Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De ware Godsdienst.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De ware Godsdienst.

16 minuten leestijd

De Godsdienst is de dienst, dien wij Gode schuldig zijn. Het woord „Godsdienst" of „dienst" komt voor Rom. 12 : 1 ; Ex. 12 : 25 en 26 en 13 : 5. — De uitdrukking „God dienen" komt veelvuldig in de Heilige Schrift voor. Zoo Matth. 4: 10: „Toen zeide Jesus tot hera: Ga weg, Satan! want er staat geschreven: Den Heere, uwen God, zult gjj aanbidden, en Hem alleen dienen". Dit zijn woorden uit Deut. 6, waar wij Vers 10 vv. lezen: „Als liet dan zal geschied zijn, dat de Heere, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, — zoo wacht u, dat gij den Heere, uwen God, niet vergeet, — gij zult den Heere, uwen God, vreezen, en Hem dienen". Zoo lezen wij ook Ps. 100:1 en 2: „Gij gansche aarde! juicht den Heere. Dient den Heere met blijdschap!" Roin. 12: 11: „Dient den Heere!" En Matth. 6 : 2 4 : „Gij kunt niet God dienen en den Mammon!"
Deze Godsdienst, waarvan wij spreken, bestaat niet zoozeer in het betrachten van den uitwendigen dienst of de godsdienstige gebruiken, maar veelmeer daarin, dat de mensch erkent, een dienstknecht Gods te zijn, en dat hij van harte, in geest en waarheid zich in Gods dienst stelt en Zijnen geopenbaarden wil van harte doet.
Letten wij nu bij de verdere overdenking van dit onderwerp iu de eerste plaats op den g r o n d , het w e z e n en den r e g e l van den Godsdienst, en vervolgens op het in p r a c - t i j k brengen daarvan.
De grond van den Godsdienst is God Zelf, de Allerhoogste, Die ons gemaakt heeft. Niet Zijne werken zijn de grond. Al Zijne werken zijn Zijne knechten, zooals geschreven staat Ps. 119 : 90 en 91: „Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan; naar Uwe verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten". — Zoo dienen den Heere hemel en aarde, de zee en al wat daarin is, zooals wij ook lezen Ps. 1 4 8 : 7 vv.: „Looft den Heere, van de aarde : gij walvisscheu en alle afgronden; vuur en hagel, sneeuw en damp, gij stormwind, d i e Z i j n woord d o e t ! gij bergen en alle heuvelen; vruchtboomen en alle cederboomen; het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte". — Al deze dienaren mogen ons opwekken tot Zijnen dienst, en o dat wij ons daartoe meer door hen lieten opwekken! Immers zij doen Zijn woord. Maar de grond van onzen Godsdienst is alleen God, de Allerhoogste, de eeuwige Koning, Die alleen heerlijkheid heeft, en alleen waardig is, dat Hij van ons gediend wordt. Immers bestaat er geen schepsel dan uit en door en tot Hem. Hij heeft ons gemaakt en niet wij. Omdat God God is, verplicht Hij ons, redelijke schepselen, en zijn wij in Hem gebonden, als onmiddellijk onder Hem, onzen Schepper, gesteld zijnde, om Hem te eeren en Hem te dienen, en met alles, wat wij zijn, voor God te zijn. Daarom heet het bij den Profeet Jeremia, Hoofdstuk 10: 6 en 7: „Omdat niemand U gelijk is, o Heere! zoo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid. Wie zou U niet vreezen, Gij Koning der Heidenen?"
Daar de eenige grond van den Godsdienst God of de natuur Gods is, kan het wezen van den G o d s d i e n s t geen ander zijn dan de kennis Gods, dat wij God alleen voor onzen waren God houden, dat wij van harte goed noemen den band, die ons met God verbindt, dat Hij de Heere is, en wij Zjjne knechten, die schuldig zijn, om alles, wat zij zijn en vermogen, te zijn en te doen voor God, ter wille en ten dienste van Hem, juist omdat Hij God en Heere is, en het Hem toekomt, en Hij ook alleen waardig is, dat wij ons geheel en al als dienstknechten aan Hem overgeven, om blijmoedig Zijnen wil te doen. Dat is betamelijk en is onze zaligheid. Daarom zegt de Psalmist: „Och Heere! zekerlijk, ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijne banden losgemaakt!" (Ps. 116:16.)
De regel van den G o d s d i e n s t , zal hij waar en redelijk zijn, kan niet steunen op menschelijk goeddunken en eigen wil, niet op ons verdorven verstand, niet op eene zoogenaamde of vermeende kennis van goed en kwaad, of wat wij heilzaam en nuttig, of schadelijk, wat wij vruchtbaar, of vruchteloos achten. Tot den dienst Gods behoort de openbaring van Zijnen alleen heiligen en alleen wijzen wil. H i j is geen dienstknecht Gods, die naar zijnen eigen wil handelt, of aan den wil Gods iets af- of toedoet. Het is niet aan den mensch overgelaten, hoe hij God zal dienen. Wie zulks denkt, verheft zich boven God en wil als God wezen. Daar blijft waar, wat wij Matth. 15: 9 lezen: „Doch tevergeefs eeren zij Hij, leerende leeringen, die geboden van menschen zijn''. (Vergel. Jes. 1.) God heeft ons menschen Zijnen wil geopenbaard, en openbaart ons dien zeer uitdrukkelijk, opdat de mensch met zekerheid wete en zoodat hij het ook weten kan, wat hij volgens den wil Gods moet doen en laten. Daarom lezen wij Pred. 12 : 13: „Van alles wat gehoord is, is het einde van de zaak : Vrees God, en houd Zijne geboden, want dit betaamt allen menschen. Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed, hetzij kwaad". En Micha 6 : 8 : „Het is u bekendgemaakt, o mensch ! wat goed is: en wat eischt de Ileere van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uwen God ?" Zoo ook Jes. 8 : 19 en 20: „Wanneer zij dan tot ulieden zeggen zullen: Vraagt de waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen en binnensmonds mompelen, zoo zegt: Zal niet een volk zijnen God vragen ? zal men voor de levenden de dooden vragen ? Tot de Wet en tot de Getuigenis! zoo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geenen dageraad zullen hebben." En Rom. 12 : 2 : „Wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede en welbehaaglijke en volmaakte wil van God zij." En eindelijk, zóó schrijft de Apostel Jakobus Hoofdstuk 1 : 3 : „En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begeere, — en zij zal hem gegeven worden". — De regel van het doen van den wil Gods is volkomen voor alle menschen eit voor alle tijden geopenbaard in de tien woorden der Wet, waarvan de hoofdsom is: God lief te hebben boven alles, en den naaste als zichzelven.
Zal dus de Godsdienst in waarheid een dienst van God zijn, <lan moet de dienstknecht in de practijk zich aan dezen regel gebonden weten, dat hij in overeenstemming zij met den wil Gods, en dezen wil ook volbrenge, zooals God dat wil. Daarom schrijft de Apostel Jakobus: „Zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valsche overlegging bedriegende. Indien iemand onder u dunkt, dat hij godsdienstig is, en hij zijne tong niet in toom houdt, maar zjjn hart verleidt, dezes godsdienst is ijdel". Onze eenige Leeraar zegt daarom ook: „Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is " (Matth. 7:21).
Den aard der toepassing van den regel van den waren Godsdienst leeren wij kennen uit de Bergrede, naar Matth. 5 — 7. De toepassing is van dien aard, dat de dienstknecht juist en alleen datgene wil, wat God wil, en al zijn heil, zijne vreugde, zijn lust bestaat in het van harte doen van den wil Gods, omdat Hij de Heere is, evenals de jonge Samuël zeide: „Spreek, Heere, want Uw knecht hoort".
Is nu God, omdat Hij God en de Allerhoogste is, de grond van den Godsdienst, dan moet het redelijk schepsel, zal het God dienen, God ook kennen. Daarom vragen wij: Kent het redelijk schepsel God, en is het derhalve toerekenbaar en verdient het straf, als het God niet in erkentenis houdt en Hem niet eert en dient? Wij hebben hier niet het oog op die kennis Gods, waarbij de mensch Hem in de vergeving van al zijne zonden leert kennen als zijnen genadigen God en verzoenden Vader; — maar op die kennis, waarbij men Hem erkent als den Allerhoogste, Die alleen waard is, om gediend te worden, en waarbij men zichzelven kent als van Hem afhankelijk, in Hem gehouden en gebonden, om Hem te eeren, Hem te dienen en onvoorwaardelijk te gehoorzamen, en weet, dat men Hem eens rekenschap moet geven van al zijn doen.
Wij antwoorden: God heeft alle menschen geschapen met de kennis, dat God is. De geschiktheid, om God te kennen, lag in u, toen gij ter wereld kwaamt. Gij kondt haar toen niet in toepassing brengen, maar dat kwam van lieverlede met de jaren; de kennis Gods in u. die Hij bij Zichzelven had voorgenomen u, zooveel Hem behaagde, van Zich mede te deelen, werd ontwikkeld. God drukt het redelijk schepsel eene zekere kennis Gods in; zoo geeft Hij eene uitdrukking van Zichzelven. Zoo weet dan ieder mensch, dat God God is, en dat Hij als Schepper en Bestuurder van alle dingen Heer is van allen, dat ieder mensch Hem onderworpen is en gehouden, om naar den wil Gods te leven. Ik zeg: deze kennis wordt ontwikkeld. Van der jeugd aan zien wij de werken des Scheppers, zonder daar bijzonder op te letten; van der jeugd aan hooren wij van God spreken, en daardoor wordt de aangeborene kennis Gods in ons werkzaam.
Bedenken wij, dat, gelijk het het kind aangeboren is, zich tot zijne moeder heengetrokken te gevoelen, en te weten, wat zijne moeder voor hem is, zoo is het het redelijk schepsel aangeboren, te weten, dat God is. Die den mensch heeft geschapen, en Dien hij heeft te dienen, Wien hij verantwoording heeft te doen. De kennis van God ontstaat bij ons niet uit begrippen, rust ook niet op begrippen. De band tusschen God, Die een Geest is, en het redelijk schepsel laat zich niet miskennen, ook niet losmaken. De Godskennis is in alle menschen ; hadden zij geenen indruk van God in hunne ziel, zij zouden er door do zichtbare dingen nooit op komen, dat er een God is.
Dat nu alle menschen deze kennis Gods met zich ter wereld brengen, en weten, dat Hij alleen waardig is, geëerd en gediend te worden, en dat deze kennis door de waarneming der zichtbare dingen wordt ontwikkeld, en geen mensch zich kan verontschuldigen, als hij deze kennis bij zich onderdrukt en verstikt, door het bewustzijn van het bestaan van God geweld aan te doen, leeren wij uit Rom. 1:19 en 20 en 2 : 14 en 15.
Deze inwendige kennis kan vermeerderd worden door de beschouwing der zichtbare dingen, als men in hun ontstaan en werking het werk en bestuur Gods ziet. Zoo zegt Job, Hoofdstak 9: „Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad? Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaarworden, Die ze omkeert in Zijnen toorn; Die de aarde beweegt uit hare plaats, dat hare pilaren schudden; Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren; Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee; Die den Wagen maakt, den Orion en het Zevengesternte en de binnenkameren van het Zuiden; Die groote dingen doet, die men niet doorzoeken kan, en wonderen, die men niet tellen kan." En Hoofdstuk 12: „Vraag toch de beesten, en elk een van die zal het u leeren ; ook zullen het u de visschen der zee vertellen. Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des Heeren dit doet?"
Ja, wie weet niet, dat de hand des Heeren dit doet ? Deze kennis Gods ligt van nature in den mensch, en waar men ook komt, de gansche wereld getuigt het: Er is een God! Eu hoe ook van God afgedwaald, hoe ook in hunne wijsheid tot dwazen geworden, stemden de wijzen der wereld van ouds her toch overeen in de erkentenis, dat er Een was, Die stond boven datgene, wat zij voor het allerhoogste hielden, een God boven al hunne goden, waarom ook Sanherib voorgaf: „Ik ben niet zonderden Heere tegen Jerusalem opgetogen!" en de Atheners een altaar hadden opgericht met het opschrift: „Aan den onbekenden God".
Waar de menschen getracht hebben den indruk, dien zij van God in hun hart hadden, uit te wisschen, daar is het de straf van den rechtvaardigen God, als Hij hen overgeeft in eenen verkeerden zin, zoodat alle gevoel daarvan, dat God is, in hen wordt verstikt.
Vragen wij nu: Van waar die Godskennis, die de mensch, schoon onbewust, met zich ter wereld brengt? — dan is het antwoord: God schiep den mensch naar Zijn beeld en naar Zijne gelijkenis. God schiep hem niet zoo, dat Hij eerst den mensch maakte naar lichaam en ziel, en hem daarna met Zijn beeld begiftigde, — God schiep hem in Zijn beeld. Luther vertaalde Gen. 1 : 26 aldus: „Laat ons menschen maken, een beeld, naar onze gelijkenis". — God schiep den mensch dus zoo, dat Hij hem begiftigde met ware kennis Gods, en met eenen heiligen wil, om Hem alleen te dienen. Van de schepping des menschen dus in het beeld Gods is de Godskennis afkomstig, die de mensch van nature bezit.
Is er dan nog iets van het beeld Gods in den mensch overgebleven? Ja, zóóveel is er van overgebleven, dat de mensch weet, dat God God is, en dat hij Hem heeft te eeren en te dienen, en Hem ook verantwoording schuldig is. Zooveel is er van het beeld Gods in den mensch overgebleven, dat hij zich niet zal kunnen verontschuldigen in den dag, waarin God de wereld zal oordeelen door Jesus Christus.
O, dat velen dit bekenden, die, ja, onder het Evangelie leven, op wie evenwel de woorden van Paulus aan de Corinthiërs van toepassing zijn: „Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte". (1 Cor. 15 : 34.)
Met recht en naar waarheid wordt ons gepredikt, dat de natuurlijke mensch niets verstaat van de dingen Gods, — dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God, omdat het zich der Wet Gods niet onderwerpt, en dit ook niet kan. Met recht en naar waarheid wordt ons gepredikt, dat de mensch van nature dood is in zonden, dat hij blind is, en zich niet bekeeren kan of wil. Met recht wordt ons gepredikt, dat de mensch wederom geboren moet worden, om in het Koninkrijk Gods te komen.
Nu zijn er echter menschen, die door de natuurlijke Godskennis overtuigd zijn geworden van zonde en van de noodzakelijkheid eener bekeering van zonden tot deugd en goeden wandel. Wat zij met het natuurlijk licht hebben vernomen van Jesus ea van de vergeving der zonden, dat hebben zij met het verstand op zichzelven toegepast, en toch bewijzen zij, daar er bij hen geene verandering des harten komt, dat er geene vreeze Gods voor hunne oogen is Anderen denken, daar zij in de wereld willen blijven en de zonde dienen: „'t Is waar, ik ben nog niet bekeerd, maar wat zou dat!" en meenen dan, dat zij daarom niet in God gehouden zijn, om Hem te dienen, daar zij toch immers dienstknechten der zonde zijn. Beiden moeten weten, vooral de laatsten, dat het er toch niet meê staat, zooals zij zichzelven gaarne wijsmaken. Wij menschen weten van God, dat Hij God is, dat weten wij van nature; wij weten van nature, dat wij schuldig zijn, Hem te eeren en te dienen. Hoewel wij van nature Goi niet kennen, zooals Hij Zich doet kennen in het Aangezicht van Jesus Christus; hoewel de natuur niet komt op de vergeving der zonden; — wij moeten toch weten, waartoe God ons de kennis van Zijn wezen en Zijnen wil meêgaf, nml. om ons te overtuigen, dat wij, een iegeljjk onzer, van deze kennis een slecht gebruik maken, zoolang wij onder de wet zijn, zooals wij ook Rom. 3 lezen: „Er is niemand, die God zoekt, — er is geene vreeze Gods voor hunne oogen '. Maar hoewel wij er een slecht gebruik van maken, God gaf ons deze kennis toch, opdat wij ze goed en naar Zijnen wil zouden gebruiken, t. w. opdat wij Hem zouden kennen als onzen Schepper en Weldoener, als onzen Onderhouder en Verzorger, als Dengene, van Wiens wil en zorg alles afhankelijk is, ook wijzelven; en dan mogen wij, in het bezit van deze kennis van de geschapene dingen, leeren, hoe weinig wij van nature de kennis Gods, die Hij ons heeft ingeschapen, in waarde houden, gelijk geschreven staat Jes. 1 : 3 : „Een os kent zijnen bezitter, en een ezel de kribbe zijn heeren",.. . Menigeen mag het met deze natuurlijke Godskonnis zoover brengen, dat hij ook erkent, dat God hem om zijne zonden moet en zal straffen, — tot eene zaligmakende kennis van God brengt zij hem voorzeker nooit en nimmer. Zij is ook niet de eerste trap er van; want de zaligmakende kennis van God verschilt in haren ganschen aard van de natuurljjke. Maar daarom staat de natuurlijke kennis niet tegen de zaligmakende over, neen zij helpen elkander wederkeerig Dat gaat zoo toe: de mensch, hij zij oud of jong, gelooft de prediking, dat hij Gods schepsel is, en daarom gehouden is, Hem als zijnen Heer te dienen, Hem ook als zijnen Weldoener, Onderhouder en Verzorger te eeren en alleen naar Zijnen wil te vragen. Als hij nu Gods grootheid en heerlijkheid ziet, die in al Zijne werken schitteren, en ziet, hoe alles Hem dient, dan moet hij tot beschaming en tot kennis van zonden komen, en belijden, dat bij Hem niet dient; en als hij nu ziet, dat God de zonden straft, begint hij God te zoeken, of hij Hem ook mocht vinden, en daar komt tot hem het Evangelie van Gods Zoon. Zoo vindt hjj dan God en kent Hem, zooals hij Hem nooit te voren gekend heeft. Hij leert God daarin kennen, dat Hij zijner zonden genadig is; en wanneer hij God zoo leert kennen, dan wordt de natuurlijke kennis geheiligd, zoodat hij zich in zijnen Schepper verblijdt en zegt: Zijn dienst is zaligheid!
Ongelukkig geslacht, dat de hem ingeschapen Godskennis van zich stoot. Dat het toch bedenke, eer het te laat is, hoe het dengenen gaat, die God vergeten. Gelukkig volk daarentegen, dat den Heere als zjjnen God erkent, en Hem gaarne dient! Wie zichzelven verloochent, zijn kruis dagelijks opneemt, en den Heere navolgt, dient eenen trouwen Heer en zal koninklijk beloond en gekroond worden als kind en erfgenaam.

20 November 1864.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

De ware Godsdienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken