormen, en onder smaad en spot, in schande en vervloeking houdt Hij Zich vast aan God, aan Zijn Woord, aan Zijne waarheid, aan Zijnen wil, en — overwint, overwint zonde en dood, wereld en duivel; en Hij verwerft aldus en schenkt aan al de Zijnen Zijnen Geest, opdat zij de kwade gedachten over God afleggen, en, tot den Heere bekeerd, bekennen de groote liefde, waarmede Hij hen liefgehad heeft, — opdat zij lofzingen Zijnen Naam en spelen op de harp huns harten: „Looft den Heere, want Hij is goed; want Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid!"
Nog eens: „In het midden der Gemeente zal Ik U prijzen", zegt Christus. Als Hij hier op aarde Zijne discipelen leerde, en aanzat met de tollenaars en zondaars; als Hij hun daar sprak van de liefde Gods, van Zijn genadeverbond, en hun het hart Zijns Vaders openbaarde, dat met eeuwige liefde vervuld is voor den verloren zoon; als dan een in zonde en dood verlorene, getroffen in de ziel, uitriep: „Is er en hoe is er genade ook voor mij ?" zie, als dan deze door God gezondene Profeet hem het Goddelijk, eeuwig troostwoord toeriep: „Mijn zoon, wees welgemoed! uwe zonden zyn u vergeven!" wat anders was dit, dan God prijzen en verheerlijken in Zijne Gemeente? O, het is een lof, waarvoor de hel verstommen moet. Het is de verheerlijking van den Naam des eeuwigen Ontfermers.
En nu merken wij ten slotte op, h o e de G e m e e n t e v an C h r i s t u s de w o o r d e n Z i j n e r g e t u i g e n i s H e m naz e g t . Daar Israëls zanger gedragen door den Heiligen Geest deze woorden Gode betuigde, hebben wij, zooals is aangetoond, ze in de eerste plaats als woorden van Christus te verstaan, Die in en door David sprak. De Geest van Christus echter leerde ook Zijnen knecht en leert Zijne gansche Gemeente Ilein ze na te zeggen. Als Zijn Goddelijk licht de Zijnen bestraalt, en zij door Hem hooren en in Hem zien, Wie en wat God voor hen is, hoe Hij in eeuwige liefde hen heeft opgezocht in hunnen dood, en van eenen troon der genade hun toespreekt: „Ik, Ik ben het, Die uwe overtredingen uitdelg om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet", en: „Gij zult niet sterven, maar leven", — o, dan kan het niet anders, of de ziel begint te loven des Heeren Naam en te vertellen Zijne werken. Als daar van de lippen van hunnen door God gezalfden Profeet woorden van genade en eeuwig leven vloeien en dalen diep in de ziel, — zeker! dan wordt de tong losgemaakt en een lof- en danklied Gode toegezongen; en zij spreken in gemeenschap met Hem: „Ik zal Uwen Naam den broederen vertellen; in het midden der Gemeente zal ik U prijzen".
En och, dat gaat zoo eenvoudig toe. Onze Profeet Christus spelt der ziel den Naam des Heeren voor, en zij zegt het Hem na. en het luidt: „Abba, lieve Vader!" En dan, bij de openbaring van dit heilgeheim, dan gaat het haar, zooals het in een der Psalmen heet: „Komt, hoort toe,- o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijne ziel gedaan heeft" (Ps. 66 : 16). Ja, ook de broeders, d. z. de broeders en zusters, de armen en ellendigen, die in banden des doods, in angsten der hel gezeten zijn, — de arme zondaren, die het leven niet in eigene hand kunnen houden. — zij moeten het weten, dat des Heeren Naam Ontfermer is, dat Hij van zonde, dood en duivel verlost, dat Hij genade, gerechtigheid en eeuwig leven geeft aan doodschuldigen; zij moeten mede vroolijk gemaakt zijn, opdat er een gemeenschappelijk loven en prijzen zij in de Gemeente, opdat des Heeren huis weêrgalme van Zijnen lof. En neen, hier geldt het niet den eigen naam, — die is te gronde gegaan; hier geldt het niet den lof van onze vrome werken, — deze zijn er niet; maar het luidt uit hart en mond: „Niet ons, niet ons, o Heere! maar Uwen Naam geef eere!"
Is het nog noodig te zeggen? tot dit getuigen, dit lofzingen en prijzen van 's Heeren Naam komen wij niet uit onszelven ; maar het wordt geleerd op de school van onzen hoogsten, eenigen, eeuwig gezegenden Profeet Christus Jesus. Hij leert het ons door Zijnen Geest en Zijn Woord, bij aanvang en voortgang. Op Zijne school moeten wij blijven ons leven lang; wij worden hier nooit uitgeleerd. Maar wel heeft Hij alle geduld en moeite, otn ons bij Zijn getuigenis te bewaren. En des duivels leugenen en 's werelds schijnwaarheid en onze eigenwijsheid zijn de vijanden, die ons onophoudelijk bestrijden. Menigmaal schijnt het, aisof zij het gewonnen hebben, en in de Gemeente Gods dreigt de lof van den Naam des Heeren, d. i. van Zijne waarheid en gerechtigheid, van Zijne genade en trouw, te verstommen ; — de oprechte zucht en beeft, — nochtans geen nood! Onze Profeet, machtig in woorden en werken, heeft aan Zijne Gemeente deze belijdenis aangaande Hem geleerd: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods". Heeft Hij haar daarmede niet gezegd: Gij zult niet wankelen in eeuwigheid? Immers ja! want zóó heeft Hij gesproken: „De poorten der hel zullen haar niet overweldigen". Welnu, Zijn Woord is waarachtig; Zijn werk volkomen; eeuwig zal het bestaan. Zalig elk, die naar Hem hoort, die bij Zijn getuigenis volhardt! Deze mensch spreekt in zijn hart en roemt het voor God en menschen: „Zonder U, o Heere Christus, mijn Leeraar en Profeet, ben ik verloren; Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. Gij zijt mijn heil alléén. Geloofd zij de Naam des Heeren, van eeuwigheid tot eeuwigheid!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Overdenking van Psalm 22 : 23. (2e Gedeelte. — Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken