Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van de Heidelbergschen Catechismus (Inleiding)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van de Heidelbergschen Catechismus (Inleiding)

„Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling."

18 minuten leestijd

Naar aanleiding van bovenstaande woorden van den Apostel Paulus gedenken wij, - alvorens te beginnen aan eene verklariug van den Heidelbergschen Catechismus, het dierbare leerboek en belijdenisschrift van onze naar Gods Woord gereformeerde Kerk, — de mannen, die, als voorgangeren in het geloof, dat ons zalig maakt, dit geschrift hebben opgesteld.
Drie helden Gods worden ons als opstellers van onzen Heidelbergschen Catechismus genoemd: keurvorst F r e d e r i k I II van de Palts, bijgenaamd de Vrome, en de Godgeleerden Z a c h a r i a s U r s i n u s en C a s p a r O l e v i a n u s.
Frederik III, die als Paltsgraaf van Simmeren in het jaar 1559 den overleden keurvorst Otto Hendrik opvolgde, vond de Kerk van het land, dat hij moest regeeren, hevig beroerd door godsdiensttwisten, o. a. over de leer van het Heilig Avondmaal. Keurvorst Frederik zocht raad bij den door hem hooggeachten Hervormer Melanchthon, een geboren Keurpaltser. Deze ried hem aan, bij de bediening van het Heilig Avondmaal de woorden van Paulus (1 Cor 10: 16): „Het brood, dat wij breken", enz. in te voeren, hetgeen hij ook deed. Ook schafte hij de nog uit het pausdom overgebleven altaren, crucifixen en doopvonten in de kerken af, en voerde de Duitsche Psalmen in ter vervanging van het voor het volk onverstaanbare Latijnsche koorgezang. Als een door Gods Geest bestuurd vorst ging het hem vóór alles om de geestelijke welvaart van zijn volk. Zeer spoedig zag hij in, dat de genoemde hervormingen niet voldoende waren, alsook dat de kleine Luthersche Catechismus, die tot dusver in gebruik was, niet toereikend was voor het onderwijs, maar dat er behoefte was aan een deugdelijk leerboek, dat den grond legde voor eene zuivere Godsvereering in Geest en waarheid. Het was noodig, dat de gronden voor eene zoodanige Godsvereering en de bevestiging daarin voor rijk en arm, voor oud en j o n g werden aangegeven. Want de leer der waarheid is en blijft eene leer der Godzaligheid. In onze dagen gaat de giftige adem van den antichrist. door de wereld: niet de leer, niet het geloof is thans de hoofdzaak, maar het zoogenaamde zedelijke of ethische gevoel. En dit maken do moderne, afgevallen geesten bovendien nog los vau de Heilige Schrift en, de leer verwerpende, richten zij eene zedelijkheid op zonder hart en ziel. Want de ware zedelijkheid groeit alleen op den bodem der Christelijke leer. Dit laatste zag ook Frederik de Vrome in. Daarom dacht hij or over, eenen Catechismus voor jong en oud op te stellen, die ook van de ervaringen, die sedert de Hervorming door de VVederdoopers, Schwenkfeldianen en Luthersche Ubiquitisten ') gemaakt waren, partij trok, en hunne ketterijen weerlegde, en derhalve de zuivere en volle waarheid der Heilige Schrift bracht. Dat was geene gemakkelijke taak, zooals de keurvorst, die door het ijverig lezen van de theologische strijdschriften van zijne dagen en door eene voortdurende studie van den Bijbel eeno grondige theologische kennis had verkregen, zeer wel begreep. Na rijp beraad droeg hij dit werk op aan de beide professoren in de Godgeleerdheid Dr. Zacharias Ursinus en Dr. Caspar Olevianus. Eerstgenoemde, een uitstekend geleerde, Breslauer van geboorte, had om zijne godsdienstige overtuiging zijn vaderland moeten verlaten en had eenen werkkring gevonden aan de hoogeschool te Heidelberg. De laatste, geboortig uit Trier, had in Frankrijk en Genève als een dankbaar leerling van den grooten Hervormer Calvijn de heilige Godgeleerdheid gestudeerd, vervolgens had hij in zijnen vurigen ijver voor de zaak zijns Heeren zijne vaderstad voor een groot deel daarvoor gewonnen, maar eindelijk had hij in den strijd tegen den airtsbisschop en keurvorst het onderspit moeten delven en tien weken om Christus' wil in de gevangenis moeten doorbrengen, waaruit hij slechts op voorspraak van hooggeplaatste personen, o. a. van keurvorst Frederik III van de Palte, verlost was. Deze stelde nu in het begin van het jaar 1560 Olevianus aan als leeraar aan het „Collegium sapientiae''. Maar reeds na verloop van een jaar werd hij om zijne bekwaamheid bevorderd tot professor in de dogmatiek aan de hoogeschool te Heidelberg. Met zijnen hooggeëerden leermeester Calvijn onderhield Olevianus eene levendige briefwisseling; in alle moeielijke kwestiën zocht hij bij hem raad. In het jaar 1562 werd hij predikant in de Heiligen-Geest-kerk, en in dit ambt kwam zijn schitterend talent eerst tot zijn recht Het opengevallen professoraat werd nu opgedragen aan Zacharias Ursinus, die in het jaar 1561 te Heidelberg was gekomen. Nog vóór het einde van 1562 was het ontwerp van den Catechismus gereed. De verdeeling in drie deelen zoowel als de taalkundige afronding was naar alle waarschijnlijkheid het werk van Olevianus. Het werk werd nu ter beoordeeling voorgelegd aan eene uit de voortreffelijkste predikanten des land9 samengestelde algemeene synode. Met bijna algemeene stemmen werd de Catechismus goedgekeurd, en nu verscheen hij in Februari 1563 in druk met eene voorrede van den keurvorst, waarin gezegd wordt, dat hij om tucht, eerbaarheid en andere deugden bij de onderdanen aan te kweeken het noodig had geacht, dat de jeugd van meet af onderwezen en geoefend werd in de zuivere leer des Evangelies en de waarachtige Godskennis; dat hij daarom door professoren in de theologie en predikanten een beknopt leerboek of Catechismus der Christelijke religie in het. Latijn en het Duitsch uit Gods Woord had laten opstellen, opdat niet alleen de jeugd in kerken en scholen in deze leer onderwezen en daarbij gehouden zou worden, maar ook de predikanten en onderwijzers eenen vasten en zekeren vorm zouden hebben, waaraan zij zich bij het onderwijzen der jeugd zouden hebben te houden, in plaats van naar eigen goedvinden daarin voortdurend verandering te brengen of vijandige leeringen in te voeren.


1) Aanhangers van de hoofdzakelijk door Jacob Andreae verzonnen dwaalleer van de alomtegenwoordigheid (ubiquiteit) van het lichaam van Christus.


Het beste uit de catechetische schatten, uit den Catechismus van Erasmus Sarcerius en anderen, en vooral uit den Catechismus van Calvijn en dien van a Lasco, is in den Heidelbergschen Catechismus bijeengebracht. In de eerste uitgave ontbrak nog Yraag 80 over de paapsche mis, die de keurvorst zelf voor de volgende uitgave opstelde en inlaschte.
Wat het karakter van onzen Catechismus betreft, dit is zuiver gereformeerd; het dogma der praedestinatie, door Calvijn ontwikkeld, loopt als een gouden draad door het geheel heen. Hier vindt men niet, zooals moderne Arminianen in onze eeuw beweerd hebben, eene zoogenaamde Melanchthoniaansche leer, waarin het Pelagianisme wordt gehuldigd; trouwens men kan zich geenen gereformeerden Catechismus dénken zonder de leer der praedestinatie Wie dit leerstuk loochent, houdt op gereformeerd te zijn Reeds in Yraag 1 vinden wij deze leer, waar de volharding der geloovigen geleerd wordt. In Yraag 26 vinden wij haar, zooals het destijds gebruikelijk was, onder de leer van de voorzienigheid Gods mede opgenomen. In Vraag 53 en vooral Vraag 54 wordt zij eveneens duidelijk geleerd. De noodzakelijkheid des Heiligen Geestes voor de uitverkorenen Gods iB volgens Olevianus het duidelijkst bewijs van de waarheid der praedestinatie. Ook op andere plaatsen in den Catechismus vinden wij haar duidelijk geleerd, hetgeen alleen bevooroordeeldheid of geestelijke gebondenheid kan loochenen. Het is en blijft waar, wat Dr. Kohlbrügge van den Heidelbergschen Catechismus getuigde: „Onder al de leerboeken der Gereformeerde Kerk is er geen, waarin deze groote waarheid zoo sterk wordt uitgesproken als in dit boek, — deze waarheid namelijk: dat een mensch zalig wordt, zonder dat hij er iets toe bijdraagt, uit loutere vrije genade door Christus, en dat voor het gansehe leven des geloofs, voor de heiligmaking, voor de goede werken, voor alles, Christus zoowel de Alfa is als de Omega, zoowel de Eerste als de Laatste, dat dus de mensch in het stuk der zaligheid geheel en volkomen overschiet, en het alleen en uitsluitend is een werk van almachtige genade!"
De Heidelbergsche Catechismus had zich weldra vrienden verworven in de Palts en daarbuiten. Maar ook aan tegenstanders heeft het hem, van het begin af tot op den huidigen dag, niet ontbroken. Onder de Lutherschen traden destijds terstond de grootste ijveraars voor de leerstellingen van Luther tegen den Catechismus op: Marbach te Straatsburg, Flacius Illyricus en vooral Tilemann Hesshusius, die eene „getrouwe waarschuwing" tegen den Heidelbergschen, Calvinistischen Catechismus en eene wederlegging van eenige zijner dwalingen de wereld inzond. Later sloten zich bij de tegenstanders eenige Jezuïeten aan, en in onze dagen verwerpt hem het vrome piëtisme, dat zich vermoeit met allerlei werken en vereenigingen, maar hoe langer zoo meer zich van het Woord Gods afkeert, en het modernisme, dat zichzelf wil helpen en steunt op zijne zoogenaamde deugd en goede zeden. De menschen hebben de duisternis liever dan het licht. (Joh. 1.)
De kracht der waarheid echter, die onze Catechismus leert, die daarom ook de e e n i g e t r o o s t genoemd wordt, heeft zich in de eerste plaats betoond aan de opstellers zeiven Om zijnen Catechismus werd keurvorst Frederik hard aangevochten. Maar hij troostte zich er meê, het eigendom des Heeren Jesus te zijn, en verdedigde moedig zijnen Catechismus op den Rijksdag te Augsburg in 1566, met de woorden: „Ik ben nog van meening, dat ik in de zaken, die liet geloof en het geweten betreffen, geenen anderen heer erken, dan Die een Heer aller heeren en een Koning aller koningen is, en zeg daarom, dat het niet om eene kap (of muts) vol vleesch te doen is, maar het gaat om de zielen en hare zaligheid, waarover ik door mijnen Heere en Heiland gesteld ben ; ook ben ik schuldig ze naar Zijnen wil te beschermen. Overigens troost ik mij er meê, dat mijn Heere en Heiland Christus Jesus mij met al Zijne geloovigen de zoo zekere belofte heeft gegeven, dat alles wat ik om Zijne eer of om Zijns Naams wil verliezeu zal, mij in de toekomende wereld honderdvoudig zal vergoed worden".
Toen eens een ander vorst den keurvorst vroeg, waarom hij toch zoo weinig vestingen in zijn land had en er niet op bedacht was ter beveiliging van zijn gebied meer burchten te bouwen, antwoordde hij: „Ik heb eenen burcht, die onneembaar is, en waarvan gezegd is: Een vaste burcht is onze God, Een deugdljjk schild en wapen" en voegde er aan toe: „Zoo hebben wij ook getrouwe onderdanen en in geval van nood een aantal goede krijgslieden, die niet alleen met schild en wapenen, maar ook en vooral met het gebed onzen vijand kunnen wederstaan".


1) „Ein feste Burg ist unser Gott, ein gute Wehr und Waffen." (Luther.)


Ook geloofde hij met Vraag 1 van den Catechismus, dat hem alles tot zijne zaligheid dienen moest. Zijn jongste zoon, Filips Christoffel, deelde wegens zijne beminnelijkheid in aller liefde. Hij muntte uit door schoonheid, ridderlijke deugden en degelijke geestesvorming. De zorgvuldige opvoeding, die hij genoten had, wettigde de schoonste verwachtingen. Toen onze vaderen in den strijd voor geloof en vrijheid den ondergang nabij schenen, liet Frederik de Yrome hun door dezen zijnen zoon ondersteuning toekomen. De 23-jarige prins gedroeg zich ridderlijk, doch vond in den bloedigen slag op de Mookerheide bij Nijmegen den dood (1574). Laurens Zinkgraf, een welopgevoed man met een degelijk karakter, was den jongen man als vaderlijk raadsman toegevoegd. Hij kon helaas, toen hij terugkeerde, den vader niet eens het lijk van zijnen zoon brengen, want men had het op het slagveld niet kunnen vinden, evenmin als de doode lichamen van de eveneens gesneuvelde gebroeders Lodewijk en Hendrik van Nassau. Met een bang gemoed trad hij het vertrek van den grijzen keurvorst binnen. Deze ontving hem met de woorden: „Gij komt wel, maar waar is mijn zoon ?" Toen Zinkgraf verstomde, zeide Frederik verder: „Vrees niets, mijn landgenoot (hij was uit Simmern), ik weet, welke boodschap gij brengt. In de vreeze Gods had ik mijnen veelgeliefden zoon opgevoed, en ik ben er daarom zeker van, dat hij niet slechts eenen dapperen dood, maar ook vromelijk gestorven is Ik zelf heb het ook gewild en moeten willen, dat hij ter eere Gods en ter verdediging van het ware geloof den krijgstocht meemaakte; ook had hij zijn leven niet beter kunnen besteden, ofschoon ik, wanneer God hem behouden huiswaarts had doen keeren, hem uit Gods trouwe Vaderhand zou ontvangen hebben, alsof hij opnieuw geboren ware."
Na de gelukkige terugkomst van zijnen zoon Johan Casimir van diens tweeden tocht naar Frankrijk, om de Hugenoten te helpen, was Frederik zeer verblijd en was zijn eerste gang met den hem teruggeschonken zoon naar de slotkapel, om den Heere te danken.
Gelijk zijn leven, zoo was ook zijn einde dat van eenen Godvruchtige. Hij stierf met volkomen overgave den 26"e n October I57<j onder de toespraak van zijnen hofprediker Tossanus, nadat hij nog gezegd had: „Ik ben lang genoeg door het gebed der vrome Christenen opgehouden; het is tijd, dat ik mijn leven eindig en tot mijnen Heiland in de ware rust verzameld word". Zijne kernspreuk was: „Heere, zooals Gij wilt".
Deelen wij thans nog het een en ander mede omtrent Ursinus en Olevianus.
Beide mannen hadden om hunnen Catechismus veel haat en vervolging te lijden, wat zij om den Naam huns Heeren geduldig verdroegen. Reeds bij het leven van Frederik III, toen de kerkelijke tucht in de Paltsische Kerk werd ingevoerd, waartegen zich machtige tegenstanders verzett'en, begon voor hen dit lijden. Erger werd het na het afsterven van Frederik, toen de Luthersche keurvorst Lodewijk VI aan de regeering kwam, die alle Gereformeerde predikanten en schoolmeesters verdreef. Ursinus vond door Gods genadige leiding eenen nieuwen werkkring aan de Gereformeerde hoogeschool te Neustadt a d Haardt, door Paltsgraaf Johan Casimir aldaar opgericht. Hier was de lichamelijk zwakke man met veel zegen werkzaam tot aan zijnen dood, den 6'"" Mei 1583. Hij was slechts 48 jaren oud geworden. Zijn lijk werd te Neustadt begraven.
Olevianus vond eene welwillende ontvangst bij graaf Lodewijk van Sayn tot Wittgenstein, tot dusver keurvorstelijk intendant, met wien hij zeer bevriend was, in zijne residentie Berleburg zoowel als in de andere deelen van zijn land, dat hij tot aanneming van de Gereformeerde Belijdenis wist te brengen. In het jaar 1584 gaf hij echter gehoor aan de roepstem van den Godvruchtigen graaf Johan den Oude van Nassau-Dillenburg, die in hetzelfde jaar eene Gereformeerde hoogeschool te Herborn had gesticht, aan welke hij degelijke werkkrachten zocht te verbinden. Niet lang daarna vond Olevianus eenen trouwen medearbeider in Johannes Piscator. Hij leidde ook het kerkwezen van het gansche graafschap. Op de Herbornsche algemeene Synode van den 13Je" Juli 1586, belegd door de naburige Kerken van Wied, Wittgenstein en Solm, waarbij hij moderator was, voerde hij de besluiten der Middelburgsche Synode in den door hem gekozen vorm in Zoo werd hij ook in deze streken, evenals in de Palts, de stichter der Calvinistische synodaalpresbyteriaansche kerkorde, die intusschen hemelsbreed verschilt van de moderne, die op het vermeende recht der meerderheid berust, door welk beginsel de Kerk overgeleverd wordt aan de willekeur van de bovendrijvende partij en van den tijdgeest. Volgens Olevianus namen alleen de predikanten en de schoolmeesters want de school behoort naar Vraag 103 van onzen Catechismus tot de Kerk — aan de synoden deel.
Terwijl Ursinus zwak van gestel was, was Olevianus bijzonder sterk en mocht zich verheugen in eene bestendige gezondheid. Doch wat is aller menschen kracht en gezondheid voor den Heere P hoe spoedig is het daarmee gedaan! Den 30ste" December 1586 ging hij met zijnen medehelper Jacob Alsted naar de filiaalgemeente Hirschberg, om eenen kranke en door den duivel geplaagde te bezoeken Onderweg viel hij tot tweemaal toe op het ijs en bezeerde zich inwendig. Hij moest nu spoedig allen arbeid opgeven en het bed houden. Zijn toestand werd steeds erger. Evenwel verdroeg hij met het oog op God zeer gelaten alle lijden. „Thans heb ik", — dus liet hij zich in de laatste dagen zijns levens tegenover graaf Johan van Nassau uit, die hem met zijne zonen dikmaals bezocht, — „thans heb ik eerst recht geleerd, wat zonde is, hoe hoog de Majesteit Gods in onze oogen dient te zijn, en hoe dwaas wij menschen zijn, als wij God tot onzen knecht willen hebben." Een andermaal, toen hij zich wonderbaar verkwikt gevoelde, vertelde hij aan zijnen neef Piscator en den student Abel Coenders van Helpen, eenen Nederlander, dat hij gedroomd had, dat hij op eene schoone weide wandelde en met den dauw des hemels bij schalen vol begoten werd, wat hem met eene onuitsprekelijke blijdschap had vervuld.
Den 15den Maart 1587 ontsliep hij. Om hem heen stonden, behalve de zijnen, Piscator en Alsted. De eerste las hem op zijnen wensch uit de Schrift Jes. 9 : 2—7, Jes. 11, Ps. 103 en ten slotte Hebr. 6 : 13 voor. Daarna werd op zijn verlangen het lied „Nun bitten wir den Heil'gen Geist" gezongen, en beval hij in het gebed zijne Gemeente den Heere aan. In zijne laatste oogenblikken riep Alsted hem toe: „Lieve broeder, gij zijt zonder twijfel zeker van uwe zaligheid in Christus, zooals gij anderen geleerd hebt:"' Daarop legde Olevianus de liand op zijn hart en zeide met stervenden mond : „ Alleszins zeker". Na eenen kortstondigen slaap ontvlood onder het gebed der aanwezigen zijne ziel aan het lichaam. Zoo betuigde deze getrouwe leeraar der Goddelijke waarheid, dat Christus ook zijn eenige troost was, niet alleen in het leven, maar ook in het sterven.
liet stoffelijk overschot van Olevianus werd in het koor der schoone stadskerk van Herborn bijgezet. Op het graf werd eene eenvoudige ijzeren plaat geplaatst met het opschrift (in het Latijn): „Hier ligt begraven Caspar Olevianus uit Trier, doctor der Heilige Schrift en predikant der Gemeente alhier, den 15d e D Maart van het jaar 1587 kalm in den Heere ontslapen". Tot het jaar 1888 wees deze plaat de grafstede van Olevianus aan, en zij had het ook verder moeten doen In het genoemde jaar werd echter door Gereformeerden in Amerika een gedenkteeken van zandsteen geschonken met de beeltenis van Olevianus in wit marmer en het opschrift: „Voor Caspar Olevianus, medeopsteller van den Ileidelbergschen Catechismus, wordt dit gedenkteeken opgericht door de Gereformeerde Kerk van de Yereenigde Staten van Noord-Amerika op den 300-jarigen gedenkdag van zijnen dood. 15 Maart 1587 — 1887. Christus onze eenige troost in leven en in sterven. Heidelb. Catech. Vr. 1". Het beste gedenkteeken heeft Olevianus zich echter zelf in den Catechismus opgericht. Volgen wij zijn geloof in leven en sterven na; dan houden wij zijne nagedachtenis het best in eere.
Beantwoorden wij nu nog de vraag, hoe de Heidelbergsche Catechismus, dien de wijdvermaarde Dordrechtsche Nationale, beter gezegd „Gereformeerde oecumenische Synode'', in 1618 en 1619 als Gereformeerd leerboek en belijdenisschrift erkende, het eerst tot ons is gekomen.
Reeds in 1562 verscheen van de 2d e Duitsche uitgave te Emden eene Nederlandsche overzetting van eenen onbekende, die echter niet in voldoende mate de opmerkzaamheid tot zich trok. Dit was daarentegen wel het geval met de uitgave, die P e t r u s D a t h e n u s in het jaar 1566 bezorgde en te gelijk met zijne psalmberijming en de liturgie ten dienste van de Kerk het licht deed zien onder den titel: „ C h r i s t e l ij c ke l e e r , die in de K e r c k e n e n d e S c h o le n d e r k e u r - v o r s t e l i k e n P a l t z g h e l e e r t w e r t " !).
Maar ook in vele andere talen werd en wordt nog de Heidelbergsche Catechismus vertaald, zoodat hij naast den Bijbel het meest verbreide boek is. Bovendien zijn er vele leerredenen en verklaringen over verschenen. Ten aanzien van deze geldt echter de waarheid, dat het niet alles goud is, wat er blinkt. Zeer vele druischen tegen de bedoeling van den Catechismus in. In de eerste plaats geldt dat van alle Arminiaansch gekleurde, van alle, die van eenen vrijen wil des menschen spreken en daaraan in zaken, die de zaligheid der zielen raken, eenig vermogen toekennen. En dat doen bijna alle uitleggingen, die onze tijd opgeleverd heeft. Kostelijk zijn de verklaringen van Dr. H. F. Kohlbrügge, verschenen onder den titel van: V r a g en en A n t w o o r d e n tot o p h e l d e r i n g en b e v e s t i g i ng v a n d e n H e i d e l b e r g s c h e n C a t e c h i s m u s . Aanbeveling ! ) verdienen voorts die, welke voorkomen in de B i j l a g e n van de Ev a n g e l i s c h R e f o r m i r t e B l ä t t e r , bewerkt door Lic. theol. F. W. Cuno.
Mogen de uitleggingen, die wij zullen geven, velen tot waarachtig heil hunner ziel strekken.


Het leven van Dathenus, den man, die ons Gereformeerden Nederlanders naast den martelaar Guy de Brés, opsteller van onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis, de gewichtigste en grootste diensten in het geestelijke bewezen heeft, vindt de lezer beschreven in Jaargang 1, bladr.. 38 — 152.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

Verklaring van de Heidelbergschen Catechismus (Inleiding)

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken