Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Betrachting over Mattheüs 26 : 26—28.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Mattheüs 26 : 26—28.

23 minuten leestijd

„En als zij aten, nam Jesus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit; want dat is Mijn bloed, het bloed des nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden."

Het is goed, als men meer en meer bevestigd wordt in de hoofdwaarheden van het Evangelie, want de ziel des menschen wil zich niet gaarne laten onderwijzen, maar gaat in lichtzinnigheid het leven door, laat zich vangen en terughouden door het zichtbare, en wat het geestelijk leven betreft, daarin onder wijst men zich niet. Zoo kan men dan op eens eene prooi des duivels worden en niet bestand blijken te zijn, als men op de proef gesteld wordt. Daarom zeg ik, het is goed, als men zich laat onderwijzen in de hoofdwaarheden van de leer der zaligheid. En zoo willen wij dan naar aanleiding van de bovenstaande woorden van Mattheüs de leer van het Heilig Avondmaal nogmaals overwegen.
„ E n a l s z i j a t e n " , •— namelijk het paaschlam, — „ n am J e s u s " — de Zaligmaker, Die ons eens vooral zalig gemaakt heeft van onze zonden, Wiens liefde vele wateren niet kunnen uitblusschen, en van Wien wij ook lezen: „Gelijk Hij Zijne discipelen heeft liefgehad, zoo heeft Hij hen liefgehad tot het einde", — dus de heilige Heiland van arme zondaren nam „ b r o o d " . Had Hij daarmee wat bijzonders voor? Het brood gaf Hij hun niet tot verzadiging huns lichaams, Hij wilde hun iets anders geven, namelijk Zijn lichaam en Zijn bloed. Maar Zijn wezenlijk lichaam en bloed kon Hij hun niet te eten en te drinken geven, want dan had Hij Zich eerst moeten laten slachten, maar Hij wilde hun geven, wat Hij met Zijn lichaam aan het kruis voor hen zou verwerven, Hij wilde hun dus Zijne ganache heilige verdienste, die Hij voor hen aan het kruis verwerven zou, meêdeelen. Ofschoon Hij namelijk nog niet gekruisigd was, kon Hij er toch over beschikken; want al had Hij in werkelijkheid de zonde nog niet weggedragen, Hij had het toch gedaan naar den eeuwigen raad en wil Gods, Zoo deelde Hij dus uit, wat Hij met Zijn lichaam en met het uitstorten van Zijn heilig bloed, door Zijn allerheiligst lijden en Zijnen smadelijken dood aan het kruis, zou verwerven. —• Maar nog meer gaf Hij hun. Want het lichaam, dat Hij Zich door God had laten geven, had Hij niet aangenomen voor Zichzelven, maar voor de Zijnen, en in het aannemen van dit lichaam, om daarin den wil Gods te doen, nam Hij allen in Zich op, die de Vader Hem had gegeven. Dezen moesten één worden met Zijn lichaam; zij waren dat reeds, doordat Hij dit lichaam had aangenomen, maar zij moesten een onderpand hebben, dat zij met hun lichaam één waren met Zjjn lichaam; en daar dit door den Heiligen Geest en in geloof moest geschieden, moest Hij hun iets geven voor hunne zielen.
De Heere Jesus nam dus het brood, „en g e z e g e n d hebb e n d e " , —• Hij was in Zijn hart verheugd, dat de ure gekomen was, om den Vader te verheerlijken, om de Zijnen te verlossen, en hun door uiterlijke dingen eene verzekering te geven van Zijne liefde en trouw en hunne gemeenschap met Hem, — „ b r a k H i j h e t " , — vooreerst omdat het hard gebakken was, maar ook als symbool: zoo breekt men Mijn lichaam in stukken voor u, opdat gij in Mij iets geheels, iets volkomens zoudt zijn. Verder zeide Hij: „ N e e m t ! " Hij zegt niet eerst: „Dat is Mijn lichaam", — dan zouden de discipelen bedenkingen hebben gemaakt, — maar de liefde vangt met listigheid, daarom zegt Hij eerst: „Neemt!" zij weten dus eigenlijk nog niet, wat zij nemen. Zij nemen het uit Zijne hand aan, en daarna zegt Hij: „ E e t " , opdat zij de stukken in den mond zullen steken, en toen zij dat nu gedaan hadden, zeide Hij: „ D a t i s M i j n l i c h a a m !"
Ja, dat was eene verrassende liefde, dat was eene list der liefde! Had Hij vooraf gezegd: „Dat is Mijn lichaam", zij zouden niet gegeten hebben. „Dat vatten wij niet", zouden zij gezegd hebben, „dat verstaan wij niet, Gij zit hier met ons aan den disch, — neen, dat kan Uw lichaam niet zijn. Bovendien, wilt Gij U dus voor ons laten dooden, U voor ons laten slachten ? — dat zal in eeuwigheid niet geschieden! "Wij hebben dat lichaam en dat bloed niet noodig, blijf Gij bij ons, dat is veel beter!" Zóó zouden zij gesproken hebben; nu heeft de Heere Jesus hen echter in liefde met listigheid gevangen, en eerst toen zij het brood reeds in den mond hadden, tot hen gezegd: „Dat is Mijn lichaam".
Natuurlijk was het brood niet naar de letter het lichaam des Heeren, en de wyn niet naar de letter Zijn bloed; want het brood blijft brood, en de wijn blijft wijn. Het brood verandert ook niet in Christus' lichaam, noch de wijn in Zijn bloed; want de Heere blijft immers bjj hen aan tafel zitten ; Hij zegt ook niet: „Het brood is veranderd in Mijn lichaam", maar: „Het is Mijn lichaam!" Als ik iemand wat wil schenken, maar het op het oogenblik niet bij de hand heb, of het hem niet kan toonen, dan kan ik immers ook iets anders nemen en hem dat ter hand stellen en zeggen: „Ziedaar, neem dit aan, dat is dit of dat!" Dat doen wij in het dagelijksch leven dikwijls, en komt ontelbare malen bij het koopen en verkoopea voor. Zoo heb ik iemand mijn huis gegeven, als ik hem den onderteekenden en gezegelden koopbrief heb gegeven; maar daarom is de brief niet het huis zelf.
De Heere Jesus nu neemt iets, dat overeenkomst heeft met wat Hij geven wil; Hij neemt brood en wijn. Wat wil Hij daarmeê te verstaan geven ? Brood beteekent, zooals wij weten, al datgene, wat wij noodig hebben tot onderhouding van het tijdelijk leven; en wijn is in het Oosten, evenals in Zwitserland, in Frankrijk enz., waar veel wijn groeit en de wijn bijgevolg zeer goedkoop is, een zeer algemeene drank. Wat nu het brood is voor mijn lichaam, dat is het lichaam van den Heere Jesus voor mijne ziel. Evenals het brood den lichamelijken honger stilt, zoo stilt Zijn lichaam den geestelijken honger; en zooals de wijn den lichamelijken dorst lescht, het bedroefde hart vervroolijkt en den kommer wegneemt, zoo stilt Zijn bloed den dorst der ziel en neemt den kommer vanwege de zonde weg. — Wij hebben er wel op te letten, dat de discipelen dat alles zonder tegenspreken hebben gedaan. De Heere heeft hen verrast en met listigheid gevangen; de Heilige Geest, Die op den Heere was, kwam ook op de discipelen, zoodat zij, zonder te weten, wat zij deden, toch des Heeren woord gehoorzaamden en gesterkt zijn geworden, en niet van Hem afvielen, maar volhardden in het geloof; heeft ook Petrus Hem verloochend en de anderen Hem verlaten, zij zijn toch in hun hart standvastig gebleven in de liefde tot den Heere. Als dus de Heere Jesus zegt: „Dat is Mijn lichaam!" dan wil Hij daarmeê zeggen: „Ontvangt, terwijl gij dit eet, in uwe ziel alles, wat Ik voor u lijd, zoodat het voor u is, als hadt gij zeiven alles geleden; neemt de volkomen genoegdoening, die Ik voor u tot stand breng, in u op, alsof gij zeiven al den wil Gods hadt gedaan. Neemt in ziel en lichaam op alles wat Ik voor u ben met lichaam en ziel. Mijne ziel is uwe ziel, en uwe ziel is Mijne ziel; Mijn lichaam is uw lichaam, en uw lichaam is Mijn lichaam. Ik heb uw lichaam en uwe ziel in Mijn lichaam en Mijne ziel opgenomen, neemt gij nu Mijne ziel en Mijn lichaam in u op, opdat er eene vereeniging, eene verbintenis zij, sterker dan de band, die man en vrouw, die ouders en kinderen verbindt". Één vleesch is het toch: man en vrouw! één bloed is het: ouders en kinderen! Nochtans omvatten de lichamen elkaar niet, maar draagt ieder zijn eigen lichaam, en toch is het één bloed, één lichaam. Sterker nu dan het verbonden-zijn van man en vrouw, en van ouders en kinderen, is het verbondenzijn van den Heere Jesus met de Zijnen, dat door Hem bewerkstelligd werd. En om daarvan den discipelen niet slechts een begrip, maar teeken en zegel, ja ook het middel te geven, geeft Hij hun brood. Het brood is gebroken, en zij eten één brood, zoo zijn zij één lichaam, omdat zij ééns broods deelachtig geworden zijn en daarmeê deelachtig zijn het lichaam van Christus. Zoo vormen die velen nu één lichaam, waarvan Christus het Hoofd is.
De Heere Jesus zegt van den drinkbeker: „Dat is M i jn b l o e d " , en Hij voegt er bij: „het b l o e d des n i e u w en T e s t a m e n t s " . Bij Lukas staat: „Het nieuwe Testament in Mijn bloed". De Ileere Jesus wil zeggen: „Gij zijt door den Vader van den beginne aan opgenomen in het Verbond der genade, tot hetwelk Hij Mij heeft gezonden als Middelaar. Dit Verbond omvat vele goederen: eeuwige genade, eeuwige gerechtigheid, vergeving van zonden, het doorkomen door deze wereld, — alles is in dit Verbond begrepen. In dit Verbond zijt gij opgenomen, en nu moet gij de goederen van dit Verbond hebben; Ik giet ze in u met Mijn bloed. Alleen door Mijn bloed, alleen door Mijnen dood kunt gij al deze goederen deelachtig worden. Het is niet genoeg, dat zij er zijn, maar Ik wil ook, dat gij en deze goederen één wordt, dat gij u daarin vindt en daarmee gemeenschap hebt. Drinkt nu allen dezen drinkbeker! Wat Mijn dood vcor u uitwerkt, wat Mijn bloedvergieten voor u tot stand brengt, — hebt het! neemt dat alles in u op!" — Hier was de wijn toch waarlijk niet het bloed zelf, veel minder het Testament, maar de wijn was een beeld, om de geestelijke zaak te begrijpen.
Ik stap nu over op den Heidelbergschen Catechismus Die leert het volgende. Vraag 75: „Hoe wordt gij in het H e i l i g A v o n d m a a l v e r m a a n d en v e r z e k e r d , dat g i j " wie „gij"? — Daar hebt gij een boek in handen, het is gedrukt, ingenaaid of gebonden, lees daarin! De Heere Jesus heeft eenmaal gezegd: „Gaat henen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen". Koop u in dit boekje het Evangelie. Vraagt gij: „Is het wel voor mij?" — niet lang zult gij u met deze vraag bezighouden, als gjj in waarheid bekommerd zijt vanwege de zonde, als gij honger en dorst hebt naar gerechtigheid. Het boekje is ecne kostelijke vondst. Als iemand op eene moeielijke reis door grooten dorst gekweld wordt, en opeens eene heldere beek vindt, die uit de rots ontspringt, dan mag hij daar toch wel uit drinken, zij komt uit Gods vrije natuur voort. Zoo komt dit boekje uit Gods vrije genade voort, tot verkwikking en tot vertroosting dergenen, die in de woestijn zijn. En zijt gij nu in de woestijn en verlangt gij daarom naar zulk eene vertroosting, naar zulk eene verkwikking, dan behoort gij tot dit „gij", waarvan de Catechismus spreekt, en hebt gij „ g e m e e n s c h a p " , d. i. deel „aan do e e n i g e o f f e r a n d e van C h r i s t u s , aan het k r u i s v o l b r a c h t , en aan al Z i j n goed". Dat wordt dengenen gepredikt, die niets bezitten. Maar hoe weet gij dat? In het Heilig Avondmaal wordt gij d a a r v a n „ v e r m a a nd en v e r z e k e r d " . De mensch vergeet het zeer gemakkelijk, want hij heeft voortdurend andere dingen in zijn hoofd, daarom wordt hij er aan herinnerd. Ik heb eenen man gekend, die wel kon zwemmen, maar toen hij eens plotseling in het water viel, dacht hij er door den schrik in 't geheel niet aan, en hij zou bijna verdronken zijn; maar een vriend riep hem toe: „Zwem toch! gij kunt immers zwemmen!" Toen begon hij in zijne wanhoop met handen en voeten in het water te slaan, hij zwom en bereikte nog gelukkig den oever. — De mensch moet herinnerd worden aan het Evangelie van Christus; want men kan vanwege zonde en nood in zoodanigen angst geraken, dat men ten eenenmale het spoor bijster wordt. Dan wordt men door het Heilig Avondmaal vermaand: „Gij hebt deel aan de eenige offerande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al Zijn goed", en men wordt daarvan verzekerd, zoodat ons zwak geloof er toch weer toe komt om te zeggen en te belijden: „Ja, ja, ik heb er deel aan!"
Hoe doet de Heere dit nu in het Avondmaal ? Vooreerst heeft Hij mij en allen geloovigen bevolen, van het gebroken brood te eten en van den drinkbeker te drinken, dien ik op de tafel zie staan. Dat heeft Christus mij bevolen. Voorwaar een genadig bevel! Evenals do koning een' zijner onderdanen beveelt, aan zijne koninklijke tafel te komen, zoo beveelt nu ook de Koning aller koningen, dat wij aan Zijne tafel zullen komen, en geen duivel en geene macht der wereld kan daar iets tegen doen, het is des Konings gebod: „Kom en eet van dit gebroken brood en drink van dezen drinkbeker!" — En als ik dat nu doe, wat ontvang ik dan ? — Gij ontvangt in het Avondmaal eene belofte. — Wat voor eene belofte? — Eene belofte en verzekering aan uwe ziel: „Wees niet angstig en moedeloos, zegt de Heere Jesus, Mijn lichaam is zoo zeker voor u aan het kruis geofferd en gebroken, en Mijn bloed is zoo zeker voor u vergoten, als gij met uwe lichamelijke oogen ziet, dat het brood des Heeren voor u gebroken, en de drinkbeker u medegedeeld wordt". Dat ziet gij toch met uwe eigene oogen: het brood wordt gebroken, — voor wie ? Wel, gij kunt immers met volle vrijmoedigheid zeggen, als gij hebt plaats genomen: „Voor mij wordt het gebroken!" Of de dienaar uwen naam kent, of niet, dat is om het even, vrijmoedig moogt gij, als gij het met uwe oogen ziet, zeggen: „Voor mij wordt het gebroken!" En dan ziet gij om u heen al de geliefde zusters en broeders, en gij zegt: „Voor mij en alle geloovigen, die er zijn!" Gij ziet het immers met uwe oogen, dat het voor u is, dat u de schotel met het brood toegereikt, dat u de drinkbeker met don wijn in de hand gegeven wordt. Welnu, zoo zeker gij dat met uwe oogen ziet, even zeker is datgene, wat gij niet ziet, namelijk dit, dat de Heere tot u zegt: „Hebt gij het nu gezien, dat het brood gebroken is? even zeker is Mijn lichaam aan het kruis voor u gebroken; en zoo zeker u de drinkbeker medegedeeld is, zoo zeker is Mijn bloed voor u vergoten tot vergeving der zonden''.
Maar dat is het niet alleen, neen, wij hebben nog meer troost, er ligt nog meer in. Wat ontvangt gij uit des dienaars hand, wat geniet gij ? Brood en wijn. Wat gij zoo ontvangt en geniet, zijn gewisse waarteekenen van het lichaam en het bloed van Christus, zoodat gij derhalve het oog van het brood en den wijn moet afwenden, en zien op datgene, wat daardoor boteekend en verzegeld is, namelijk op het lichaam en het bloed van Christus, waarvan het brood en de wijn waarteekenen zijn. Waarteekenen? Ja, waarteekenen! Want zoo zeker ik het brood ontvang en geniet, en den driukbeker ontvang en daaruit drink, even zeker spijst Christus mijne ziel met Zijn gekruisigd lichaam, en laaft haar met Zijn bloed. — Maar de Heere Jesus is immers thans in den hemel! Zijn gekruisigd lichaam werd immers in het graf gelegd, is daarna opgestaan en ten hemel gevaren, en Zijn bloed is vóór achttien eeuwen vergoten; Zijn lichaam, zooals het aan het kruis hing, bestaat niet meer, en Zijn bloed vloeit niet meer in eigenlijken zin, zooals het van het kruis vloeide, — hoe moet dit dan verstaan worden ? Zoo, dat niet het lichaam, maar de ziel daarmee gespijzigd en gelaafd wordt. Met de ziel nu is het anders gesteld dan met het lichaam, zij heeft daarom ook ander voedsel noodigj de ziel is geest, is eeuwig; hoe eet nu mijne ziel? hoe drinkt zij? Zoo vraagt ook de Catechismus (Vr. 76): „Wat is dat t e z e g g e n : het g e k r u i s i g d l i c h a a m van C h r i s t us e e t e n , en Z i j n v e r g o t e n b l o e d te d r i n k e n ? " Dat moet zóó worden verstaan: 1". Dat wij „ h e t g a n s c h e " , ja het gansche „ l i j d e n en s t e r v e n v a n C h r i s t u s met een g e l o o v i g h a r t a a n n e m e n " , — het is geen stuk-werk, als ware er voor ons nog wat te doen overgebleven. Het gansche lijden en sterven van Christus heb ik dus met een geloovig hart aan te nemen. — Wat bezit ik door Zijn lijden en sterven ? Vergeving van zonden en eeuwig leven. Dit dus voor mijzelven aannemen met een geloovig hart, dat wil zeggen: „het gekruisigd lichaam van Christus eten, en Zijn vergoten bloed drinken". 2n. Dat wij „ook d a a r b e n e v e n s door d e n H e i l i g e n G e e s t , D i e te z a m e n i n C h r i s t u s en i n ons w o o n t , a l z o o met Z i j n h e i l i g l i c h a a m hoe l a n g e r hoe meer v e r e e n i g d w o r d e n , dat w i j , al i s h e t , dat C h r i s t u s in den h e m e l is, en w i j op a a r d e z i j n , n o c h t a n s v l e e s c h van Z i j n v l e e s c h en b e e n v a n Z i j n e b e e n e n z i j n , en d a t wij d o o r é é n en G e e s t (als l e d e n ééns l i c h a a m s door é é n e z i e l) e e u w i g l i j k l e v e n en g e r e g e e r d w o r d e n " . De leden van ons lichaam worden door onze ziel geregeerd. In de ziel komt het op, dit of dat te doen, en dan eerst komen de leden in beweging. De leden doen niets uit zichzelven, kunnen niets uit zichzelven doen. De bekwaamheid ligt niet in de leden, maar in de ziel, in den geest, en van dezen uit gaat zij door het bloed in de leden. Zoo gaat ook de Geest, Dien Christus ons heeft verworven, van Hem, het Hoofd, uit in al Zijne leden, zoodat zij allen door Hem leven en geregeerd worden. Is het bloed uit de vingers, dan noemen wij ze dood; is het bloed uit den voet, dan noemen wij den voet dood, hij kan niets meer doen; maar als het bloed er door stroomt, dan beweegt hij zich. Zoo zijn ook de leden aan het lichaam van Christus op zichzelven dood, maar als de Geest er in vaart, dan doordringt hen de kracht van Christus' opstanding, zoodat dezen dit, genen dat volbrengen, en ieder zijn ambt vervult naar den wil van het Hoofd Christus. En gelijk eraan het lichaam verschillende leden zijn, zoo zijn ook aan Christus verschillende leden, en „het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van noode; of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van noode! Ja veeleer, de leden, die ons dunken de zwakste des lichaams te zijn, die zijn noodig; en die ons dunken de minst eerlijke leden des lichaams te zijn, denzelven doen wij overvloediger eer aan", enz.. (1 Cor. 12 : 21—23.)
De Heere Christus heeft dus den Geest verworven voor ons, en deze Geest werkt van boven nederwaarts, is in Christus en in de Gemeente, en deze Geest brengt de sterkste vereeniging tot stand door den band der liefde en des vredes. De Geest komt en vereenigt de leden meer en meer met Christus, en Christus met ons, de leden, want de Heere Jesus zegt, nadat Hij eerst ook van het eten van Zijn vleesch en het drinken van Zijn bloed had gesproken: „De woorden, die I k tot u spreek, zijn geest en zijn leven". (Joh. 6 : 63.) Het is dus duidelijk, dat het lichaam van Christus niet in het brood vaart, noch Zijn bloed in den wijn, maar brood en wijn worden begrepen in de belofte, en op grond van de belofte: „Dat is Mijn lichaam!" en: „Dat is Mijn bloed!" ziet het zielsoog van het brood, het teeken, af naar het kruis. En terwijl gij het brood ontvangt, ontvangt gij de vermaning en verzekering: „Zoo zeker gij dit brood ontvangt, zoo zeker heb Ik voor u aan het kruis aan Mijn lichaam het lichaam der zonde te niet gedaan, en zoo zeker gij den drinkbeker ontvangt, zoo zeker heb Ik voor u aan het kruis Mijn onschuldig bloed vergoten, om uwe ziel te bewaren ten eeuwigen leven. Eu zoo zeker gij het brood en den wijn niet alleen ontvangt, maar ook geniet, zoo zeker maak Ik u ten eigendom alles, wat Ik voor u verworven heb, opdat gij gemeenschap hebt aan Mij en al Mijne goederen, opdat gij die nu reeds bezit en niet pas in den hemel ontvangt". Indien men mij verzekerde, dat er te Weenen of St.-Petersburg een schat voor mij gereed lag, wat zou het mij helpen, als ik den weg niet wist, of als ik te arm was, om de reis te ondernemen? — De Heere Jesus nu maakt, dat ik den schat ook heb. Zoo zeker gij brood en wijn ontvangt, ligt er een schat voor u in den hemel bij den Vader, en zoo zeker gij brood en wijn geniet, ontvangt gij dezen schat en wordt tot u gezegd: „Ziedaar, daar hebt gij den schat, daar hebt gij den interest er van, zooveel als gij noodig hebt voor uwe behoeften ; al liet uwe heb Ik u ontnomen en u al het Mijne gegeven. I k kon u dit ook op eene andere wijze verzekeren, en Ik doe dat ook dikwijls; maar deze ordening heb Ik zoo ingesteld, I k heb u eene tafel bereid, opdat gij alzoo onderwezen, vermaand en verzekerd wordt".
Veel ware hiervan nog te zeggen, maar het zou ons te ver voeren. Een ieder geve echter wèl acht op hetgeen ons Avondmaalsformulier zegt, opdat hij dat tot zijne vertroosting ontvange. Indien het u niet te doen is, om vernieuwd te worden naar het beeld van Christus, dan kan u het Heilig Avondmaal geene ware vertroosting zijn, al zegt gij ook: „Ik heb en zie niets in m i j ! " Ik weet zeer wel, dat de zaligheid niet in ons is, ik weet zeer wel, dat wij niets tot stand kunnen brengen, maar ik weet ook, dat wij van ons geloof uit de vruchten verzekerd worden, en waar waarheid in het binnenste is, daar moet men wel dag aan dag ondervinden, dat men niets is en niets kan, maar men heeft ook lust, om in Gods geboden te wandelen. Dan alleen is er ware troost, als men ten eerste zijne zonde recht kent en erkent en zich voor God in waarheid verootmoedigt. (Vr. 81.) Wel moeten wij, zoo onrein als wij zijn, tot den Heere gaan; maar Hij geeft ons ook Zjjnen Geest; en waar Hij Zijnen Geest geeft, daar is een hart, dat in waarheid verslagen en verbrijzeld is over zijne zonde en schuld. Niet, dat wij dit nu meê zullen brengen als een kleed, dat wij ons hebben aangetrokken voor de tafel des Heeren ? maar wie verlangt naar spijze, als hij geenen honger heeft, en wie naar drank, als hjj geenen dorst heeft? Ten tweede is noodig, dat, als de Heere iemand zulk een vertrouwen schenkt, zulk een koninklijk bevel geeft, men ook kome en op Hem vertrouwe en zegge: „Ja Heere, op Uwe offerande verlaat ik mij, iets anders heb ik niet". Velen denken, dat zij met hun twijfelen en met hunne onzekerheid toch nog goed zullen uitkomen, maar dit is juist de grootste zonde, die een mensch tegen God kan begaan, en hjj bewijst daarmee alleen, dat het hem geen ernst is, dus dat hij in zijne zonden wil blijven zitten. Ja, er zijn wel aanvechtingen en nooden, waarbij den mensch alle verzekerdheid ontnomen is; maar daarbij kan hij dan niet gerust blijven, neen, hjj laat niet af van tot den Heere te roepen om de verzekering des Heiligen Geestes.
Niet tevergeefs wordt met nadruk gezegd, dat de Heere het Avondmaal heeft ingesteld „in den nacht, in welken Hjj verraden werd". Ach, hoezeer is de ziel van den heiligen Heiland daarover ontroerd (Ps. 69), maar in weerwil van den verrader, die aan tafel zit, wankelt de Heere niet in Zijne liefde tot de andere discipelen, maar Hij omvat hen des te inniger en stort de liefde, waarmee Hij liefheeft, uit in hunne harten.
Daarom: weg met al onze eigene wijsheid en gedachten! Het Woord des Ileeren zal alleen geprezen zijn! Daartoe verleene de Heere ons Zijne genade!
4 October 1857. H. F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 maart 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Betrachting over Mattheüs 26 : 26—28.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 maart 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken