Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vraag en Antwoord 31 en 32.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vraag en Antwoord 31 en 32.

23 minuten leestijd

Met het Antwoord op de Vraag: „ W a a r o m w o r d t H ij C h r i s t u s , dat is: een G e z a l f d e , g e n a a m d ? " gaat de Catechismus over tot verklaring van den Naam Christus, waarin de heerlijkheid van den Naam Jesus openbaar wordt. Want de Naam Christus, hoezeer dikwijls als eigennaam gebruikt, duidt eigenlijk een ambt aan, hetzij dat van profeet, of van priester, of van koning. Bij den Zoon van God duidt de Naam Gezalfde de drie ambten gezamenlijk aan.
Hier mogen wij niet vergeten, dat de menseh bestemd is, om een profeet, priester en koning te zijn. Hij is van God geschapen, om Hem recht te kennen, mitsdien als profeet recht van Hem te getuigen in woord en wandel; als priester voor Gods Aangezicht te staan, als een dienaar, die opgaat in den wil van zijnen God, in den hem aangewezen kring; eindelijk als een koning, om in de hem van God gegeven macht al hetgeen aan hem onderworpen was, te besturen naar Gods wil. Om nu aan deze roeping te kunnen voldoen, heeft God den menBch geschapen in Zijn beeld, naar Zijne gelijkenis, d. i. hem gesteld in ware gerechtigheid en heiligheid; maar de mensch heeft zichzelven en al zijne nakomelingen door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven beroofd.
Nu heeft God Zijnen Zoon gegeven, en Deze had de opdracht, om in eenen van God vervreemden toestand dit drievoudig ambt te bekleeden op eene wijze, welke naar den wil van God was. En dat heeft Hij ook volkomenlijk volbracht.
Onder Israël droegen profeten, priesters en koningen den naam van gezalfden. In 1 Kon. 19 : 16 lezen wij, dat de profeet Elia Jehu moest zalven ten koning van Israël, en Elisa tot profeet in zijne plaats. In Lev. 6 : 22 wordt de priester uitdrukkelijk de gezalfde genaamd. De zalving geschiedde met kostbare olie, en beteekende, dat God hem, dien Hij tot een dezer ambten had geroepen, zou ondersteunen mot Zijnen Geest. De zalving was dus voor den gezalfde eene bemoediging in den strijd, gelijk bijv. de uitoefening van het priesterambt in Num. 8 : 24 een strijd genoemd wordt. Maar had de priesterlijke bediening des Heeren hulpe noodig, om in het heiligdom alles te doen naar Gods bevel, evenzeer hadden de profeten de ondersteuning des Heeren noodig, om tegen alle valsche profeten des Heeren in, die zich gaarne uitgaven als vervuld met 's Heeren Geest, het Woord des Heeren den volke en hunnen oversten bekend te maken. Zoo ook de koningen, om recht en gerechtigheid te doen, om zonder aanzien des persoons de armen en ellendigen des lands te helpen. — Voor het volk was de zalving een getuigenis, dat men naar den gezalfde had te hooren.
Al vinden wij nu bij sommige personen twee ambten vereenigd, — bijv. het koninklijk en priesterlijk ambt bij Melchizedek, het profetisch en koninklijk bij David, — de drie ambten vinden wij alleen in Christus vereenigd.
De Catechismus zegt nu, dat Christus „van God den V a d e r v e r o r d i n e e r d en met den H e i l i g e n G e e st g e z a l f d is t o t o n z e n h o o g s t e n P r o f e e t en Leeraar". De uitwendige zalving ontving Christus van de hoofden des volks niet; maar schoon de kerkelijke overheid Christus deze niet heeft gegeven, zoo ontving Hij ze van den Vader; — Johannes de Dooper zag bij den doop des Heilands den Geest Gods op Hem nederdalen en op Hem blijven. Daarmede getuigde de Vader: „Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijne ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijnen Geest op IIem gegeven; Hij zal het recht den Heidenen voortbrengen". (Jes. 42 : 1.) En naar den mond van Christus Zelf, Luk. 4 : 21, is in Hem vervuld hetgeen wij lezen bij den Profeet Jesaia (Hoofdst. 61 : 1—3): „De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om eene blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen: Hij heeft Mij gezonden, om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis, om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren, en den dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten". Deze zalving van den Vader is de hulpe, welke Hem besteld is. (Ps. 89 : 20.) En als den Gezalfde Gods erkennen Hem de armen en verslagenen van geest en die voor Gods Woord beven. Dat is toch de bedoeling der zalving door eene vrouw, die eene zondares was (Luk. 7), en de zalving door Maria, de zuster van Lazarus.
Hij is dan allereerst gezalfd tot onzen h o o g s t e n P r o f e e t en L e e r a a r . Als zoodanig is Hij reeds aangekondigd door den Heere aan Mozes, Deut. 18 : 17 —19: „Toen zeide de Heere: IIet is goed, wat zij gesproken hebben: eenen Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijne woorden in Zijnen mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hom gebieden zal. En het zal geschieden, de man, die niet zal hooren naar Mijne woorden, die IIij in Mijnen Naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken".
En gelijk Hij aangekondigd is, alzoo is Hij gekomen en heeft ons de rechte leer gebracht. Velen hooren met afkeer het woord „leer." En toch heeft Christus met nadruk tot de Joden gesproken van Zjjne leer, gelijk wij lezen Joh. 7 : 16 en 17: „Jesus antwoordde hun en zeide: Mijne leer is Mijne niet, maar Desgenen, Die Mij gezonden heeft. Zoo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mijzelven spreek". Deze leer is de o p e n b a r i n g van „den v e r b o r g e n r a a d en w i l Gods van onze v e r l o s s i n g ".
De Catechismus spreekt hier van openbaring in denzelfden zin als de Apostel Paulus in Rom 16: 25 en 26: „Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie in de prediking van Jesus Christus, naar de o p e n b a r i n g der verb o r g e n h e i d , die van de tijden der eeuwen v e r z w e g en is g e w e e s t , maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al de Heidenen bekend is gemaakt". De Apostel zegt, dat de openbaring is verzwegen geweest, — verzwegen, dewijl allerlei leeringen on inzettingen van menschen datgene, wat reeds in het paradijs was geopenbaard en daarna herhaald verkondigd, hadden verdrongen. Zoo is Christus gekomen en heeft dien verborgen, door allerlei inzettingen van menschen verborgen raad aangaande onze verlossing „volkome n l i j k g e o p e n b a a r d " . Geeno nadere uiteenzetting is nu meer noodig. „Niemand heeft ooit God gezien; de eeniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard." (Joh. 1: 18.) En zóó lezen wij in den Brief aan de Ilebreën (Hoofdst. 1 : 1 ) : „God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de Profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon". Hetgeen God door den Zoon geopenbaard heeft, is de laatste, doch volkoniene openbaring. Daarom getuigde de Vader van Hem: „Hoort l l e m ! " (Matth 17:5.) Daarom hebben wij allen naar Hem te hooren, alles te toetsen aan Zijn Woord; hoe zeer iets ook moge gelijken op het Woord Gods, welke schijn of welke teekenen er ook voor pleiten, wij hebben het te verwerpen, wanneer het niet met Zjjn Woord overeenkomt.
Christus heeft Zijne leer weder overgegeven aan Zijne Apostelen blijkens Joh. 1 7 : 8 : „De woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen". Daarom zijn de Apostelen ook verzekerd in den Heiligen Geest, dat hetgeen zij leeren, niet hunne leer is, maar de leer van Christus, — dat zij het Woord Gods brengen. 1 Thess. 2 : 13: „Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat als gij het Woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet als der menschen woord, maar, gelijk het waarlijk is, als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft." Van het profetisch ambt getuigen onder andere plaatsen nog Ps. 40: 9—11, ook Jes. 19:20b : „IIij zal hun eenen Heiland en Meester zenden, Die zal hen verlossen ".
Zoo hebben wij dan in de leer van Christus het grootste geschenk van God. Wat zouden wij weten van den hoogen God zonder de openbaring van Christus? En wel verre dat deze leer een hard juk en een zware last zou zijn, zegt Hij Zelf: „Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht". Hij komt tot den bekommerde niet met allerlei geboden en inzettingen, met allerlei werk, — maar dit is Zijn antwoord op de vraag: „Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?": „Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien I I i j gezonden heeft". (Joh. 6 : 28 en 29.)
Zullen wij nu waarlijk door Zijne leer vertroost worden, zoo hebben wij te verstaan, dat onze gedachten en leeringen aangaande God en onze zaligheid enkel onverstand zijn, want hetgeen God door Zijnen Zoon getuigd heeft, is in des menschen verstand niet opgekomen. Daarentegen hebben wij dit te verstaan: dat Christus recht getuigd, recht geleerd heeft van God den Vader, en daarmede de zonde van ons onverstand, van al onze verkeerde gedachten verzoend en ons den Geest verworven heeft, opdat wij ook profeten zouden zijn, dat is: van den Naam van Jesus zouden getuigen en trouwelijk bij Zijne leer zouden blijven; en naarmate wij de leer der genade gaan verstaan, des te meer zal bij ons de bede zijn: „Heere, leid mij in Uwe waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils". (Ps. 25 : 4 en 5.)
Maar niet alleen als Profeet en Leeraar is Christus de Gezalfde, Hij is ook de Gezalfde als de e e n i g e Hoogepr i e s t e r . Hoe is de heerlijkheid van Christus in de geheele priesterlijke bediening van Israël afgebeeld, inzonderheid in het werk en de kleeding van den hoogepriester! De Brief aan de Hebreen vooral wijst op de troostvolle beteekenis van het Priesterschap van Christus! Doch gelijk Christus als Profeet hooger is dan Mozes, zoo is Hij ook als Hoogepriester hooger dan alle priesters en hoogepriesters uit het geslacht van Aaron. Daarom is Melchizedek, die hooger was dan Abraham, dus ook dan Levi en Aiiron, het beeld van Christus.
Had Christus van God de zalving tot Profeet, evenzeer had Hij de zalving tot Hoogepriester van den Vader, gelijk wij lezen in Ps. 110: 4: „De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek".
De beteekenis van Christus' Priesterschap wordt ons duidelijk, wanneer wij bedenken, dat de mensch, nadat hij door moedwillige ongehoorzaamheid zijn priesterambt verdorven en dus verloren had, niet onmiddellijk meer tot God mocht naderen. God moet den mensch in gemeenschap zien met het bloed van het door Hem verordend offer, en daarom mocht de priester onder Israël zelf niet zonder bloed komen in het heiligdom. De geheele tent der samenkomst moest, naar Lev. 16: 16, gereinigd worden door bloed. Alles rust op bloedstorting, gelijk de Apostel leert Hebr. 9 : 2 2 : „Zonder bloedstorting geschiedt geene vergeving". En wederom: „ Het bloed van Jesus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonde". (1 Joh. 1 : 7.)
In het heilige en het heilige der heiligen van den aardsehen tempel is Christus niet ingegaan, maar Hij is in den beteren en volmaakteren tabernakel ingegaan: voor Gods Aangezicht heeft Hij de verzoening volbracht. En waren onder Israël priester en offer onderscheiden, bij dezen Priester Christus zijn offeraar en offer één. Met Zijn lichaam heeft Hij ons verlost door Zijn zwaar en bitter lijden, waarop wij bij de behandeling van Yraag 37 — 44 nader terugkomen. In die „ e e n i g e o f f e r a n de Z i j n s l i c h a a m s " heeft Hij de zonde van het eigenmachtig dienen van God verzoend. Door Zijnen dood heeft Hij de vrijheid verworven voor degenen, die met hun doen God en den naaste doodden, gelijk in de verordening aangaande de vrijsteden wordt afgebeeld.
Laat ons het niet vergeten, dat de Catechismus spreekt van de e e n i g e offerande. Er is geene offerande Gode welbehaaglijk dan die van Christus alleen. Ja om deze offerande alleen zijn al de andere offeranden Gode aangenaam. Dat wij toch allen leeren van andere offeranden af te zien. Al gaven wij onze lichamen over, om verbrand te worden, al gaven wij al ons goed aan de armen, al bogen wij ons nog zoo diep onder de allerzwaarste kastijding, — niets kan ons redden dan alleen deze eenige offerande. Dat wij dan in onze harten dat bloed heiligen, dat wil zeggen: met dat bloed alleen naderen tot den hoogen God; dan zullen wij gespaard blijven onder het gestrenge oordeel Gods, dat wegens de zonde over ons moet gaan. De slaande engel in Egypteland ging overal voorbij, waar het bloed van het lam aan de zijposten en den bovendorpel der Israëlietische woningen was; en zoo zal geen kwaad des eeuwigen oordeels ons treffen, als wij de verzoening zoeken in het bloed van Christus.
Gelijk nu de verwerving des heils door Christus afgebeeld wordt in hetgeen de Israëlietische priester had te doen, zoo wordt ook de bewaring bij de verworvene verlossing afgebeeld in de voorbede van den hoogeprieater. De hoogepriester beleed niet alleen de zonden des volks, maar hij had, naar Lev. 16:12 en 13, ook een wierookvat vol vurige kolen te nemen van het altaar, van voor het Aangezicht des Heeren, en zijne handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestooten, te dragen binnen den voorhang. „En hij zal", zoo lezen wij verder, „dat reukwerk op het vuur leggen, voor het Aangezicht des Heeren, opdat de nevel des reukwerks het verzoendeksel, hetwelk is op de getuigenis, bedekke, en dat hij niet sterve." Dit reukwerk beeldt af de voorbede van Christus, waarop de Catechismus wijst met de woorden: „e n o n s m e t Z i j n e voorb i d d i n g s t e e d s v o o r t r e e d t bij d e n V a d e r " . Hierop wijst de Apostel Paulus in Rom. 8 : 3 4 : „Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt"; alsmede de Apostel Johannes, ls t e Brief, Hoofstuk 2 : 1 : „Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben eenen Voorspraak bij den Yader, Jesus Christus, den Rechtvaardige".
In deze voorbede is de vrucht van het werk vau Christus gewaarborgd, namelijk de volharding der heiligen, want de Yader verhoort den Zoon. En hoe zouden de geloovigen volharden, om voortdurend tot het bloed vau Christus de toevlucht te nemen, indien niet Christus met Zijne macht, met Zijne voorbidding hen ondersteunde? Dit doet Hij, daar Hij geen hoogepriester is, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, — d. i. met de veelvuldige bewijzen, dat het ons onmogelijk is, bij de genade te blijven, — maar Zelf den strijd des geloofs in het vleesch doorgemaakt hebbende, is Hij met Zijne voorspraak bij den Vader en maakt telkens de aanklachten des Satans tegen de geloovigen krachteloos.
En eindelijk is Hij gezalfd tot onzen e e u w i g e n K o n i n g . Onze h o o g s t e Profeet en Leeraar, onze e e n i g e Hoogepriester is tevens onze e e u w i g e Koning. In Hem is vervuld hetgeen afgebeeld werd in Melchizedek, David en Salomo. Hij is do Koning der gerechtigheid, de Overwinnaar van al Zijne en onze vijanden, de Koning des vredes, Die allerlei welvaart schenkt aan Zijn volk. Hij regeert, en der grootheid Zijner heerschappij en des vredes zal geen einde zijn.
De zalving van Christus tot Koning wordt duidelijk geleerd in Psalm 2: „Ik toch heb Mijnen Koning gezalfd over Zion, den berg Mijner heiligheid", en op vele plaatsen meer. Deze Koning heeft Zich laten regeeren door het W o o r d Gods en door Zijnen G e e s t , en heeft alzoo de heerschappij van den Vader ontvangen over alles. Doordat Hij Zich heeft laten leiden en regeeren door het Woord en den Heiligen Geest, heeft Hij de begeerte des menschen, om eigenmachtig te regeeren, verzoend, en zoo is Hij tot eenen Heere en Vorst gemaakt. Aan welke aanvallen van hoog en laag Zijne heerschappij ook moge blootstaan, welke koningen en vorsten op gebied van Staat of dusgenaamde wetenschap zich ook mogen opmaken, — Zijns is het Koninkrijk, en te midden van den heeten strijd van duivel en wereld en eigen vleesch bewaart deze Koning Zijne Gemeente met herderlijke trouw.
Het middel, waarvan deze Koning Zich in de heerschappij over Zijne Gemeente bedient, is allereerst Zijn W o o r d . Daardoor geeft Hij leering, vermaning en vertroosting. Hij leert de Zijnen bij Zijn Woord te blijven, hetwelk alles tot stand brengt, wat het zegt. Voorts ook door Zijnen G e e s t , Welken Hij verworven heeft. Door den Geest worden zij in al de waarheid geleid, worden er bij bepaald, wat zonde en wat gerechtigheid is in het Koninkrijk Gods. En daar Zjjne heerschappij eene heerschappij des vredes is, moet al hetgeen Hij doet door Zijn Woord en door Zijnen Geest dienen tot bevestiging van hun heil, tot toeneming in de kennis van God den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest. Hij geeft den Zijnen het eeuwige leven: — „en dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen, waarachtigen God, en Jesus Christus, Dien Gij gezonden hebt".
Gelijk wij van Salomo lezen, dat onder hem Juda en Israël zeker woonden, een iegelijk onder zijnen wijnstok en onder zijnen vijgeboom, zoo weet Hij, van Wien Salomo in zijne heerlijkheid een beeld was, Zijn volk te zegenen met vrede. En gelijk Salomo van de kinderen Israëls geene slaven maakte (1 Kon. 9 : 22), maar hen eerde, door hen aan te stellen tot krijgslieden en tot zijne knechten en zijne vorsten en zijne hoofdlieden en de oversten van zijne wagenen en zijneruiteren, zoo geeft ook Christus aan Zijne onderdanen geene slaafsche gezindheid, maar maakt hen allen vrij, die IIem gegeven zijn; daarom verheugt zich de dochter Zions over haren Koning en zingt van Hem, bij de aanschouwing van Zijne algoede heerschappij : „Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen, genade is uitgestort in Uwe lippen, daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid". (Ps. 45 : 3.)
Aan welke aanvallen dan ook Zijne onderdanen mogen blootgesteld zijn, hoezeer de duivel het op hunnen ondergang moge toeleggen, de wereld moge haten en verdrukken, en eigen vleesch moge aanvechten, zij zullen toch Christus niet worden ontrukt; Hij zal, als de goede Herder, niet toelaten, dat zij omkomen; alle instrument, dat tegen hen bereid wordt, zal geenszins gelukken; het heil, dat Christus als Hoogepriester met Zijn bloed voor de Zijnen verworven heeft, weet Hij ook als Koning met Zijne macht h u n te s c h e n k e n en voor hen te b e w a r e n , zoodat zij voor en na al Zijne zegeningen deelachtig worden.
Uit het voorgaande blijkt, dat Jesus, al hetgeen Hij naar Zijn drievoudig ambt is, Zijne G e m e e n t e ten goede is. God de Vader heeft Zijne kinderen door en in den Zoon gesteld, waartoe de Zoon gesteld is; dientengevolge zijn ook zij profeten, priesters en koningen. De Catechismus leert dit in de volgende Vraag: „Maar waarom wordt gij een C h r i s t e n g e n a a m d ? " en het Antwoord daarop: „ O m d at i k door het g e l o o f een l i d m a a t van C h r i s t u s , en a l z o o Z i j n e r z a l v i n g d e e l a c h t i g ben; o p d a t ik Z i j n e n Naam b e k e n n e , en m i j z e i v e n tot een l e v e n d d a n k o f f e r Hem o f f e r e , en met een vrij en goed g e w e t e n in dit l e v e n tegen de zonde en den d u i v e l s t r i j d e , en h i e r n a m a a l s in eeuwigh e i d met H e m over a l l e s c h e p s e l e n regeere".
Oorspronkelijk was de naam van Christen geen eerenaam. (Hand. 11 : 26.) Thans is het anders; velen zelfs houden zich voor Christenen op eenen anderen grond, dan hier in den Catechismus op grond der Schrift geleerd wordt. Zonder het oprecht geloof in Jesus Christus mag de schijn en naam van Christen er zijn, het wezen is er niet. Daar het oprecht geloof in Jesus Christus gewerkt wordt door den Heiligen Geest, doet de Heilige Geest den waren Christen ook deel hebben aan de zalving van Christus; en deze gemeenschap openbaart zich in drie onbedrieglijke en niet na te maken kenmerken, nml.: b e l i j d e n i s van den N a a m J e s u s, o p o f f e r i n g van z i c h z e l v e n als een l e v e n d danko f f e r , en s t r i j d tegen de zonde en den d u i v e l, waarin wij wederom hebben het drievoudig ambt van profeet, priester en koning.
In Christus zijn dus de geloovigen weder gesteld tot profeten, en wel om den Naam van Christus te belijden, en door wandel en woord te getuigen, dat de gerechtigheid en sterkte alleen is in Hem, dat Hij alleen de rots is; en deze belijdenis is in hunnen mond een tweesnijdend zwaard ; door het bloed des Lams en door het woord hunner getuigenis hebben zij overwonnen en overwinnen zij. En gelijk Christus de waarheid is en het leven, zoo draagt Hij zorg, dat hetgeen de Zijnen belijden met den mond, ook waarheid is in hun hart en in hun leven, en meer en meer waarheid wordt. Want zij, die naar gerechtigheid vragen, vragen daarnaar allermeest met hun hart; de zalving nu, die in hen blijft, laat hen niet met rust, zoodat zij zóó geleid worden, dat zij zichzelven oefenen om altijd een onergerlijk geweten te hebben voor God en de menschen De Heilige Geest drijft en tuchtigt hen zóó, dat zij naar den wille Gods vragen, en daarin, ondanks alle tegenkanting des vleesches, hunnen lust vinden. Zoo offeren zij zichzelven tot een levend dankoffer. Hunne bede is: „Och, dat mijne wegen gericht werden, om Uwe inzettingen te bewaren", en juist dewijl zij l e ve n d e dankoffers ziju, is het hunne voortdurende bede: „Heere, maak mij levend!" want zij gevoelen den schrikkelijken dood dikwijls op pijnlijke wijze. Christus nu, Die de Wijnstok is, draagt zorg, dat de in Hem ingeplante ranken vruchten dragen, m. a. w. dat het volk, door Hem gekocht, Zijnen lof vertelt, niet alleen door hun getuigenis, maar ook in hunnen wandel.
En gelijk Christus gezegend is van den Vader en gezeten is met Hem in Zijnen troon, zoo hebben de geloovigen ook deel aan Zijne heerschappij (Openb. 3:21). Onbestreden blijft deze heerschappij niet; de zonde en de duivel bespotten haar dikwerf, maar waar de zalving is, wordt de strijd tegen zonde en duivel gestreden met een vrij en goed geweten, dat wil zeggen: zooals zij zijn, houden zij zich aan de genade; en al gaat het bij dezen kamp dikwerf op leven en dood, -— voorzien van de wapenrusting Gods geven zij het den duivel en der zonde niet gewonuen. En juist dit is hunne overwinning, dat zij bij elke nederlaag zeggen: „ Verblijd u niet ovér mij, o mijne vijandin! wanneer ik gevallen ben zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de Heere mij een licht zijn". (Micha 7 : 8.) In dit getuigenis overwinnen zij den tegenstander, zij, die van zichzelven getuigen: „In ons is geene kracht tegen deze groote menigte, welke tegen ons komt!" (2 Kron. 20: 12.) Dat zij nu in weerwil van de nederlaag het zonde en duivel niet gewonnen geven, en juist zóó overwinnen, is het gevolg der zalving Christi, welke zij deelachtig zijn.
Hebben zij deel aan het lijden van Christus, zoo hebben zij ook deel aan Zijne heerlijkheid; zij zullen met Hem tot eere gebracht en gekroond worden; gelijk de gezalfden, de Christenen, met Christus reeds op aarde heerschen in het Woord, zoo zullen zij eenmaal met Hem over alle schepselen regeeren. Een duidelijk getuigenis daarvan geeft de Apostel Paulus in 1 Cor. 6 : 2 en 3 : „ Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordeelen zullen? Weet gij niet, dat wij de engelen oordeelen zullen?" — De Catechismus ziet bij de uitdrukking „over alle schepselen regeeren" op de gemeenschap met Hem, Wien naar Psalm 8 alles onderworpen is
Zoo blijkt dus en zal blijken de waarheid van hetgeen Christus van de Zijnen zegt: „Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt". (Joh. 17 : 22 ) Deze heerlijkheid wordt hier niet gezien, wel het tegendeel; maar hier geldt de wet van het Koninkrijk Gods: „Zalig zijn zij, die niet zullen gezien, en nochtans zullen geloofd hebben". Juist zóó zijn zij koningen, om tegen elke beschuldiging des duivels en der zonde en tegen alle machtsbetoon der wereld te roemen van de heerlijkheid van Christus, van licht in duisternis, van overwinning bij nederlaag. — Dit vermogen zjj gewis uit zichzelven niet, maar daartoe wekt hen op de Heilige Geest, de Trooster, Welken zij van den Gezalfde hebben; en zoo zingen zij: „Ik zal niet sterven, maar leven, en de werken des Heeren vertellen!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 februari 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Vraag en Antwoord 31 en 32.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 februari 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken