Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Betrachting over Lukas 1 : 26- 37.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Lukas 1 : 26- 37.

18 minuten leestijd

De woorden, die wij hier lezen, zijn eene prediking van Gods genade en eeuwige trouw. Wat Hij Zijnen volke heeft beloofd, vervult Hij ook ter rechter tijd. Elizabet was in de zesde maand harer zwangerschap; nu was het Gods tijd, dat ook Hij geboren zou 'worden, Die gegenereerd werd vóór de grondlegging der wereld, opdat Hij zou verlossen, opdat Hij zou zalig maken allen, die Hem van God waren gegeven. Gebeuren zou, wat de Profeet had gezegd: „Ziet, de maagd is zwanger, en zij zal eenen Zoon baren, en Zijnen Naam Immanuël heeten". God zendt een van Zijne hooge troongeesten, met name Gabriël, d. i. kracht Gods, man Gods, die Zijn bevel volvoert. Welk eene blijdschap, welke eene feestvreugde moet er in die dagen in den hemel zijn geweest, wat al lof- en jubelzangen zullen er aangeheven zijn! Maar nu uit deze hemelsche heerlijkheid uit, naar beneden op de donkere aarde, naar Jerusalem! Het geslacht van David had al zijn aanzien verloren; de tak van Salomo, de koninklijke lijn, was bijna uitgestorven, slechts ééne erfdochter was er nog overgebleven. Yan de andere lijn, die van Nathan, was Jozef het laatste lid. Hij is timmerman, Maria arm en onbekend. Niet in de groote, rijke, schitterende stad vinden wij hen ; — daar leefde de beroemde Hillel; — neen, in Galilea wonen zij, in het land der duisternis en schaduw des doods, waarvan de Profeet Jesaia, Hoofdstuk 9 : 1 , spreekt. Een land van zoude en onreinheid was hei, een land, waar vele en groote zondaars woonden, waar geene vreeze Gods heerschte, maar de Wet met voeten getreden werd. Waar God komt, verheerlijkt Hij Zijne genade; en waar Hij Zijne genade verheerlijkt, daar is niets dan zonde; waar Hij Zijne gerechtigheid openbaart, daar is niets dan ongerechtigheid; waar Hij Zijne Wet opricht, daar ligt zij in het slijk. Naar dit land wordt Gabriël gezonden, naar eene kleine stad, die veracht is, die geene beroemde mannen oplevert, eene stad, waaruit niets goeds voortkomt. Hier woonde de Godvruchtige Maria. Hier in armoede en verachting vinden wij Godsvrucht. Vervallen was de heerlijkheid van het koninkrijk van David, zijne macht vergaan, weggerukt van Jerusalem, gezonken was de troon zijns koninkrijks; de stam ligt daar jammerlijk ter aarde, zelfs van den wortel ziet men niets meer. Menschenkind! zoudt gij denken, dat daar nog iets uit zou kunnen voortkomen? — Evenwel! Hij, Dien de hemel der hemelen niet kan omvatten, wil Zich laten omvatten door het lichaam eener vrouw. God wil iets nieuws werken op de aarde. De eeuwige Zoon Gods, t'éns wezens met den Vader, wil nederdalen in dit donkere dal, op deze donkere aarde. Hij wil worden, wat wij zijn, opdat wij zouden worden, wat Hij is. Hij wil komen in dezen onzen nederigen staat, om ons te leiden tot Zijne heerlijkheid. „Overmits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is Hij ook desgelijks derzelver deelachtig geworden, opdat Hij . . . . verlossen zou al degenen, die met vreeze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren." (Hebr. 2.)
„ T o t e e n e m a a g d " werd de engel gezonden (Ys. 27). Dat was overeenkomstig het woord der belofte. Maar waarom moest het eene maagd zijn? Opdat God het onmogelijke zou doen; want Hij kan op meer dan ééne wijze iets tot stand brengen. Waar God Zijne genade verheerlijkt, daar gaat het altijd tegen de natuur, tegen de eerste schepping in God heeft man en vrouw geschapen, rechtvaardig en heilig, opdat zij zich zouden vermenigvuldigen en een heilig geslacht zouden voortbrengen. Maar zij zijn beiden afgevallen, hebben zich verdorven en te gronde gericht. Gedaan is het met don wil des vleesches, gedaan is het met den wil des mans en zijne kracht gedaan met alles, wat de mensch is. Wat het verstand niet kon denken, heeft God hier gedaan. — Koning Achaz Jes. 7) wilde niet hooren naar de stem van den Profeet, naar Gods woord, hij wilde God niet verzoeken, de quasi-vrome man. Maar de Profeet in heiligen ijver roept uit: „Ziet, eene maagd is zwanger, en zjj zal eenen Zoon baren, en Zijnen Naam Immanuël heeten!" Uit is het met u, koningen! uit is het met u, mannen, en al uwe kracht! Ziet Ik zal Mij eene erfdochter doen overblijven, en uit haar zal de Koning voortkomen, Die aan David is beloofd. Ik zal het doen! Daarom staat er: eene m a a g d.
Was Maria daarop voorbereid ? Neen! En toch was zij de laatste erfdochter uit het koninklijk geslacht van David; en toch had zij het woord der belofte kunnen lezen, kennen en verstaan. Maar al kende zij ook de belofte, zij dacht er toch niet aan, dat zij het was, op wie het woord van den Profeet betrekking had. Wat men geschreven of gedrukt in boeken heeft en leest, dat weet en onthoudt men anders wel. Maar als het Gods wegen en leidingen zijn, die ons daarin voor oogen worden gesteld, dan heeft het geen nood, dat het in het hart des menschen opkomt, wat geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, hetwelk God bereid heeft voor degenen, die Hem liefhebben; dan heeft het geen nood, dat de mensch zich zijne eigene plannen, gedachten en meeningen uit het hoofd zet; dan heeft het geen nood, dat het hart zich opmaakt tot God en Hem te gemoet snelt. God echter, Die ons in Zijne handen heeft, leidt de harten als waterbeken naar Zijnen wil.
Maria is verloofd of, zooals het in het Evangelie heet, ondertrouwd met Jozef. De huwelijksplechtigheid ontbrak nog slechts, maar die zou weldra plaats vinden. Alles ging den gewonen weg. Van de wonderbare beloften wist zij niets, hoewel zij ze had gelezen; want de mensch verstaat Gods Woord niet uit zichzelven, de Geest van Boven moet hem het verstand geven. „Maria" beteekent: wederspannigheid; wederspannig zijn wij allen, wij geven geen acht op 's Heeren weg en Woord. Doch zoo was het de leiding Gods, Die, als Hij iets groots en wonderbaars werkt, dat in stilte doet, en Zich verborgen houdt, evenals bij het bouwen van den tempel van Salomo de cederboomen, op den Libanon geveld, aldaar werden behouwen en bewerkt, evenzoo de steenen enz., maar te Jerusalern verrees het gebouw zonder gedruisch. Duivel en wereld maken veel drukte en leven bij hun werk, God echter niet.
„ E n de e n g e l t o t h a a r i n g e k o m e n z i j n d e , z e i d e: W e e s g e g r o e t , g i j b e g e n a d i g d e ! „Gegroet", d. w. z.: het moet u welgaan; „gij begenadigde", d. i.: gij, die genade hebt ontvangen, uwe zonde en schuld is voor God bedekt, Daarom, „ d e H e e r e is met u", en zal bij u blijven, uw God des vredes. „ G i j z i j t g e z e g e n d o n d e r de v r o u w e n ! " Waarom? omdat zij de minste was onder de vrouwen, want wat had zij, de laatste spruit uit den stam van David, nog te beteekenen? Het koninkrijk was weggenomen; zij bezat niets, nu Herodes regeerde. Wij kunnen ons wel voorstellen, dat zij zich aan Gods Woord hield en naar gerechtigheid trachtte ; daarom zal zij ook veracht, verstooton zjjn geweest onder de vrouwen, vervolgd en in den hoek gedrongen. Daarom zegt de engel: „Gij zijt gezegend!"
Maria echter had het hoofd niet vol van hooge gedachten, maar was ootmoedig; zij wist niet, wat het was: een engel of een mensch, een hemelling of een aardbewoner. „ Z i j w e rd z e e r o n t r o e r d " , want zij had zich niets aangematigd. Zij was misschien juist met haar huiswerk bezig, toen de schoone engel haar naderde en tot haar zeide: „Wees gegroet, gij begenadigde! de Heere is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen!" — „ H o e d a n i g mag d e z e g r o e t e n i s z i j n ?" denkt zij. Zoo zijn allen, die naar genade hongeren en dorsten, zij kunnen niet begrijpen, dat zij genade zouden ontvangen, dat de Heere in waarheid met hen zou zijn; en als zulk eene groetenis tot hen komt, weten zij niet, wat het moet beteekenen; zij zjjn vol v r e e z e en blijdschap en kunnen het niet begrjjpen. Dat wil de engel echter niet en hij zegt: „ V r e es n i e t , M a r i a ! w a n t g i j hebt g e n a d e b i j God gev o n d e n ! " Genade bjj God? wat voor genade? Dezelfde waarvan wij lezen in de geschiedenis van Noach, dat, toen de Heere zag, dat alle vleesch zijnen weg verdorven had, en de boosheid der menschen groot was, en Hij had besloten, hen allen te verdelgen, Noach genade vond in de oogen des Heeren. Toen dus Maria ontroerde, troostte de engel haar, dat zij genade had gevonden, niet omdat zij de moeder des Heeren, van den Heiland der wereld, zou zijn, maar omdat God de Heere harer zonde en schuld niet wilde gedenken. En nu eerst gaat de engel aldus voort: „ E n zie, g i j z u l t b e v r u c h t w o r d e n, e n e e n e n Z o o n b a r e n , en z u l t Z i j n e n N a a m h e e t en J e s u s " . Het zijn bijna dezelfde woorden als bij Jesaia: „Ziet, de maagd is zwanger en zij zal eenen Zoon baren, en Zijnen Naam Immanuël heeten"; de Naam alleen is hier anders. — God ontfermt Zich over den ellendige. Een groote troost is de prediking van het Evangelie, dat God Zich ontfermt, over wien Hij Zich ontfermt, en genadig is, wien Hij genadig is. Hij vraagt naar geene zonde, en komt en werpt Zich in onze ellende, tot verheerlijking Gods. — Wij hebben hier eigenlijk eene geheel onbekwame en ongeschikte persoon, want eene maagd kan niet baren. Maar de liefelijkheid des Evangelies is groot; de Heere komt steeds tot personen, die ongeschikt zijn, neemt ze bij de hand en gebruikt ze voor Zijn Koninkrijk. Die zichzelven als niets beschouwen, als veriatenen, die kan God gebruiken. Maria dacht, dat de groetenis geene betrekking had op haar; zij dacht: Ik ben eene zondares, een kind der wereld. Maar dat is de natuur en de aard van het geloof: de geloovige ziet niets, weet niet, waar iets vandaan moet komen; het is hem onbegrijpelijk, hoe hij zulk eene genade zal deelachtig worden; hij houdt het voor onmogelijk. „Hoe zal dat zijn?" denkt hij. Maar wij moeten niet zien op het zichtbare, maar alleen acht geven op Gods Woord, en dat vasthouden; want al zien wij het niet, God ziet het wel.
Uit Maria zal derhalve de Heiland geboren worden. Hij is dus waarachtig Mensch, uit het zaad van David, uit het vleesch en bloed der maagd Maria. Een Zoon van Adam was Hij, een Zoon van Seth, een Zoon van Abraham, een Zoon van David, een Zoon der maagd. Waarachtig Mensch dus, der menschelijke natuur volkomen deelachtig evenals Zijne broederen; alles wat wij zijn met lichaam en ziel, dat was Hij ook. En tevens zou Hij „ G o d s Z o o n " genaamd worden, „de Z o on des A l l e r h o o g s t e n " . Waarom staat er niet: Hij is Gods Zoon, maar: Hij zal Gods Zoon g e n a a m d worden? De Zoon Gods is Hij van eeuwigheid ; Hij is van eeuwigheid gegenereerd. De mensch was Gods kind in het paradijs, maar is daar van God afgevallen en een kind des duivels geworden. Nu wil God echter Zijn kind, Zjjnen zoon, terughebben, wil Zijn verloren kind aan de macht van duivel, dood en hel ontrukken, wil het redden, verlossen. Hoe zou dat geschieden? „ H o e zal dat w e z e n , d e w i j l ik g e e n en man b e k en n e ? " — Er zil ook geen man in gemengd worden! „ D e H e i l i g e G e e s t zal o v e r u k o m e n " , en u vervullen met het geloof aan Mijn Woord, om op te nemen in uw hart het Woord, in hetwelk geschapen is hemel en aarde. En schrikt gij. zwakke maagd, en deinst terug voor deze heerlijkheid, — „de kracht des A l l e r h o o g s t e n zal u overschaduwen , om af te schrikken alle macht des duivels, en het Woord in u te bewaren. „Daarom ook, dat H e i l i g e , Dat uit u g e b o r e n zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden." Wat Maria in geloof onbevlekt ontving door de kracht Gods, is de Zoon des Allerhoogsten. Hij neemt haar vleesch en bloed aan en daarmee alle verlorenheid van het mcnschelijk geslacht. Adam is door zijnen val in den afgrond, in de hel gezonken; hier lag in de aarde, d. w. z.: onder het hart der maagd (vergel. Ps. 139 : 15), de tweede Adam, het eeuwige Woord, Die, in heiligheid ontvangen en geboren zonder zonde, nochtans Zich heeft begeven, Zich heeft geworpen in onze ellende, in onze verlorenheid. Adam was koning in het paradijs, hij heerschte over alle schepselen, maar gaf zijne heerschappij moedwillig prijs om de begeerte. Maar God wil Zijnen koning terughebben, die regeeren zal op aarde en in den hemel. Hij wordt een eeuwig Koning. Een geboren Koning ligt onder het maagdelijk hart, laat Zich binden door de macht des doods; gebonden is Hij voor ons, in onze gevangenis geworpen, om dood en duivel te overwinnen en de gevangenis gevangen te nemen. David was een man naar Gods hart, die de belofte ontving; maar hij werd eenen weg geleid, waarop hij den 51stf" Psalm moest zingen. David had een Koninkrijk der belofte, een Rijk van genade en vergeving van zonden; hij gewon Salomo, en deze zat op den troon Davids en tevens des Ileeren. Maar Jesus zou, zooals wij bij Lukas lezen, den troon van Zijnen vader David ontvangen. Salomo was slechts de schaduw van den waren Vredevorst. Jesus zou den troon beërven, waar het Woord Gods regeert, een Koninkrijk van genade, van zondenvergeving, van heil en zaligheid. De Zoon des Allerhoogsten, d. i. des allerhoogsten Gods, was Hij, Die Zich den troon door God den Heere liet geven. Hij werpt Zich in de verlorenheid, maar blijft in de gehoorzaamheid, en de belofte wordt aan Hem vervuld: Gij zult alles beërven. Hjj verloochent alles, geeft alles prijs, geeft Zichzelven in den dood; daarom ontvangt Hij van God den troon Davids. Hij zit daarop als de Mensch Jesus Christus. Niet als David, die gestorven is. Jesus Christus, de Middelaar Gods en der menschen, is Koning in eeuwigheid. Hij sterft niet. Eenmaal is Hij gestorven aan het kruis, is begraven, opgestaan, ten hemel gevaren, heeft Zich gezet aan de Rechterhand der macht Gods en regeert. Nu sterft Hij niet meer, maar is Koning, en Zijn Koninkrijk heeft geen einde. Wat van Hem geldt, geldt ook van Zijne Kerk; Hij wordt niet onttroond, dus zal ook zij niet in de hel geslingerd worden. „Ik geef hun het eeuwige leven, en niemand zal ze uit Mijne hand rukken", — heerlijke woorden! vol genade en vrede! die wij evenwel eerst dan verstaan, als wij het woord des Ileeren gelooven, hetwelk Hij door den mond van den Profeet Ezechiël gesproken heeft: „Gij schapen Mijner weide, gij zijt menschen". Wat een half-engel wil zijn, zot zich hooger en kan het Evangelie niet aannemen "\Yat vroom, wat heilig wil zijn, zet zich hooger en kan het Evangelio niet aannemen, dat afdaalt in de diepte. Maar wat zich wringt en kromt, klaagt en jammert: „O, ik ellendig mensch, wees mij zondaar genadig!" — dat komt tot God. De van God afgevallen mensch zal öf tot God terugkeeren, of in den afgrond storten, waar de duivelen zijn ; hij komt öf in den hemel, of in de hel! Hoe? zijn er dan geene ladders, om op te klimmen uit den afgrond van zonde en verdoemenis,, om onze zielen omhoog te voeren ? Wat voor onderpand heb ik in den doodsstrijd? Wat kan helpen, redden, verlossen? De mensch moet tot God, maar de wet verbrijzelt hem, slingert hem tegen den grond, — wie kan hem helpen ? wie hem troosten? Wie kan het hem geven, dat hij God aangrijpt? Waar is het woord, dat mij zegt, dat ik niet zal omkomen? — Wie gelooft, die heeft het! De menBch, — ik, gij, — over enkele jaren, over enkele dagen zijn wij in het graf, — ik, gij! Wie gelooft, die heeft het! O mensch, kom! met uw gansche mensch-zijn! Gij zijt geborgen! God heeft Zich eerst tot ons gewend! Hij heeft het gedaan! Hij heeft Zijnen bode gezonden tot de maagd Maria, Hij heeft haar geloof gegeven,, om den Almachtige te omvatten en een Kindeken te baren. God de Heere is geopenbaard in het vleesch. Hij, Dien de hemel der hemelen niet kan omvatten, het afschijnsel van de heerlijkheid Gods, gaat en legt Zich onder het hart der maagd. Hij omvat den verloren Adam, Hij neemt hem in Zich op, wordt een mensch als Adam, wordt zwak en hulpeloos, neemt ellende en armoede aan, legt af alle Goddelijke heerlijkheid en majesteit, legt af den glans, waarvoor de cherubim zich buigen en hunne aangezichten bedekken, den ganschen stroom van Goddelijk licht en Goddelijken glans, — en wordt een mensch! Het Woord wordt vleesch, werpt Zich neder in de diepte van Adams verlorenheid, neemt deze in Zich op, neemt u en mij in Zich op, en slaat en worstelt Zich door alles, door zonde, duivel, dood, heen. Hij wil zekerheid hebben, dat de menschen behouden zijn; die door den Heiligen Geest met Hem vereenigd zijn, hebben zich aan Hem te houden. Wat de mensch niet kan : uit eigen kracht de hel ontvlieden en den hemel binnengaan^ dat doet Hij. Hij stelt Zich in de bres en werpt Zich in den afgrond der ellende, Zelf geene kracht en sterkte hebbende. Maar de Geest des Heeren is op Hem; Hij volhardt, gelooft, wankelt niet, geeft Gode de eer door allen tegenstand heen. Uit liefde tot het verloren schaap gaat Hij rustig door, door den brand der wereld, door de duisternis en schaduw des doods heen, met allen, die de Vader Hem gegeven heeft, en slaat Zich er door met het schild des geloofs en het zwaard van het Woord Gods, — God uit God, Licht uit Licht, en nochtansvleesch, — Hij slaat er Zich door en overwint! Hij draagt in Zich Zijne broeders en zusters, opdat zij één zijn met Hem., opgenomen in Hem, opdat zij met Hem begraven worden en met Hem opstaan, en met Hem opvaren ten hemel, om te zitten aan de Rechterhand Gods. — Hij zendt aan Zijnegeloovigen Zijnen Heiligen Geest, opdat Die ons overtuige van zonde, ons tot verlorenen make, terechtbrenge, onderwijze, en doe volharden. Weg is de scheidsmuur, weg de klove, die daar was tuaschen den hemel en ons, die ons van God scheidde. Hij regeert over een vrij en vroolijk volk, dat staat in de vrijheid Zijner genade, dat Gods weg bewaart en Zijne geboden onderhoudt. Hij regeert met macht en majesteit, en wel ons, zoo wij vasthouden in al onzen jammer en ellende, in al onzen nood en verkeerdheid, in al onze donkerheid en duisternis, dat de Heere God is, een Koning tot in eeuwigheid, en dat er geen ding bij God onmogelijk is.

21 December 1856.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 december 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Betrachting over Lukas 1 : 26- 37.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 december 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken